Marijn Borka & De Zombie

Proloog

 

Marijn stond voor het open raam in zijn kantoor en keek naar de bladeren van de bomen, die herfstkleuren hadden gekregen. Geel, bruin. Een enkeling mooi, fel rood. Hij volgde dromerig een blaadje dat net zijn tak had verlaten en dwarrelend naar beneden viel. Toen het eenmaal op de grond lag, bleef Marijn er naar staren. Hij hield van de herfst. Het melancholische seizoen.

Hij hield zijn handen achter zijn rug en merkte niet dat Sofia zijn kantoortje binnen liep met een mok vol dampende koffie. Ze kwam zo stil als een muis de ruimte binnen.

“Nu niet, mijn beste Sofia, ik zie aan dat plasje water dat er een spannend avontuur aan komt.”

Sofia schrok, bleef stokstijf staan en keek verbaasd naar Marijn. Ze had bijna de mok met koffie laten vallen. “Wat bedoel je daarmee? Ik bedoel..”

Ze liep naar het raam en keek naar beneden. Er lag inderdaad een flinke plas op de grond. “Hoe weet jij dat er een spannend avontuur aankomt - door een simpele plas water op de grond?”

Marijn haalde zijn hand achter zijn rug vandaan en wees richting de plas. “Simpel. Ik zag de weerspiegeling van een vrouw, die om de hoek van het gebouw staat. Haar leeftijd is eind jaren 30, begin 40. Moeder van drie kinderen, drie zonen. Ze is pas gescheiden van haar man. Er zijn grote problemen met haar oudste zoon. Zijn leven is in gevaar. Hij is niet zichzelf en ligt op sterven, maar ze heeft haar twijfels aan de diagnose van de dokters, omdat hij het allemaal zelf heeft gedaan.”

“Hoe weet jij dat ze drie zonen heeft?” vroeg Sofia niet begrijpend. “En hoe weet je dat er iets met haar oudste zoon is?”

“Jongens geven meer zorgen dan meiden. Mannen gedragen zich vaker onvolwassen dan vrouwen. Vrouwen zijn rustiger dan mannen, omdat ze volwassener zijn. En ze ziet er ook nog ouder uit dan ze werkelijk is - jongens zuigen veel energie uit je lijf. Daarom heeft ze drie jongens.

“Kom op, Sofia.” Marijn keek zijn assistente even aan. “Dat had jij wel moeten weten.”

Sofia haalde haar schouders op. “Daar hoeft het toch niet perse aan te liggen? En die oudste zoon?”

“Meestal geven de oudste jongens als eerste problemen en het kan vervelende gevolgen hebben op haar andere twee zonen. Aapje ziet, aapje doet.”

“En hoe weet je dat ze net gescheiden is?”

“Dat zie ik aan haar oude kleren. Bij een goed moederinstinct gaan de kinderen altijd voor. Er zijn nog veel meer dingen in haar verleden, maar niets is zo erg als wat haar zoon meemaakt. Nu is er geen man om voor haar te zorgen.”

“Ik weet het niet,” zei Sofia twijfelend en ze fronste haar wenkbrauwen. “Die drie zonen…” Maar Marijn onderbrak haar. “Al goed. Ze heeft drie tatoeages met de namen van haar kinderen op haar arm. Ze kan haar arm niet met rust laten. Nieuwe tattoos kunnen gaan irriteren en jeuken.”

Sofia bleef met doffe ogen uit het raam kijken.

“Weet je wat? Laten we zo snel mogelijk duidelijkheid in de zaak brengen.” Marijn boog zich over de vensterbank. “Kom maar naar binnen, mevrouw! Ik ben benieuwd naar uw verhaal.”

Mensen op straat draaiden zich om en keken naar boven. Sofia kon zich wel voorstellen waar de mensen aan dachten. Welke gek schreeuwt nou vanuit het raam naar beneden?

Ze keek naar het punt waar de vrouw stond. Ze zag een slanke gedaante achter de woning vandaan komen. Ze schrok enorm van haar.



Hoofdstuk 1: Oud maar nieuw



Een bleek en uitgemergelde vrouw, met tranen in haar ogen, zat op de stoel tegenover Marijn, die achter zijn bureau zat. Het was net alsof alle energie uit haar lichaam was gezogen. Ze had vast dagen niet meer geslapen, dacht Sofia. Dat kan niet anders.

Een onaangeraakte, dampende mok koffie stond voor de vreemde vrouw. Het was doodstil in het kantoor. Niemand verroerde zich. Marijn hield zijn handen tegen elkaar aan en zijn ellebogen op het bureaublad. Met zijn handen tegen zijn lippen bleef hij de vrouw strak aankijken. Het was net alsof hij in een diepe trance zat.

De vrouw voelde zich duidelijk niet op haar gemak. Het leek alsof ze elk moment kon vluchten. Sofia zag dat ook en dacht dat het leek alsof Marijn de gedachten van de vrouw aan het lezen was. De vrouw keek haar even aan, maar Sofia gaf alleen een knikje. De vrouw keek weer terug naar Marijn, die haar nog steeds strak aanstaarde, en ze wilde iets zeggen. Marijn stak zijn hand vlug op alsof hij haar nog even tot stilte maande. Er ging zo nog een minuut voorbij, wat een uur leek te duren.

Plotseling keek Marijn op, alsof hij uit zijn trance ontwaakte, en keek Sofia triomfantelijk aan. “Ik had toch gelijk. Ze is een jonge vrouw van rond de veertig en heeft drie kinderen, waarbij de oudste problemen heeft. Daarom is ze hier.”

Sofia zuchtte en vroeg: “Maakt dat nu iets uit?”

“Vanzelfsprekend, mijn beste Sofia,” zei Marijn en hij stond op. “Deze zaak is niet zomaar een zaak, het is een moeilijke puzzel, en dat is heel erg zeldzaam.”

Hij liep naar de vrouw toe en keek haar aan. “Oud, maar nieuw.”

Sofia keek van de arme vrouw naar Marijn. “Hoe kan iets wat oud is, ook nieuw zijn? Iets wat oud is, kan niet nieuw zijn. Tenzij het bijvoorbeeld om een oud gebouw gaat dat gerenoveerd is, wat wel tegelijk oud en nieuw is.”

“Ja, dat kan ook,” zei Marijn. Hij bleef staan naast de vrouw en streelde zijn sikje. “Maar dat bedoel ik niet. Het heeft niks met huizen of andere gebouwen te maken. Probeer het nog eens, Sofia.”

Sofia staarde naar de grond en ze haalde haar schouders op.

“Het is iets wat met de jeugd te maken heeft,” vervolgde Marijn geduldig. “Een van de grootste problemen. Het ligt zo voor het oprapen.”

Ze keek Marijn aan en zei vrolijk: “Natuurlijk, alcohol.”

“Ja.”

Sofia was in de wolken, omdat ze Marijn begreep.

“Maar niet het juiste antwoord.”

Ze zakte een beetje teleurgesteld onderuit op haar stoel.

“Je zat er niet ver naast, Sofia. Drank is ook een groot probleem bij de jeugd. Ik bedoel deze keer drugs.”

Ze sloeg haar hand tegen haar gezicht. “Wat stom.”

“Zoals ik al zei, je zat er niet ver naast. Maar je leert het wel. Drugs is een oud probleem bij de jongeren, maar er is een nieuwe rage overgevlogen vanuit Zuid-Amerika. Vandaar dat ik bedoel: oud maar nieuw. Ik heb toevallig al een beetje informatie opgezocht over die nieuwe rage, maar er is te weinig informatie over omdat het nieuw is.”

Sofia wist niet tegen wie Marijn het had: tegen de vreemde vrouw of tegen haar.

Marijn begon te ijsberen door zijn kantoor.

“Je kan beter beginnen met notities maken, Sofia.” zei hij, terwijl hij op en neer bleef lopen. “Dit is heel erg belangrijk en kan in de toekomst van pas komen.”

Sofia pakte pen en papier. Ze klikte op het knopje van de pen en ze hield hem vlak boven het papier. “Kan dit zo erg belangrijk zijn?”

Marijn stopte met ijsberen en keek haar aan. “Heel erg belangrijk,” zei hij duister. “Belangrijk voor dokters, patiënten en de toekomst. Voorkomen is beter dan genezen. Zeker omdat dit een nieuwe rage is, moet er ook zo snel mogelijk een oplossing komen, want dit kan levens kosten.” Hij fronste naar de vrouw. “Ik weet niet het hele verhaal, mevrouw, dat zou erg saai zijn. Ik ken wel een aantal dingen die ik uit uw verschijning heb weten te halen, maar niet alles.”

Hij gaf de vrouw een hand en zei: “Hoe maakt u het, Laura de Groot. Mijn naam is Marijn Borka en dit is mijn assistente Sofia Saqqaf.”

De vrouw die Laura heette staarde hem verbaasd aan. “Hoe weet u hoe ik heet?”

Marijn liep terug naar zijn stoel en nam plaats achter het bureau. “Ik kan soms gedachten lezen. En uw voornaam hangt aan uw kettinkje - iets wat tegenwoordig elke vrouw doet. Vast om een beetje aandacht te krijgen van de mannen, zodat zij weten hoe u heet en u uw naam niet hoeft te zeggen.”

Marijn schraapte zijn keel een keer en zei: “Ik geloof niet dat u hierheen bent gekomen om het over uzelf te hebben. Niet waar? Uw zoon zit in de problemen en u kunt niet bij de politie terecht.”

De vrouw wilde daarover iets gaan zeggen, maar Marijn viel haar in de rede: “Nou ja, u kunt wel bij de politie terecht, maar dan zou hij opgepakt moeten worden en de dokter kan u ook niet echt helpen. Vertel uw deel van het verhaal dan maar.”

Laura ging goed in de stoel zitten, zodat ze gemakkelijk zat, en begon met haar verhaal.

“Mijn zoon ging gisteravond naar een feestje van zijn kameraad toe, omdat die jongen jarig was. Hij bleef de hele nacht weg en de volgende dag was hij nog steeds niet thuis. Nadat ik hem een paar keer zonder succes opgebeld had, besloot ik op zoek naar hem te gaan. Ik ben naar zijn kameraad geweest, maar daar was hij niet. Ik ben daarna naar zijn school gegaan, maar helaas, zonder succes. Ik wilde net terug naar mijn auto gaan, toen ik iets in mijn ooghoek zag bewegen. Ik keek naar links en zag een smal steegje. Er lag een jonge tiener op de grond en na een korte tijd begon hij te schreeuwen. Zijn ogen waren wijd open en hij bleef naar mij staren. Hij had bloed op zijn hoofd en zijn ogen waren helder wit.”

Marijn streelde over zijn sikje en glimlachte. “Interessant, interessant,” zei hij goedkeurend. “Maak je nog notities, Sofia? Dit is erg belangrijk voor de toekomst en geschiedenis.”

Sofia, die met zweet op haar voorhoofd het notitieblok vol schreef, zei gehaast: “Ik kan het allemaal net bijhouden, ik heb lang niet meer zo snel geschreven.”

“Mooi, mooi,” zei Marijn terwijl hij haar klacht wegwuifde. “Gewoon de belangrijkste punten opschrijven, Sofia. Niet elk detail. Laat de details aan mijn gedachten over. Alsjeblieft, gaat u verder, Laura.”

Laura had bezorgd naar Sofia gekeken die alles maar met moeite kon bijhouden.

“Ze leert het wel,” zei Marijn tegen haar. “Gaat u verder met het verhaal.”

“Nou, er lag nog een tweede gedaante op de grond, in een plas met bloed, en zijn buik lag open met ingewanden ernaast.”

Sofia keek vol walging naar Laura en Marijn zei: “Vreemd en interessant.”

Laura keek Marijn aan en zei plotseling: “Mijn lieve zoon is een zombie geworden!” Haar mond bleef vol afschuw open staan.

“Ja, en nee,” zei Marijn en hij stond op en ging voor het raam staan achter zijn bureau.

Hij kruiste zijn handen achter zijn rug. “Ik geloof niet in zombies. Er moet meer achter zitten dan alleen die drugs, maar hoe u het vertelt, Laura...”

“Wat is er daarna gebeurd?” vroeg Sofia aan de trillende vrouw.

“Ik ben vlug in de auto gestapt en weggereden. Ik was bang.” Ze begon te huilen en snotterde. “Een moeder hoort niet bang te zijn voor haar zoon, net zoals een zoon niet bang hoort te zijn voor zijn moeder. Wat moest ik dan?”

Sofia gaf Laura een doos met tissues en zei: “Beter vluchten dan vermoord worden door je eigen zoon, denk ik.”

“Ik weet het,” zei Laura verdrietig. “Maar het lijkt gewoon alsof ik mijn zoon in de steek laat.”

“Nee, nee. Als jij je zoon in de steek had gelaten was je niet naar ons toe gekomen. Wij gaan je gewoon helpen, zodat je straks weer samen met je zoon verder kunt.”

Laura snoot haar neus en zei: “Je hebt gelijk, ik stel me aan.”

“Nee hoor, helemaal niet. Dat is moederinstinct, dat hoort er gewoon bij.”

Laura knikte en ze deponeert het doekje in een klein prullenbakje.

“Is er meer wat ik moet weten of moet opschrijven?” vroeg Sofia.

“Nee, dat was alles.”

Sofia legde het notitieblok op het bureau van Marijn en zei: “Hij is weer in een trance.” Ze knikte naar Marijn. “Ik laat je wel buiten en dan houden we je op de hoogte. Als ik je telefoonnummer nog mag noteren?”

Laura keek van Sofia naar de niet-reagerende Marijn en zei zachtjes: “Ja, goed.”

Ze stond op en liep met Sofia naar de voordeur. Sofia liet de deur open voor de vrouw.

“Maar het geld dan?” vroeg Laura nog.

“Dat komt later wel.”

Nadat Sofia Laura naar buiten had geleid, liep ze terug naar het kantoor.

Er hing een vieze brandlucht met een grijze rookwolk boven Marijn. Sofia liep naar hem toe en zag dat hij weer zo'n stinksigaar in zijn mond had.

“Hey,” riep ze verbaasd. “En die elektrische sigaret dan?”

“Afgekeurd door mijn experiment,” zei Marijn kortaf.

“Welk experiment?”

“Of het onder water ook aan blijft of niet.”

“Nee, natuurlijk niet. Dat is elektrisch. Dat blijft natuurlijk niet aan en daar was ‘ie niet voor bedoeld. Maar een normale sigaar blijft ook niet aan onder water.”

“Ik kan in de regen ook met een brandende sigaar rondlopen zonder het risico te lopen dat hij ontploft.”

“Een normale sigaar kan ook uitgaan in de regen.”

“Maar dan zonder ontploffing.”

Sofia pakte de lege mok van het bureau en liep naar de keuken. Marijn was weer vervallen in een trance, op zoek naar de oplossing van de zombie.



Hoofdstuk 2: Vreemde snuiter



De volgende ochtend stond Sofia al vroeg in de keuken van Marijn. De zon begon net langzaam op te komen en de nevel van de dichte mist hing nog aan het glas van de keukenraam. Sofia zag er amper iets doorheen. Na een paar minuten bij het Senseo apparaat te hebben gestaan, voelde ze plotseling een koude wind de keuken in komen. Haar schriele lichaam kreeg meteen overal kippenvel, en ze pakte de warme mokken onder het koffieapparaat vandaan. Bibberend van de kou liep ze het kantoor in en daar stond Marijn voor het open raam naar buiten te kijken.

Hij snoof de frisse lucht in en zei opgewonden: “Een perfecte dag om naar het mortuarium te gaan.”

“Maar,” begon Sofia, die de ene mok op het bureau zette en de andere mok in haar handen vasthield om zichzelf op te warmen. “Het is zondag. Dan is het mortuarium gesloten.”

Marijn, die nog steeds voor het raam stond en naar buiten keek, stopte zijn hand in zijn broekzak en hield iets omhoog aan zijn vinger.

Sofia kneep haar ogen een beetje dicht om het beter te zien. Dankzij het beetje zonlicht, wat door het raam naar binnen droop, was het moeilijk te zien wat het was.

“Het lijkt wel op een sleutel,” zei ze langzaam.

“Dat komt omdat het ook een sleutel is,” zei Marijn. “Namelijk de sleutel van het mortuarium.”

“Oké, en wil je nu alsjeblieft dat raam sluiten? Het is al koud genoeg.”

“Wen er maar alvast aan,” zei Marijn duister terwijl hij het raam dicht deed. “In het mortuarium zal het niet warmer zijn en zeker nu er al twee-en-halve dag niemand meer binnen is geweest.”

Hij liep zijn kantoor uit naar de kapstok. Hij trok zijn lange bruine jas aan, pakte een bruine gleufhoed en verliet het appartement, gevolgd door Sofia.

Buiten was het nog een beetje mistig, maar alles was goed zichtbaar. Nadat ze een paar hoeken om waren gegaan stond Marijn plotseling stil. Sofia ging naast Marijn staan. Al die tijd had hij niks gezegd en misschien was dat maar goed ook. Hij was sinds gisteren al heel stil geweest.

Sofia dacht dat ze zouden oversteken en ze keek automatisch naar links. Een taxi kwam in de verte aanrijden. Ze keek nog een keer naar rechts, maar daar kwam niks aan.

Waarschijnlijk wilde Sofia na de taxi oversteken en toen ze een aanstalten maakte om te gaan lopen, stopte de taxi voor hun neus en deed Marijn het portier open.

“Naar het mortuarium,” zei hij kortaf en hij gaf de chauffeur extra fooi. “We hebben haast.”

Sofia stapte ook in.

“Vanwaar die haast?” vroeg de chauffeur. “Die mensen lopen niet weg.”

Sofia hield een zacht grinnik tegen door haar hand voor haar mond te houden en keek naar Marijn. Die staarde alleen maar voor zich uit alsof hij opnieuw in een trance was.

Met een laatste blik op Marijn draaide de chauffeur zijn hoofd weer naar voren en ze reden weg.

“Gaan wij niet te vroeg naar het mortuarium toe?” vroeg Sofia, en ze keek op haar mobiel. “Het is nog niet eens acht uur, en waarom zijn we daar opgestapt en niet vanuit je appartement?”

“We worden in de gaten gehouden - en nu stilte.”

Sofia keek angstig uit het raam van de taxi naar buiten, maar ze zag niks.

 

Na een kwartier stond Sofia midden in het mortuarium te bibberen van de kou. Ze had haar jas zo dicht gedaan dat alleen haar neus boven de rits uitkwam. Ze had de gleufhoed van Marijn opgezet om een beetje extra warmte te creëren (niet dat het iets uitmaakte, maar alle kleine beetjes helpen).

Ze zag er wel vreemd uit met die hoed. Het viel niet mee om er iets moois van te maken nu ze een grote bos haar had. Gelukkig ziet niemand mij hier, dacht ze.

“W-w-w-we b-b-blijven hier t-t-toch n-n-niet te l-lang hè?” vroeg ze bibberend, “het is hier binnen nog kouder dan buiten.”

“Dat ligt er maar net aan, of ik vind wat ik zoek,” zei Marijn kalmpjes. Hij had zijn jas uitgedaan en over een stoel gehangen.

“W-w-w-waar b-b-b-ben je d-d-dan n-n-n-naar op z-z-z-zoek?”

Sofia keek naar Marijns jas, en wilde die ook wel aan doen.

“Dat weet ik niet,” zei Marijn. “Daarom ben ik hier.” Hij zuchtte een keer. “Misschien moet je meer spek eten. Hoe meer vet je krijgt, hoe minder kou je lijdt - of ga vaker in de kou naar buiten, dan wen je er wel aan.”

Sofia keek Marijn beledigd aan en voordat ze iets kon zeggen, gooide hij zijn jas naar naar.

“Het was geen belediging, Sofia, het was alleen advies.”

Sofia trok Marijns jas aan, die nog steeds warm aanvoelde.

Marijn had intussen zijn leren etui eruit gehaald, wat misschien weer een paar kilo scheelde.

In de etui van Marijn zaten verschillende dingen die Sofia gekscherend ‘speurgadgets’ noemde.

Voor Marijn stelde het allemaal niks voor, gewoon die dingen die ze vroeger al gebruikten en hij die nog steeds wilde gebruiken. Die spullen van vroeger waren altijd beter dan de spullen van tegenwoordig. Neem nou zijn dummy mobiel. Gewoon een simpel mobieltje waar je alleen mee kon bellen en sms'en. Sofia had er nog het een en ander op gezet, wat er nog op kon tenminste. Zoals een buienalarm, die Marijn toch nooit gebruikte. ‘Waarom heb je zoiets nodig?’ had hij gezegd. ‘Weer of geen weer, mijn werk gaat gewoon door.’

Marijn legde zijn grote etui op een bijzettafeltje, en liep naar de kast waar alle lijken in de lades lagen. Hij bestudeerde alle deuren tot hij bij een deurtje tegen kwam met de datum van gisteren erop.

“Hier is het,” zei hij, en hij pakte zijn etui terug.

Hij haalde zijn wegwerphandschoenen tevoorschijn, trok het tafeltje naast de kast. Hij opende het deurtje voorzichtig en trok aan een handvat. Een platte ijzeren lade schoof eruit, en er lag een lijkenzak op de plank.

Marijn ritste de zak open en vond een man in wiens maag dichtgenaaid was. “Ik kan hem opnieuw opensnijden, voor extra diep onderzoek,” zei hij.

“Ohh nee,” zei Sofia vol walging. “Hebmedelijden en respect, maar doe dat alsjeblieft niet.” Ze had het ondertussen warmer gekregen dankzij Marijns lange jas.

“Als het moet, dan moet het,” zei hij kalmpjes. Hij rommelde in zijn etui.

Even dacht Sofia dat hij een scalpel tevoorschijn haalde, maar het was zijn vergrootglas en een spatel.

“Laat ik dan maar beginnen met naar het uiterlijk te kijken,” zei Marijn. Hij stopte de spatel in zijn eigen mond en begon het lijk te bestuderen. “Uiteindelijk kan het innerlijk belangrijker zijn.”  Hij wees op de dichtgenaaide maag.

“Het idee al,” zei Sofia en ze begon zich een beetje misselijk te worden. “Waarom heb jij eigenlijk die spatel in je mond? Die moet toch in de mond van die lijk?”

“En dan? Vragen of hij ‘aaaah’ zegt? Er knaagt iets aan mij en ik hoop dat ik het geknaag weer van me af kan zetten door op die spatel te bijten.”

Sofia rolde met haar ogen.

Het onderzoek duurde ongeveer zo’n tien minuten. Toen stopte Marijn het vergrootglas terug in zijn etui.

“Dit is een slimme jongen, maar niet slim genoeg.”

“De zombie?” vroeg Sofia.

“Welke zombie?” Marijn ritste de etui dicht.

“Die zoon van Laura.” Wist Marijn nu al niet meer om wie het ging?

Marijn zuchtte geïrriteerd. “Hoe vaak moet ik je nog zeggen dat bovennatuurlijke wezens niet bestaan, inclusief zombies?”

“Nou, zoals Laura haar zoon omschreef, ging het om zombies. Ik heb vaak genoeg ‘The Walking Dead’ gezien en dat komt wel overeen met dit verhaal.”

“Sofia...” Marijn schoof de la terug in de kast nadat hij de lijkenzak weer dicht had gedaan. “‘The Walking Dead’ is een serie gespeeld door acteurs. Je moet zoiets niet gaan vergelijken met deze ‘zombie’ - op tv kan alles. Deze zogenaamde ‘zombie’ is geen persoon die terug uit de dood is opgestaan. Deze ‘zombie' is nooit dood geweest en gewoon springlevend, maar wordt meegesleurd door krankzinnigheid.”

“Zoiets als voodoo?”

Marijn keek Sofia aan alsof hij aan een klein meisje moest uitleggen dat Sinterklaas niet bestond. Hij stak zijn hand uit en gebaarde haar dat zij zijn jas moest uitdoen.

“Ik geloof ook niet in voodoo, Sofia. Het bestaat niet; je moet minder films kijken en je op de werkelijkheid richten.”

Marijn trok zijn lange jas weer aan. “Je kunt geen gedachten of wat dan ook overnemen, net zoals als demonen geen mensen kunnen overnemen.”

“Maar jij kan gedachten lezen.”

Marijn pakte zijn hoed van Sofia’s hoofd en zette het op zijn eigen. “Dat is iets anders dan andermans’ gedachten beheersen.”

“Hoe zit het trouwens met die persoon die ons in de gaten houdt?”

“Aha, eindelijk een slimme vraag.” Marijn stak een sigaret op. “Hij is de moordenaar van deze man.” Hij wees naar de lijkenkast.

Sofia keek Marijn verward aan. “Hoe kun jij dat nu al weten?” Vervolgens zei ze paniekerig: “Worden we achtervolgt door een krankzinnige moordenaar?”

“Hoe ik het weet is mijn geheim. Wat die ‘krankzinnigheid’ betreft - dat valt nog wel mee. Het is een slimme man. Maar desondanks laat ook hij net als alle moordenaars een spoor na.”

“Heb je genoeg bewijs om hem op te pakken?”

“Nee, maar ik heb zo mijn theorieën, onder andere dat dezelfde moordenaar ook ons in de gaten houdt.”

“Maar waar is hij dan?”.

“Buiten,” zei Marijn, die zijn sikje begon te strelen. “Niet hier buiten, maar wel buiten buiten.”

Sofia probeerde alles op een rijtje te zetten. “Dus die vreemde snuiter heeft deze man vermoord, zit mogelijk achter de zoon van Laura aan, plus hij houdt ons in de gaten?”

Marijn knikte en blies wat rook uit

“Dus hij kan overal zijn?”

“Ja, maar dichterbij dan je denkt.”

Sofia kreeg altijd de kriebels, wanneer Marijn zo begon te praten. Het was een teken dat het echt serieus werd.

“Moeten we de politie op de hoogte brengen?” vroeg ze.

Opnieuw schudde Marijn zijn hoofd. “De politie heeft het niet zo op theorieën, ze willen bewijs hebben.”

“Maar wat doen we dan nu? Ik bedoel, is er een kans dat wij aangevallen worden?”

“Ja, die kans is er wel, maar hij heeft geen vuurwapen. Hij draagt mogelijk alleen een steekwapen. Het nadeel is dat hij minderjarig is. Maar er zijn ook voordelen.”

“Waarom is dat een nadeel?”

“Dat zijn straf niet zo erg hoog kan worden als een meerderjarige.”

“En wat is het voordeel dan?”

Marijn glimlachte vals en zei: “Onervaren met wapens.”

“Onervaren?” vroeg Sofia verbaasd. “En dit lichaam dan?”

“Elke tiener kan een kikker ontleden, dat leren ze op school al, dus het is een slimme jongen. Maar hij is ook bang, omdat wij op zijn hielen zitten. Dan wordt hij onzeker en hij kent mij bovendien van het nieuws. Wanneer je bang bent word je onzeker, en wordt het moeilijk om je te concentreren.”

Sofia was niet helemaal overtuigd, maar geloofde wel wat Marijn zei.

 

Eenmaal buiten het mortuarium kwam er een grote Volvo XC90 aan racen. Hij stopte met gierende banden voor Marijn en Sofia. De portier aan de chauffeurskant ging meteen open en een stevige man stapte uit.

“Op heterdaad betrapt,” zei de man boos.

Sofia keek angstig naar Marijn, maar die bleef kalmpjes staan.

“Stelletje gestoorde inbrekers! Inbreken in een mortuarium, hebben jullie dan geen respect voor de doden?”

“Inbrekers?” vroeg Sofia, terwijl ze de woedende man aankeek. “Wij? Wij hebben niet ingebroken...”

Ze stopte met praten en keek Marijn weer aan, die er nog altijd kalmpjes bij stond en ondertussen zijn sigaret op de grond gooide en uit trapte.

“Hebben wij ingebroken, Marijn?”

“Technisch gezien hebben wij niet ingebroken,” zei Marijn kalmpjes en hij hield de sleutel van het mortuarium omhoog. “We hebben de sleutel. Dus we hebben toegang tot het gebouw.”

“Hoe kom jij daaraan?” zei de man ineens zenuwachtig, en hij begon zweet op zijn voorhoofd te krijgen. “Ik ben de enige die de sleutel heeft en ik ben daar verantwoordelijk voor.”

“Dit is de sleutel die jij vorige maand kwijt bent geraakt,” zei Marijn, nog steeds de rustheid zelve. “Toen jij zo nodig vroeg weg moest vanwege een vriendin waar jij andere banden mee hebt dan dat je zou moeten hebben. Maar je hebt niks tegen je vrouw gezegd.”

De man begon rood aan te lopen en meer te zweten. “Hoe weet jij dat allemaal?”

“Ik moest vorige maand al bij het mortuarium zijn om een lijk te onderzoeken, en ik zag aan jouw gedrag dat er iets bijzonders moest gebeuren. Mensen die onzeker zijn spreken meer boekdelen dan anderen.”

Sofia keek van Marijn naar de man en vroeg ongeduldig: “Hoe kom je aan die sleutel?”

“Één voor één, Sofia, eerst meneer hier.”

Marijn keek even op en zag aan de andere kant van de straat een jongeman staan met een donkergroene trui aan. Hij had de capuchon over zijn hoofd heen getrokken. Hij droeg verder een blauwe spijkerbroek en grijze sportschoenen. Ze bleven even elkaar aankijken. Na een paar tellen liep de persoon weg.

“Wat is er?” vroeg Sofia.

“De moordenaar,” zei Marijn zachtjes.

“Wat?! Zag jij die gestoorde jongeman?”

“Misschien.” Marijn richtte zich weer op de mortuariummedewerker. “Je hebt weken met je ‘beste vriendin’ ge-appt en voornamelijk ondeugende berichtjes en foto’s naar haar gestuurd. Maar het doet er nu niet meer toe.”

Hij gooide de sleutel met een boog naar de man toe, die hem met moeite opving.

“Je hebt geluk dat ik belangrijke informatie heb weten te verzamelen en dat ik met een belangrijke opdracht bezig ben.”

Hij liep weg, gevolgd door Sofia.

“Hoe kwam je nou aan die sleutel?” vroeg Sofia weer.

“Dat heb ik net gezegd. Hij heeft de sleutel laten vallen. Wanneer mensen haast hebben en nerveus zijn, omdat ze weten dat ze vreemdgaan, dan laten ze dingen vallen zonder dat ze het opmerken. Hij moest zich haasten om te zorgen dat zijn vrouw hem niet zag, dus dat maakte hem extra nerveus. Hij raakte helemaal in paniek toen hij erachter kwam dat de sleutel van het mortuarium kwijt was. Ze hadden hem al een laatste waarschuwing gegeven, maar hoe hij daarmee weg kwam, nadat hij zijn sleutel kwijt was geraakt... daar heb ik zo mijn twijfels over - misschien hadden ze medelijden met hem. Daar maken we ons in ieder geval niet meer druk om, we hebben iets belangrijkers te doen.”

“Hoe zit het nou met die moordenaar?”

Ze kwamen bij een bushalte aan. Marijn ging in het bushokje zitten en haakte zijn rechterbeen om zijn linkerknie. Hij graaide op zijn gemak in zijn jaszak, haalde een pijp tevoorschijn en stak hem aan. Nadat hij een rookwalm had uitgeblazen, zei hij: “Toen we bij die medewerker waren zag ik aan de overkant een vreemde snuiter staan. Ik denk dat hij degene is die ons achtervolgt.”

Hij stopte even en nam nog een hijs van de pijp. Hij wachtte even terwijl hij toekeek hoe Sofia angstig om zich heen keek.

“De moordenaar?” vroeg ze angstig, maar ze zag niemand.

“Ja, jouw ‘zombie' heeft hier niks mee te maken, maar hij is er helaas wel bij betrokken,” zei Marijn dramatisch. “De puzzel begint langzaam steeds verder bij elkaar te komen.”

“Hoezo?” vroeg Sofia. Marijn zoog nog een keer aan de pijp en blies opnieuw de rook eruit. Hij wees op iets achter haar en zei: “Hou hem aan, hij is belangrijk.”

“Wat!” zei ze, en ze draaide zich om. In de verte kwam een stadsbus aanrijden.

“Hoe moeten we anders thuis komen?”

Sofia zuchtte, stond op en stak haar hand uit.



Hoofdstuk 3: Flakka



Marijn zat in zijn trouwe leren bureaustoel en had zijn ogen gesloten. Hij was diep in gedachten verzonken en Sofia zat tegenover hem op haar mobiel te neuzen. Ze had alle nieuws-apps die ze op haar mobiel gedownload had, uitgelezen. Ze was nu bezig met oude foto's verwijderen.

Na een tijdje keek ze op en zag dat Marijn zijn ogen nog steeds dicht had. Ze zei zachtjes: “Marijn?”

“Hmm,” gromde Marijn zachtjes.

“Kun je nu misschien vertellen, wat je tot nu toe hebt?”

Marijn opende zijn ogen en keek Sofia aan.

“Nou ja, ik bedoel…” Ze stopte even, want soms voelde ze zich nog een beetje ongemakkelijk bij Marijn. Niet dat ze hem niet vertrouwde, maar ze was bang dat ze de wind van voren zou krijgen als zijn ideeën gedwarsboomd werden. “Het is namelijk zo, dat het over drugs gaat en over de jeugd van tegenwoordig. Misschien is er iets waar ik rekening mee moet houden.”

Marijn dacht even na en ging rechtop zitten. “Nou, goed dan,” zei hij. “Het kan geen kwaad.”

Sofia was opgelucht en ging goed zitten.

“Ik heb het over een nieuw soort drug gehad en die nieuwe drug heet Flakka.”

“Flakka?” zei Sofia. “Daar heb ik nog nooit van gehoord.”

“Het is ook een nieuwe rage - er is heel weinig informatie over te vinden en niemand weet precies wat het met je doet. Er gaan wel een aantal suggesties de ronde. Ze noemen Flakka ook wel...” Marijn gebaarde lichtjes rondjes met zijn hand richting Sofia. “Daar beginnen we dus. Ze noemen het ook wel... ‘zombiedrugs’. Bij de inname van Flakka, een badzout, kunnen mensen zich gaan gedragen als een ‘zombie’. Mensen zeggen dat ze het gevoel krijgen dat de drug hun lichaam overneemt.”

Sofia floot zachtjes en zei: “Hoe komen ze daar nu bij om zoiets te gebruiken?”

Marijn haalde zijn schouders. “Dat weet niemand, maar ik weet wel dat er mensen zijn die partydrugs in de drankjes van anderen doen. Dat is ook meteen wat ik denk wat er met die zoon van Laura is gebeurd. Dat die vreemde snuiter hem drugs heeft gegeven... en omdat die jongeman onder invloed is van Flakka, kan hij zijn gang gaan en de onschuldigen krijgen de schuld.

“Dat lijk in het mortuarium is niet door de jongeman die onder invloed is vermoord, maar door iemand anders. En omdat Flakka ervoor kan zorgen dat mensen kannibalistische trekjes gaan vertonen, kan de moordenaar mensen vermoorden en opensnijden zodat het lijkt alsof de jonge man het heeft gedaan.”

Sofia schudde haar hoofd. “Er lopen veel gekke mensen rond.”

“Te veel,” zei Marijn. “Maar als die er niet waren, had ik niks te doen. Ik moet er niet aan denken.”

“Zijn er ook bewijzen dat die drugs in Nederland is?” vroeg Sofia. “Aangezien dat je zei dat die rage in Zuid-Amerika is begonnen?”

“Jazeker.”

Marijn greep naar zijn computerscherm en draaide hem om naar Sofia. Daarop stond een internetpagina met de tekst:

Opnieuw een “zombie” opgepakt.

ZEIST. Agenten hebben gisteravond een jongeman aangehouden die naakt over een druk kruispunt liep. Hierdoor ontstond een kettingbotsing met 10 kilometer file ten gevolge.

De man moest door 8 agenten onder bedwang worden gehouden. Hij riep volgens ooggetuigen duistere vervloekingen uit.
De hulpdiensten zijn met groot materieel uitgerukt en het heeft nog uren geduurd voordat het verkeer weer goed kon doorrijden.

De volgende dag vertelde de jongeman op het bureau dat hij onder invloed was van Flakka. Hij wilde indruk maken op zijn nieuwe vrienden op school.

Nader onderzoek volgt nog.

“Vreselijk,” zei Sofia. “Wat de jeugd tegenwoordig allemaal niet doet om bij een clubje te horen. Echt aandacht trekken. Nee, stoer doen tegenover nieuwe vrienden om erbij te horen. Bah, vreselijk.”

“Klopt,” zei Marijn en hij draaide het scherm weer naar zichzelf. “Dit is nog niet alles, er is meer.”

“Meer? Wat bedoel je?”

“Er zijn ook mensen die zichzelf de dood in hebben gejaagd dankzij Flakka. Mensen die verslaafd zijn aan drugs maar weinig geld hebben gebruiken Flakka omdat het goedkoop is. Zo is er iemand geweest, die in een flatgebouw woonde en zijn woning kort en klein had geslagen en daarna uit het gebouw is gesprongen. Na een kort onderzoek kwamen ze er dus achter dat hij onder invloed was van badzout.”

“Vreselijk,” zei Sofia opnieuw. “De gedachten al dat je in de stad loopt en er iemand midden op de straat van boven valt. Niet normaal dit.”

“Dat is nog niet alles,” vervolgde Marijn. “Mensen die Flakka hebben ingenomen zijn in het begin nog rustig, maar naderhand stijgt de lichaamstemperatuur naar rond de 40 graden. Dit is erg schadelijk voor je lichaam, bij zulke temperaturen beginnen je cellen te verbranden. De hartslag versnelt zo snel, dat gebruikers dan hun kleren uitdoen en naakt over straat rennen. Ze springen voor rijdende auto’s omdat ze denken dat ze onoverwinnelijk zijn. Ook zijn er dus verhalen bekend van gebruikers die anderen vermoorden en hun lichamen op gingen eten. Tot nu toe hebben artsen hun cliënten omschreven als: compleet krankzinnig.”

“Oei,” zei Sofia verschrikt. “Wat lastig allemaal.”

Marijn leunde zijn kin op zijn handen. “Dus de zoon… laten we hem Karel noemen… anders klinkt het allemaal nog lastiger om te volgen?”

Sofia knikte. “Karel is dus onder invloed van Flakka, hij is gedrogeerd door die rare snuiter. En die gast kan in dit geval mensen ongestoord vermoorden en Karel krijgt de schuld.”

“Daar komt het op neer ja.”

“Dan moeten we hem tegen houden en….” Ze stopte met praten en keek teleurgesteld. “Oh ja… waar moeten we beginnen met zoeken?”

“Precies,” zei Marijn. “En daar probeer ik nu achter te komen.”

Sofia hield haar mobiel omhoog. “Over 2 dagen is het Halloween. Ik ben dan uitgenodigd voor een feestje. Ik heb al pompoenen gekocht. Ik wil ze uitsnijden om lantaarntjes te maken en van het sap wil ik pompoensoep maken.”

“Het spijt me Sofia, maar zolang die moordenaar niet opgepakt is, heb ik jou nog nodig.”

“Nou ja, zo erg belangrijk is het ook weer niet, er staan levens op het spel...”

Marijn knikte opnieuw, leunde terug achterover in zijn stoel en sloot zijn ogen weer.

“Weet je wel hoe je ze moet oppakken of uitschakelen?” vroeg Sofia.

“Daar zitten risico’s aan verbonden. Maar het is niet onmogelijk. Het kost alleen tijd.”

“Risico's?”

“Blijvend letsel…”

“Voor hen of voor ons?”

“Precies,” zei Marijn. “Daar moet ik nog over nadenken.” Hij keek Sofia met een oog aan. “Ik heb al een voertuig weten te ritselen en jij gaat rijden.”

“Ik?” vroeg Sofia onzeker. “Ik heb net een week mijn rijbewijs binnen. Ik ben een onervaren chauffeur.”

“Iemand die geslaagd is voor zijn rijbewijs, is voor mij geen onervaren chauffeur. Je moet zelfvertrouwen hebben, net als met autorijden. Er kan je niks gebeuren. Misschien met Karel of die moordenaar, maar jou niet.”



Hoofdstuk 4: Opheldering



De volgende dag zaten Sofia en Marijn op kantoor. Het was er erg stil. Het luid gerinkel van de intercom verbrak de stilte. Sofia schrok zich een ongeluk en Marijn ging rechtop zitten.

“Hier was ik al bang voor,” zei hij. “Mevrouw Knor staat voor de deur, maak maar open Sofia.”

Sofia verliet het kantoor en Marijn hoorde een paar tellen later een klik van de deur van de entree. Een doorweekte gedaante liep naar binnen, gevolgd door twee anderen.

“Komt u verder, Inspecteur, en neem uw schoothondjes mee.”

Inspecteur Zwart trok haar jas uit, hing het over de rugleuning van Sofia’s stoel en ze nam plaats.

“Hondenweer,” mopperde ze, en ze keek Marijn aan.

“Ik geloof niet dat er zelfs in dit ‘hondenweer' ook maar een hond buiten loopt,” zei Marijn en Sofia hield haar hand voor haar mond om een grinnik te onderdrukken. Zei hij nou dat hij Inspecteur Zwart minder dan een hond vond?

Met een boze blik op Sofia zei inspecteur Zwart: “Er gebeuren vreemde dingen in mijn gemeente, Marijn.”

“Oh ja?” vroeg Marijn, en hij deed alsof hij verbaasd was.

“Ja,” zei inspecteur Zwart en ze keek van Sofia naar Marijn. “Er is eergisteren iemand op brute wijze vermoord en er is geen vermissing of andere melding binnengekomen.”

“Hmm,” zei Marijn. “Een moord zonder melding of vermissing, dat is wel vreemd.” Hij streek over zijn sikje. Sofia kon niet zeggen of hij nu sarcastisch was of niet.

“Jij bent ook met die moord bezig toch?” vroeg inspecteur Zwart. “Die man met de ingewanden uit zijn lichaam.”

“Ik ben wel met een zaak bezig ja,” zei hij. “Wat onder andere met dat lijk te maken heeft. Maar momenteel zitten we middenin een andere puzzel.”

Hij vertelde het hele verhaal aan Inspecteur Zwart over de nieuwe drugs. Een van de collega's van de Inspecteur maakte aantekeningen op zijn kladblokje.

“Flakka, hè,” zei Inspecteur Zwart en ze ging naar achteren zitten. “Een van de gevaarlijkste drugs die er is. Helaas weet ik er net zo weinig over als jij, nou ja, misschien weet jij er meer van.”

Marijn haalde zijn schouders op en zei: “Ik heb het lichaam vanmorgen al onderzocht en ik heb wat gevonden.”

“Wat dan?”

“Het lichaam heeft ook hele kleine sporen van Flakka. En ik begin meer en meer te beseffen hoe die persoon om het leven is gekomen.”

“Maak je nog notities, Tom?” vroeg Inspecteur Zwart aan de agent links van haar.

Tom knikte en hield zijn pen gereed.

Marijn keek de Inspecteur even aan en stond op. Hij liep naar zijn kleine laboratorium bij het raam en deed handschoentjes aan. Hij pakte een reageerbuisje en liet het aan de Inspecteur zien. “Ik heb monsters afgenomen van het lichaam en onderzoek gedaan. Zo heb ik Flakka in zijn lichaam aangetroffen. Het is niet veel, maar voldoende om die persoon lang genoeg verdoofd te krijgen zodat ‘ie niks merkt.”

“Hoe heeft hij het in zijn lichaam gekregen?” vroeg de Inspecteur. “Ik bedoel, zoiets moet je opsnuiven of prikken of in drankje toedienen.”

“Klopt. Hij heeft het opgesnoven, maar hij had dat zelf niet in de gaten.”

“Wat? Maar hoe dan?”

“Ik heb een idee en dat is via een zakdoekje.”

De Inspecteur zei niks, maar keek alleen verbaasd naar Marijn.

“Karel was verkouden en omdat hij aan het snotteren was, had hij aan zijn vriend een zakdoek gevraagd om zijn neus te snuiten en zo is het gegaan.”

“Wat is dat nou voor onzin, Marijn,” zei de inspecteur. “Hoe weet jij dat hij verkouden was?”

“Zoals ik daarnet al zei,” zei Marijn kalmpjes, “ik heb het lijk onderzocht.”

Inspecteur Zwart keek naar haar collega’s, die verbaasd naar Marijn keken. Een van de agenten schudde zijn hoofd ongelovig. De Inspecteur keek daarna naar Sofia en weer terug naar Marijn. Ze deed haar mond open, maar voordat ze iets kon zeggen, begon Marijn verder te praten.

“Het is zo simpel; ik keek naar iets waar jullie niet naar hebben gekeken en dat is in zijn neus.

Wanneer iemand verkouden is heeft die persoon een loopneus, maar als je een tijdje niet meer je neus hebt gesnoten (bijvoorbeeld als je slaapt) dan droogt het op en in dit geval was dat zo bij het lijk. In zijn neus heb ik ook Flakka ontdekt.”

“Sorry hoor, maar daar klopt niks van,” zei de agent die notities opschreef. “Als iemand zijn neus snuit, dan komt alles eruit, maar je snuift niks op.”

“Aha, maar dat is het geniale idee van de moordenaar,” zei Marijn. Hij liep terug naar zijn laboratorium en zette het reageerbuisje terug. Hij haalde zijn betrouwbare leren etui tevoorschijn waar hij al zijn speurspulletjes in had zitten en haalde een zipzakje tevoorschijn. In het zakje zat een zakdoekje.

“Iew,” zei Sofia, en Marijn zag dat ze kippenvel kreeg.

Hij haalde nog een paar mondkapjes tevoorschijn en deelde die uit. Nadat iedereen een mondkapje op had gezet, haalde Marijn met een groot pincet het zakdoek uit het zipzakje.

“Zoals je ziet is het niet zomaar een zakdoekje. Het is een vochtig doekje met een geurtje eraan. Ken je die?”

Iedereen knikte.

“Het doekje is uitgedroogd geweest en met heet water en Flakka weer vochtig gemaakt, en zo is de drug in zijn neus gegaan. Gewoon door het inademen. Het is niet veel, maar voldoende om hem tijdelijk te verdoven en te vermoorden.”

“Ongelofelijk,” zei de Inspecteur.

“Geniaal denkwerk,” zei Tom de agent.

Marijn stopte het zakdoekje terug in het zakje en opende de raam in zijn kantoor. Hij deed zijn mondkapje af en gaf de anderen een teken dat het veilig was.

Nadat iedereen het mondkapje aan Marijn terug had gegeven, zei de Inspecteur: “Hoe kom je eigenlijk aan dat zakdoekje?”

“Het zat in een plek waar de meeste mensen hun zakdoek in stoppen en dat is in zijn broekzak.”

“Maar wij hadden het al nagekeken,” zei de agent zonder de notitieblok.

“Ik was voor jullie in het mortuarium,” zei Marijn en hij nam weer plaats achter zijn bureau. “Dat was alles.” Hij keek de Inspecteur aan. “Mijn verzoek is dat jullie mijn kantoor nu verlaten, want ik moet nog wat onderzoek doen.”

Hij gebaarde naar de deur van het kantoor. Sofia liep naar de deur en hield hem open.

De Inspecteur keek Marijn aan en zei: “Morgen is het Halloween, dus ik ga morgen eerder weg. Ik hoop dat er snel een arrestatie komt.”

“Maak je geen zorgen,” zei Marijn. “Morgen zit hij in jouw gevangenis.”

“Hoe weet je dat?” vroeg de Inspecteur nog, maar Marijn zei niks en zwaaide alleen naar haar.



Hoofdstuk 5: Misplaatst



De dag van Halloween was aangebroken en Sofia kwam in de middag pas bij Marijn. Ze had nog een lesdag gehad.

“Ik heb gelukkig geen huiswerk gekregen,” zei ze vrolijk. “De leraar is dol op Halloween en hij heeft gezegd dat huiswerk volgende week wel komt.”

“Prima,” zei Marijn. “Ik ben net klaar met mijn onderzoek en ik heb er vertrouwen in dat het goed gaat komen.”

Hij liet een revolver zien en stopte die in de binnenzak van zijn jas.

“Wat heb je gevonden?” vroeg Sofia nieuwsgierig.

“Daar kom je gauw achter,” zei hij trots. “Vandaag nog zelfs: we gaan een zombie vangen.”

“Wacht, wacht, wacht,” zei Sofia, met haar handen zwaaiend en niet-begrijpend. “Loopt hij nog rond? De zombie, bedoel ik dan.”

“Wel nee,” zei Marijn, terwijl hij zijn bruine, lange jas aantrok. “Zombies bestaan niet.”

“Je weet best wat ik bedoel. Ik heb het over Karel.”

“Aha.” Marijns stem was koel. Hij stopte zijn etui in een andere binnenzak van zijn jas. “Nee. Karel loopt sinds de laatste keer dat Laura hem zag niet meer rond.”

“Hoe weet je dat?”

“Dat is makkelijk,” zei Marijn, en ze verlieten zijn woning.

Buiten was het erg vochtig. Geen regen of mist, maar je kon wel zien dat het uren had gehoosd.

“Als Karel nog als een zombie rond liep, dan zou het teveel aandacht aan trekken en zou hij vlug opgepakt worden. Dan had de moordenaar niks aan hem.”

Ze liepen de hoek om.

“Karel en de moordenaar zijn vrienden, dus het moet geloofwaardig overkomen voor Karel.”

“Nou, mooie vriend is hij dan,” zei Sofia boos. “Dat doe je toch niet met je vrienden, dat is verraad.”

“Tja,” zei Marijn schouderophalend. “Soms is het beter om een vijand te hebben dan een vriend. Die laten je tenminste niet in de steek.”

“Een vijand niet? Wat bedoel je daarmee, Marijn?”

“Als je voor een vuurpeloton staat dan is je vijand niet te beroerd om je neer te schieten maar je vriend zou je in de steek laten.”

“Nou ja, zeg,” zei Sofia met een gezicht vol afschuw.

“Het klopt wel,” zei Marijn en hij keek in het rond. “Een vijand doet er alles voor om je te dwarsbomen en is dus altijd in de buurt, maar een vriend kan je in de steek laten of je verraden. En dat bedoel ik dus over je vraag. Waarom een vriend dat doet.”

“Ohhh. Tja, dat klopt dan wel. Maar hoe weet je dat de moordenaar vandaag weer toeslaat?”

“Dan komen we weer aan bij de hypothesen,” zei Marijn. “Ik weet het niet zeker, maar Halloween kan de juiste dag ervoor zijn.”

“Dus de kans is fifty-fifty?”

“Yup, maar aangezien dat Halloween een duistere feestdag is, ga ik er vanuit dat het vandaag gebeurt. Een zombie valt niet vlug op tijdens Halloween.”

Sofia en Marijn liepen naar de bushalte toe en ze bleven beiden staan. Een grote pick-up kwam aanrijden en Marijn stak zijn hand uit. De auto stopte en een grote, gespierde man met vierkante kaken en dikke wenkbrauwen, stapte uit. Hij was kaal en had een zonnebril op.

“Morgenochtend wil ik hem terug,” zei de man en hij gooide de sleutel van de auto naar Marijn.

“Een grote biefstuk doet wonderen,” zei Marijn.

De man, die paar koppen groter was dan Marijn, keek even stil naar hem. “Je had die tegenstander moeten zien, die ligt voor een halfjaar in het ziekenhuis.”

“Kasplantje.”

“Verkeerde sport.”

“Uiteraard.”

De man keek naar Sofia. “Wie is dit lekkere popje?”

“Popje?” zei Sofia beledigd.

“Alle knappe en jonge vrouwen die kleiner zijn dan mij noem ik popje. Zie het als een compliment.”

Sofia was even uit het veld geslagen, keek even naar Marijn en vervolgens naar de man.

“Ehh, dank je, denk ik.”

“Dit is mijn nieuwe assistente, Sofia Saqqaf,” zei Marijn.

“Mooi,” zei de man. “Assistentes moeten altijd mooi zijn.” Zonder verder iets te zeggen, liep hij weg.

“Stap in,” zei Marijn, en hij opende de deur aan de bijrijderskant en nam plaats op de stoel.

Het duurde even voordat Sofia achter de stuur zat, omdat de pick-up heel groot was.

“Waarom moet het zo’n groot voertuig zijn?” vroeg ze.

“Dat zul je straks zien,” zei Marijn en hij gebaarde dat ze moest gaan rijden.

Sofia startte de grote pick-up en met een bulderend geluid reden ze weg.

 

“Hier is het,” zei Marijn kalmpjes.

“Waar?” vroeg Sofia, die moeite had om om zich heen te kijken. Overal waar ze keek zag ze de pick-up.

“Parkeer je truck achter dat busje daar.”

Sofia volgde zijn instructies.

“Rijd hem zo achteruit tot hij tegen het busje staat.”

“Maar..” zei Sofia en Marijn keek haar aan. “Goed, goed...” Ze zette de pick-up tegen de bus aan.

“Uitstekend,” zei Marijn. Hij deed de deur open en sprong uit de pick-up. Vervolgens haalde hij een aantal wielblokken uit de laadruimte.

“Wat ga je doen?”

“Het busje blokkeren.” Hij plaatste de wielblokken stevig onder de wielen van de bus.

Sofia pakte ook een wielblok op. “Oef, die dingen zijn loodzwaar,” kreunde ze.

“Dat moet ook. Ga jij maar op de uitkijk staan.”

Sofia legde de wielblok op de grond en liep weg.

Nadat Marijn alle wielblokken onder de bus had geplaatst, gebaarde hij Sofia mee te komen. Ze liepen een doodlopend steegje in en Marijn wees op een grote, houten kist.

“Ga achter die kist zitten,” zei hij zachtjes en hij ging zelf achter een grote stapel banden zitten.

Ze hoorden in de verte een hoop lawaai, alsof er ruiten ingeslagen werden.

“Hij komt eraan,” fluisterde Marijn. “Laat alles aan mij over.” Hij haalde zijn pistool tevoorschijn en schoof die naar Sofia. “Op mijn teken schiet je op Karel.”

Sofia pakte het pistool op en knikte nerveus.

Twee gedaantes kwamen het steegje inlopen. Eentje was de moordenaar en de andere was een onbekende man.

Marijn sprak tegen Sofia zonder geluid te maken. “Karel is hier niet bij.”

Sofia knikte zachtjes.

“Zo,” zei een stem.

“Wat is er met je vriend aan de hand?” zei de andere stem.

“Die kon niet van het lekkers afblijven. Ik hou niet van verraders.”

“Wat bedoel je?”

“Drugs. Je weet wat ik bedoel.”

Een derde gedaante kwam erbij. Hij wankelde heel erg en had veel stuiptrekkingen.

Sofia keek naar Marijn en Marijn knikte. Het was duidelijk dat hij Karel moest zijn.

Marijn kwam achter de stapel banden tevoorschijn.

“Je bent een geweldige leerling, Bas,” zei hij kalmpjes en hij stak een sigaret op. “Alleen je vergat een paar dingen.”

De gedaantes schrokken allebei tegelijk.

“Wis je sporen en controleer altijd het steegje die je uitkiest.”

De gedaante die Bas heette, haalde uit zijn mouw een stomp wapen tevoorschijn, wat veel op een waterpomptang leek.

Marijn glimlachte alleen en zei: “Dat houdt mij niet tegen.”

Bas rende naar hem toe, terwijl hij kalmpjes bleef staan. Bas haalde uit met zijn waterpomptang naar Marijn, die hem meteen ontweek door naar links te stappen. Marijn greep in een snelle reactie naar de gewapende arm van Bas. Hij pakte de onderarm vlug beet en sloeg met de waterpomptang tegen Bas zijn hoofd aan.

Bas liet meteen zijn waterpomptang vallen en wankelde achteruit. Hij wreef over zijn hoofd en had tranen in zijn ogen. Daarna draaide hij zich om en rende weg.

Marijn wilde net aanstalten maken om achter Bas aan te rennen toen hij plotseling van achteren werd gegrepen.

Karel had Marijn vastgepakt en begon hem te wurgen. Sofia was achter de kist vandaan gekomen en keek naar Marijn die met Karel aan het worstelen was. Karel probeerde Marijn naar achteren te trekken.

Sofia richtte het pistool op de groep en toen Marijn haar zag, riep hij: “Nu.”

Meteen op dat moment liet Marijn zich vallen, zodat hij uit de greep van Karel kwam. Een rode wazige flits schoot vlak langs hem heen en raakte Karel in zijn borst. Marijn trok hem over zijn schouders en Karel lag languit op de grond. Zijn ogen waren vergroot en zijn zware geschreeuw galmde door de steeg. Hij trok aan zijn haren en sloeg in zijn gezicht.

Marijn stond op en Sofia liep langzaam met het pistool op Karel gericht naar hun toe.

“Je hebt geen munitie meer, Sofia.” zei Marijn. “Goed geschoten.”

Marijn trok iets van Karel zijn borst af en Sofia merkte dat hij langzaam zijn ogen sloot.

“Verdoofd,” zei Marijn, die Sofia in de gaten hield. Hij hield een klein spuitje met veertje erop omhoog. Dat had dus in het pistool gezeten. Geen kogel, maar een verdovingspijltje.

“Perfect,” zei hij met een glimlach. Hij stond op en veegde zijn broek af.

“Maar Bas is weg,” zei Sofia.

“Nee,” zei Marijn, en hij gebaarde dat ze hem moest volgen. “Alles is volgens plan gegaan.”

Ze liepen het steegje uit en ze zagen twee agenten bij het busje staan, die Marijn en Sofia nog geblokkeerd hadden

“Bas zit daar in het busje,” zei Marijn, en hij wees op het busje. “In alle haast heeft onze Bas de wielblokken over het hoofd gezien en probeerde hij te ontsnappen. Zoals ik afgesproken heb met Inspecteur Zwart, zouden twee agenten in burger paraat staan op een bankje tegenover het steegje.”

Marijn wees op het bankje aan de overkant van de straat.

“Maar wat als Bas jou had gegrepen,” zei Sofia. “Hij is meer bij de les dan Karel.”

“Daarom gaf ik de revolver aan jou, Sofia. Ik weet zeker dat als Bas mij had gegrepen, dat je op hem had geschoten. Ik weet hoe je bent.”

“Hoe bedoel je?”

Marijn, die tijdens het gevecht met Karel zijn sigaret verloren was, stak opnieuw een sigaretje op. “Simpel. Je hebt genoeg lef om over daken te sprinten en een geweer af te schieten, maar als het om vriendschap en zachtaardigheid gaat, dan kies je voor mijn veiligheid. Dat is jouw zwakte, maar je moet er wel mee oppassen, want zoals je ziet kunnen mensen misbruik van jouw karakter maken.”

Sofia knikte. Ze keken hoe er een politiewagen kwam aanrijden en hoe Bas er geboeid in werd gezet.

“Hoe wist je dat hij Bas heette en dat die bus van hem was?”

“Goede vraag,” zei Marijn. “Ik heb verschillende universiteiten afgezocht. Op zoek naar hem. Tegenwoordig staan klassenfoto's op internet en met een kleine simpele hack, heb ik foto's gevonden van Bas. De bus staat op naam van Bas’ ouders. Zijn vader werkt in de bouw en hij heeft nu vakantie. Omdat Bas een ruim voertuig voor Karel nodig had, heeft hij de bus geleend. Het was ook het enige voertuig om Karel in te vervoeren, omdat hij zo agressief is als hij Flakka heeft ingenomen.”

Marijn wees op de voertuigen aan de zijkanten van de weg. Sofia keek ernaar en zag dat er vele kapot waren. Achterruiten waren ingeslagen en her en der zaten diepe deuken in de auto’s.

“Dat heeft Karel allemaal gedaan. Dat doet Flakka met je.”

Sofia had haar mond van verbazing open gedaan. De twee agenten in burger kwamen naar hun toe.

“Waar is hij?” vroeg een van hen.

“In die steeg,” zei Marijn.

De agenten liepen de steeg in en even later kwam er een ambulance aanrijden. De ambulancebroeders haalden een brancard en liepen de steeg in. Een paar minuten later kwamen ze de steeg weer uit met Karel op de brancard.

Ze zagen hoe Karel in de ambulance werd geplaatst. De broeders stapten weer in de ambulance en reden weg

“We moeten hem arresteren,” zei de andere agent, toen hij het steegje weer kwam uit lopen.

“Wat?” vroeg Sofia. “Waarom?”

“Wegens inname van verboden drugs, vandalisme op voertuigen en poging tot moord op Marijn Borka.”

“Dat is niet eerlijk. Karel is gedrogeerd door Bas, hij wist niet wat hij deed.”

“En dat wapen in jouw hand, mevrouw?”

Voordat de agent verder kon praten, zei Marijn. “Dat is mijn verantwoordelijkheid. Ik heb er een vergunning voor en Sofia ook.”

Hij stopte zijn hand in de binnenzak van zijn jas en haalde twee pasjes tevoorschijn. Eentje op naam van Marijn en eentje van Sofia. Pasfoto en handtekening stond erop. De agent nam de pasjes aan en ging ermee naar de politiewagen.

“Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?” vroeg Sofia.

“Ik heb een foto en je identiteitskaart uit je portemonnee gehaald en gescand. En je handtekening vervalst en opgestuurd. Tegenwoordig is het zo simpel als wat en zo heb jij ook een vergunning voor een wapen. Het is al gemeld bij de politie en gemeente.”

Sofia schudde haar hoofd, en dezelfde agent kwam weer terug met de pasjes.

“Het is allemaal in orde, prettige dag nog.”

De agenten stapte in de wagen en reden weg.

“Maak je geen zorgen om Karel of hoe hij ook heet,” zei Marijn. “Ik zorg ervoor dat zijn naam wordt gezuiverd. Wat hij nu nodig heeft, is genoeg slaap. Ik breng het recept van de verdoving naar het lab en zorg ervoor dat ze die in de toekomst gaan gebruiken. Dat scheelt weer een hoop moeite en schade.”

Marijn gooide zijn laatste sigaret op de grond en trapte het uit.

“Laten we de pick-up wegbrengen,” zei hij. Ze stapten in het grote voertuig en reden weg.

 

Einde

 

Peter Liebregts en Shizuka Smid wensen iedereen een fijne Halloween