Marijn Borka & Het Raadsel Hotel

Proloog

 

In het holst van de nacht ging plotseling de telefoon over.

Marijn Borka lag op zijn bed te slapen na een zware, lange dag. Hij had zijn smoezelige kleren aan gelaten en zonder een deken over zich heen te hebben getrokken was hij in een avontuurlijke droom vertrokken.

Een fles wijn stond nog op het nachtkastje naast zijn bed, waar hij een uur geleden nog uit gedronken had. In de hele slaapkamer was het pikkedonker en de torenklok van een kerk in de verte sloeg twaalf keer.

Marijn schrok wakker van het telefoongeluid en zat meteen rechtop in bed. De telefoon bleef maar met veel herrie over gaan, terwijl Marijn op zoek ging naar het lawaaiige apparaat.

‘’Waar heb ik dat rotding gelaten?’’ gromde hij, en hij voelde met zijn handen over zijn hele kleding. Hij stapte uit zijn bed. ‘’Godverdomme, waar heb ik die dummy gelegd?’’

Uiteindelijk vond hij zijn telefoon in het nachtkastje.

Natuurlijk, dacht Marijn. Ik had gehoopt dat ik de telefoon niet zou horen als ‘ie in het nachtkastje lag. De volgende keer toch maar een andere plek zoeken dan.

Hij keek een beetje scheel naar zijn mobiel, drukte op het groene knopje en bracht de telefoon naar zijn oor. ‘’Ja, wat moet je?” snauwde hij door de telefoon heen.

Aan de andere kant van de telefoon klonk de angstige stem van Sofia. “Marijn? Sorry dat ik jou midden in de nacht stoor, je weet dat ik zoiets anders nooit doe. Deze keer is het erg belangrijk. Ik heb al een paar dagen last van een mysterieuze droom en ik kan het niet verwerken. Het is iedere keer dezelfde droom die in herhaling valt.”

“Nou, en?” snauwde Marijn opnieuw. “Dat kan bij veel mensen voorkomen. Zo vaak zelfs.”

“Maar niet zoals dit,” viel Sofia hem in de rede. “Het lijkt net alsof iemand mij om hulp roept.” Even was het stil. “Goed dan.” Marijn gaapte een keer en vervolgde: “Dat is niet normaal, nee, ook niet iets wat je vaker hoort.” Hij dacht even diep na. “Kom morgen maar naar mij toe en dan gaan wij de boel bespreken.” Een nieuwe gaap onderbrak hem. Hij was veel te moe voor dit soort dingen. “Probeer een beetje te slapen, Sofia, en maak je geen zorgen. Alles komt goed, tot straks.”

Hij hing op en legde de mobiel aan de lader op het nachtkastje. Hij had hem op trillen gezet (stoor me niet weer a.u.b.!), klom zijn bed in en ging liggen. Zijn mobiel trilde even kort en met ergernis pakte hij het apparaat weer. Hij zag dat er een berichtje van de Buienalarm app was binnengekomen.

Regen om kwart over één? dacht Marijn en hij zuchtte “Sofia...”







Hoofdstuk 1: Sofia’s nachtmerrie



De volgende ochtend stond Marijn al vroeg op. Hij stapte naast zijn bed en rekte zich even flink uit. Hij boog zijn linkerbeen vervolgens direct weer, want daar kreeg hij nogal vaak kramp in na het strekken. Het gevoel alsof er een zwellende tennisbal in zijn kuit groeide. Verre van prettig dus.

Hij liep naar de keuken om koffie te pakken. Daar deed hij wat water in het waterreservoir en zette zijn Senseo aan. Terwijl hij op het koffieapparaat stond te wachten keek hij door het raam naar buiten. Een dikke grijze wolkenmassa had de hemel in beslag genomen, waardoor er elk moment een zware regenbui naar beneden kon plenzen.

Marijn hoorde het Senseo-apparaat niet meer pruttelen en drukte op een knopje zodat de koffie in een mok stroomde. De muffe lucht die eerder nog in het appartement hing had plaats gemaakt voor de sterke aroma van cafeïne.

Marijn pakte de mok van zijn plateau af en nipte een beetje koffie uit de mok. Hij verbrandde zijn tong een beetje en kneep zijn ogen dicht van de pijn. Hij draaide een kwartslag en keek opnieuw naar buiten. Heel zachtjes begon het te regenen.

Met de hand die hij nog vrij had opende hij het raam, zodat die deze keer helemaal open stond, en ging op de vensterbank zitten. Een harde wind blies door zijn haren en een paar druppels vielen op zijn arm. Zijn voet bungelde aan de buitenkant van het raamkozijn en hij keek naar boven. De dikke wolkensmurrie van daarnet was van kleur veranderd en was nu erg donkergrijs. In de verte weerklonk het lichte gerommel van onweer en Marijn sloot zijn ogen: Over vijf minuten zitten we midden in een zware storm die de rest van de dag duurt. Plotseling opende hij zijn oogleden en haalde hij zijn telefoon uit zijn zak. De mobiel ging meteen over en hij zag met een korte glimp op het scherm dat het Sofia was, voordat hij opnam en het apparaat tegen zijn oor drukte. ‘’Ja, Sofia, wat is er?’’

Sofia klonk erg bang en ze was buiten adem. Ze had haar Bose koptelefoon om haar nek hangen en uit het ding klonk heel zachtjes wat elektronische muziek.  ‘’Mijn nachtmerrie begon ook met dit weer en later gaat het ook nog hard onweren en het kan de hele dag zo duren.’’ Ze begon te stotteren: “En, en, en…”

‘’Rustig, Sofia, we praten dadelijk wel verder als je hier bent, dan kun je me alles vertellen.”

 

Sofia zat zenuwachtig op een stoel in Marijn zijn werkkamer, terwijl Marijn zelf in de keuken koffie voor haar inschonk. Hij liep naar Sofia toe, gaf haar een mok met het hete bruine goedje en ging tegenover haar aan het bureau zitten.

Sofia nam een slokje van de koffie en probeerde te kalmeren. Ze leek zich opeens te herinneren dat haar muziek nog speelde, en pakte haar smartphone om het af te zetten. ‘Sweet dreams are made of this…’ speelde. Toepasselijk.

“Wanneer jij eraan toe bent,” zei Marijn kortaf, en hij bleef Sofia aankijken.

Sofia knikte een keer.

“Maar niet al te lang wachten,” vervolgde Marijn vlug. “Ik verveel mij eigenlijk al een paar weken.”

Sofia bleef hem even verbaasd aankijken en zei toen geïrriteerd: “Goed dan.” Ze zette de mok op het bureau en sloeg haar ene been over haar andere been. ‘’Mijn droom begon eerst over iets onschuldigs - dat ik op het strand lag met op het achtergrond een mooie hotel. Ik lag nietsvermoedend te zonnen in een ligstoel, tot er plotseling hele donkergrijze wolken boven mijn hoofd verzamelden en het begon te stormen. Ik werd doorweekt en het was erg koud en in de verte zag ik bliksem langzaam op mij afkomen. Ik merkte dat de zee ook onrustig was geworden en dat er een hoge golf gevormd werd. Ik rende in alle haast weg voor die hoge golf en vluchtte het hotel in - maar schijn bedriegt. Aan de buitenkant leek het heel mooi, maar aan de binnenkant was het verlaten en versleten.’’

‘’Versleten?” zei Marijn gepikeerd. “Je bedoelt: als een plek waar al jaren niemand meer is geweest. Vervallen. Overgelaten aan Moeder Natuur.’’

‘’Ja, dat bedoel ik,’’ zei Sofia.

Marijn zuchtte en zei: ‘’Wees dan ook duidelijk. We hoeven hier geen boek te schrijven.’’

Sofia keek Marijn boos aan. ‘’Kan ik verder gaan, alsjeblieft? Of wil je mij nog meer kleineren?’’

Marijn wuifde met zijn hand. ‘’Ga maar gewoon verder.’’

Sofia was nog steeds duidelijk geërgerd, maar ging verder met haar verhaal. ‘’Er hing een dichte mist boven de grond in de hal en kamers, en er deinsden plotseling overal doorzichtige gedaanten uit verschillende plekken op. Schilderijen, spiegels en ook uit een oude wandlamp. Volgens mij waren het geesten of zoiets.’’

Marijn sloeg zijn ogen ten hemel. ‘’Geesten bestaan niet, Sofia. Dat kan ik weten want ik heb een paar dagen achter elkaar op een kerkhof overnacht. Nou ja, je kon het bijna mijn vakantiebestemming noemen, want het duurde een week. Ik was daar voor een opdracht, maar ik heb daar geen één geest gezien. Dus helaas, mij kan je niet overtuigen.’’
Sofia werd nu erg kwaad en stond vlug op. Het leek net alsof haar bloed aan het koken was en ze legde haar beide handen op het bureau van Marijn en leunde er een beetje op. ‘’Mag ik dan op zijn minst mijn verhaal afmaken?” schreeuwde ze het uit. “Of is dat ook niet interessant genoeg voor meneer de detective, die overal beter in is dan anderen, of hoe zit dat?’’

Marijn keek haar met opgetrokken wenkbrauwen en zei: ‘’Je mag van mij gerust verder gaan, maar je verhaal is niet geloofwaardig. Je hebt het gedroomd dus het is slechts je verbeelding.’’

‘’Oh ja? En die herhalingen dan? En dit noodweer dat eraan komt?’’ Ze wees naar buiten door het raam achter Marijn.

‘’Toeval. Maar zoals ik al zei, ga gerust verder. Ik luister wel.’’
Sofia wilde net aanstalten maken om te vertrekken, maar ze was plots van gedachten veranderd. Alsof ze wist dat Marijn haar zou gaan geloven. Alsof ze beiden over enkele minuten op pad gingen naar die plek, waar het ook mocht zijn.

Sofia was een beetje gekalmeerd en ging weer rustig op haar stoel zitten. Ze hervatte het verhaal opnieuw. ‘’Ik was zo erg geschrokken dat ik verder het hotel in ben gerend, zonder erbij na te denken. Ik wist dat ik een kamertje had gehuurd en dat mijn spullen daar binnen waren. Ik had verwacht dat ik daar veilig zou zijn - niet dus. Terwijl ik op de vlucht was maalden er telkens afbeeldingen door mijn hoofd. Schilderijen, spiegels en wandlampen.

Ik rende door een lange gang waar geen einde aan leek te komen. Hoe harder ik rende, hoe langer het duurde voordat ik er was.

Nadat ik me uitgeput over had gegeven, verscheen naast mij de deur van mijn kamer. Ik liep vlug naar binnen, sloeg de deur dicht en deed hem op slot. Maar de geesten kwamen ook in mijn kamer door diezelfde spiegels, schilderijen en wandlampen. Ze hadden mij in een hoekje gedreven en toen ze heel dicht bij mij in de buurt kwamen, werd ik zo erg bang dat ik wakker schrok.’’

Even was het stil, maar Sofia verbrak de stilte. ‘’Nou?’’
‘’Nou, wat?” zei Marijn, totaal op zijn gemak. “Ik heb toch gezegd dat het niet geloofwaardig is.’’

Sofia wilde het bijna weer gaan uitschreeuwen, maar wist zich net in te houden. ‘’Doe dan op zijn minst meer moeite.’’
Marijn keek haar aan en zuchtte. ‘’’Goed dan, het is dat ik momenteel niks te doen heb.’’ Hij ging rechtop zitten en vroeg: ‘’Hoe heette dat hotel? Laten we daar maar alvast mee beginnen.”
Sofia keek Marijn aan en groef in haar herinneringen. “Ik weet het niet zeker,” zei ze. “Ik geloof dat er ‘Hotel de Kloef’ op het gebouw stond. Ik woonde vroeger aan de Kloefstraat 8, en mijn moeder zei altijd dat haar huis geen hotel was, en...”

Marijn bewoog de muis van zijn computer en deze begon te brommen alsof hij hem bruut wakker had geschud. Sofia zag in de weerspiegeling van Marijns ogen dat het beeld van de computer weer kleur gaf.
Marijn keek op internet en ging op zoek naar een Hotel de Kloef. ‘’Ik heb hier een foto van het mogelijke hotel.” Hij draaide de monitor om zodat de jonge vrouw de afbeelding kon zien.
Sofia voelde een schok door haar lichaam gaan. Kippenvel kroop over haar armen. “Dat is het hotel, ja - dat is het hotel uit mijn nachtmerries!”

Marijn keek haar even aan en draaide de monitor weer naar zich toe. Het was weer even stil terwijl Marijn het internet afstruinde naar informatie over dit hotel.

‘’Ik heb hier een klein artikel staan over jouw hotel,” zei hij plotseling. “Toevallig geschreven door ene heer Saqqaf. Familie van je?”

Sofia keek hem aan en vroeg: ‘’Dus ik heb je wel overtuigd?’’
‘’Nog niet helemaal. Volgens dit verslag werd het hotel bijna honderd jaar geleden gesloten door de gemeente omdat er mensen op mysterieuze wijze overleden zijn. In de loop der jaren verlieten steeds meer bewoners rondom het hotel hun huizen omdat het er zogenaamd spookte. Zelfs het strand voor het hotel is al bijna honderd jaar verlaten. Het enige wat daar nog leeft zijn schaaldieren. Er gaan geruchten de ronde dat er aangespoelde dolfijnen op het verlaten strand liggen, maar omdat niemand in de buurt van het hotel durft te komen, hebben ze de dolfijnen aan hun lot overgelaten.’’

‘’Wat gemeen,” zei Sofia geschrokken.

‘’Goed dan,” zei Marijn. “Ik neem jouw missie aan en ik ga deze zaak oplossen.’’

Sofia keek hem even bedenkelijk aan. “Je gelooft mijn verhalen niet, maar je neemt mijn ‘missie’ wel aan?”

“Correctie: Ik geloof jouw verhalen wel, althans nu wel, maar ik geloof niet in spoken of andere spirituele onzin. Het is allemaal broodje aap om mensen bang te maken. Ze gebruiken dit soort verhaaltjes vooral met Halloween om mensen de stuipen op het lijf te jagen, maar uiteindelijk zijn het allemaal verzinsels.”

Sofia snoof haar neus een keer. “Nou goed dan, we hebben allemaal wel meningsverschillen en we hoeven het niet met alles eens te zijn. Hoewel ik moet zeggen dat ik behoorlijk overtuigd ben van die spirituele onzin, zoals jij het uitspreekt. Ik heb deze nachtmerrie al een paar keer meegemaakt. En ik weet precies wat er allemaal gaat gebeuren. In dit geval is het begonnen nu de storm is komen opdagen.”

“Pfff, wat een onzin,” zei Marijn.

Maar Sofia had boos haar armen over elkaar heen geslagen en zei: “Wacht maar af, ik heb nooit gelogen en ik doe het nu ook niet. Let maar op. Het is een griezelig hotel waar een vloek op rust.” Ze pakte haar mok met koffie van de bureau en dronk hem leeg. Ze was nog steeds boos op Marijn, omdat hij haar beschouwde als een kleine leugenaar.

Ze keek hem nog even opnieuw aan en zei boos: “Je zei daarstraks wel dat we hier geen boek hoeven te schrijven. Maar weet je? Als je een boek beu bent dan kun je die altijd dicht slaan en opzij leggen, maar dat gaat niet zomaar met een nare droom.”

“Touche.”



Hoofdstuk 2: Eeuwenoud



Een paar uur later zat Marijn nog steeds tijd te verspillen achter zijn computer, terwijl Sofia boos maar toch angstig uit het keukenraam naar buiten keek. Daar begon het steeds harder te regenen en een bliksemschicht verlichtte een halve seconde de aarde.

Eigenlijk kan ik niet boos op Marijn blijven, dacht Sofia. Ondanks dat hij mij weinig gelooft, heeft hij mij toch geaccepteerd en ben ik nu niet alleen een assistente, maar ook een cliënt. Dat vrolijkte Sofia weer wat op.

Ze pakte een volle mok koffie met haar rechterhand en liep voorzichtig naar Marijns werkkamer. “Wanneer gaan we naar dat hotel toe?”

“Zo meteen,” zei Marijn. “Ik heb al een taxi besteld - die ons eerst naar een politiebureau brengt en dan door naar het oude hotel gaat.”

“Politiebureau?” vroeg Sofia verbaasd. “Wat moeten wij daar doen?”

“Dat oude hotel staat in een regio dat onder een ander politiekorps valt, dus meld ik mij even daar om te zeggen dat ik bij het hotel ga rondsnuffelen. Voor je het weet zitten ze anders op je dak. Oude zeikerds die alles zien vanachter hun geraniums en meteen de politie bellen.”

Sofia bracht de mok met koffie naar haar mond en goot het in een teug naar binnen. Gelukkig was het net genoeg afgekoeld om haar tong en slokdarm niet te branden. “Ik hoop dat wij toestemming krijgen van ze, anders zijn wij daar voor niks naar toe gegaan.”

“Nee, hoor,” zei Marijn glimlachend. “Ook al krijgen wij geen toestemming, dan nog gaan we. In dat geval moeten we gewoon iets voorzichtiger zijn.”

 

Een half uur later zaten ze in een taxi onderweg naar het politiebureau.

“Ik hoop niet dat er op het strand daar gestorven dolfijnen zullen liggen,” zei Sofia bezorgd. Ze hield van dieren, en dolfijnen waren een van haar lievelingsdieren. Ze hield haar smartphone stevig in haar handen geklemd. Ze raakten steeds verder van de bewoonde wereld en de telefoon verloor langzaam zijn verbinding.

“Nee, ik denk niet dat er dolfijnen op het strand liggen,” zei Marijn rustig terwijl hij naar buiten keek en op een nicotinesnoepje kauwde. “Die ruimen ze wel op.”

“Maar als niemand in de buurt durft te komen? Dan kan het toch zijn dat ze er nog liggen?”

Marijn draaide zijn hoofd om en keek Sofia met een opgetrokken wenkbrauw aan. “Dat zou onmenselijk zijn, om ze daar te laten liggen. We zien wel, oké?”

Sofia knikte en stopte haar mobiel eindelijk weg.

Eenmaal bij het politiebureau aangekomen stapten ze uit de taxi en zei Marijn tegen de taxichauffeur dat hij zo terug kwam. Ze liepen het bureau binnen en keken om zich heen. Een zacht geroezemoes kwam uit verschillende kanten. Rechts stond een klein groepje agenten tegen elkaar te praten. Links zaten twee agenten aan een tafel de krant te lezen terwijl ze een warme drank nuttigden.

Marijn keek recht vooruit richting de balie. Achter de balie zat een receptioniste op een stoel en ze keek strak naar haar computer. Achter de agente stond een prikbord waar krantenknipsels aan hingen uit verschillende kranten. Er was één naam die Marijn iedere keer tegen kwam: Marijn Borka. Twee krantenknipsels had hij thuis zelf: ‘Marijn Borka vangt kattenmepper’. Het andere knipsel luidde: ‘Marijn lost het weer op - hebben wij de politie nog wel nodig?’ en nu was er ook nog een derde kop bijgekomen: ‘Marijn Borka grijpt seriemoordenaar in kraag’.

Marijn keek geërgerd in het rond. Was het iemand opgevallen dat hij het was? Ze kenden hem hier overduidelijk. Sofia daarentegen keek glunderend van de krantenartikelen naar de receptioniste achter de balie en liep er naartoe.

Voordat Marijn haar kon tegenhouden zei ze: “Goedemorgen, mevrouw, wij komen…”

Marijn greep haar bij de schouder en trok haar achteruit. De receptioniste had opgekeken en rustte haar ijzeren blik op Marijn. Daarna keek ze naar de krantenknipsels en weer terug naar hem.

“Ah, onze nieuwste aanwinst voor dit jaar,” zei ze, zonder ook maar de kleinste glimlach.  

Het gezoem van het geroezemoes stopte meteen en alle agenten keken naar Marijn. Marijn had het gevoel hij midden in een peepshow stond, want het was net alsof er duizenden ogen naar hem tuurden.

Hij kuchte ongemakkelijk, en voordat hij iets kon zeggen kwam er een agent op hem aflopen die hem een stevige handdruk gaf.

“Welkom, Marijn - en wat een eer om u te ontmoeten.”

Marijn mompelde zachtjes een bedankje en trok gauw zijn hand terug. Hij liep naar de balie toe en zei vlug: “Ik kom in deze regio rondneuzen bij het verlaten hotel Kloef.”

De receptioniste sperde haar ogen wijd open en staarde hem met open mond aan. “Gaat u het grote mysterieuze hotel, dat al meer dan honderd jaar verlaten is, onderzoeken?”

“Ja,” zei Marijn. Hij wees op Sofia. “Mijn collega had een nare droom over dat hotel en ik wil weten wat er precies gaande is.”

“Ik hoop dat u het grote mysterie kunt oplossen, meneer Borka,” zei de receptioniste. “Wij staan ook voor een raadsel; sinds dat hotel verlaten is durven zelfs wij niet meer naar binnen. Ze durven het hotel niet eens te slopen of in de buurt te komen.”

“Juist ja,” zei Marijn, die met een cynische blik naar Sofia keek.

Sofia begon weer te rillen van angst en Marijn zei: “Nou, als je mij nodig hebt dan weet je me te vinden.”

Voordat Marijn Sofia naar buiten kon sleuren vroeg de receptioniste: “Hebt u een slaapplaats voor vannacht?”

“Ja,” loog Marijn, en hij draaide zich vlug om en trok Sofia mee.

“Waarom had je opeens zo’n haast?” vroeg Sofia terwijl ze naar de taxi liepen.

Marijn wees met zijn duim naar het politiebureau en zei kortaf: “Een fanclub in een politiebureau?” Hij stapte in de taxi die nog op hen stond te wachten. “Hotel de Kloef graag.” De chauffeur draaide zich om, en zweetdruppels parelden in zijn nek. “Ik zal u zo dicht mogelijk bij het hotel afzetten, meneer. Ik durf niet in de buurt van dat hotel te komen.”

“Prima,” zei Marijn. Hij boog zich naar Sofia en fluisterde: “Bangerik.”

Sofia keek Marijn aan. “Ik ben ook best bang, en vooral omdat ik er over gedroomd heb. Dat maakt het ook angstaanjagend.”

Marijn zuchtte een keer en schudde zijn hoofd. Het leek hem maar verstandiger om niet meer in discussie te gaan.

Nadat het een tijdje stil was geweest, zei de taxichauffeur: “Meneer? Als we naar het hotel gaan, dan zal u merken dat de buurt rondom het hotel ook helemaal verlaten is, omdat men in angst heeft geleefd van dat hotel. Er zijn zelfs mensen krankzinnig geworden. Die zijn allemaal verdwenen en op een paar na nooit meer teruggevonden. Die paar mensen die ze hebben gevonden hebben zelfmoord gepleegd.”

Sofia keek vol walging naar de taxichauffeur, en ze begon bleek te worden. Ze begon net als hem te zweten en draaide even een raampje open voor wat frisse lucht. De wind sneed door Marijn zijn lichaam en hij keek Sofia boos aan.

“Hey, moet dat nou?”

“Sorry, ik werd even niet goed,” sputterde ze tegen.

Marijn keek naar de chauffeur en zei: “Ga verder.”

“Die mensen die zelfmoord hebben gepleegd zijn van een brug afgesprongen of hebben zich aan een boom opgehangen. De laatste heeft zichzelf laten verhongeren in een bos waar niemand kwam. Hij heeft zichzelf gewoon aan de natuur overgelaten. Men zegt wel dat er een woord naast hem in het zand geschreven was.”

Marijn keek de taxichauffeur aan en vroeg: “Weet jij ook welk woord?”

“Jazeker,” zei de chauffeur. En hij diep adem en zei dramatisch: “Kloef, meneer. Maar ze zeggen dat de arme stakker dyslexie had, want hij schreef het met een V en de OE omgedraaid.”

“Kleov?” zei Marijn. “Hmm. Dat is vreemd.”

Sofia keek Marijn aan en vroeg: “Wat is er vreemd aan dan?”

“Waarom zou een stervende man één woord opschrijven? Hij stierf heel langzaam, want hij liet alles aan de natuur over. Dus hij had een complete boodschap achter kunnen laten, maar hij schrijft maar één woord: Kleov.” Hij dacht even na. “Oké, en wat hebben ze met de lichamen gedaan die gevonden zijn?”

“Oh,” zei de taxichauffeur. “Die hebben ze meteen begraven of gecremeerd, nadat de familie op de hoogte was gebracht natuurlijk.”  

 

Twee uur later stopte de taxi langs de kant van de weg voor een zandpad. Even was het stil terwijl ze alleen nog de harde regendruppels op het dak van de auto hoorden vallen.

De chauffeur draaide zich met een bezweet gezicht om en zei: “Sorry, verder durf ik niet te gaan - en ik ben al verder gekomen dan andere mensen durven te gaan, omdat ik weet dat jullie iets aan dat hotel gaan doen.”

Marijn zuchtte en keek Sofia aan, die zachtjes zat te trillen, en keek vervolgens naar de taxichauffeur. “Het is prima zo, wij gaan wel te voet verder.”

“Bedankt,” zei de chauffeur, maar Marijn wuifde zijn bedankje weg en betaalde hem. Zonder fooi.

Marijn stapte uit de taxi, maar Sofia bleef nog in de taxi zitten. Marijn bukte zich en stak zijn hoofd terug in de taxi om bot te vragen wat er nu weer was.

“Ik durf niet uit te stappen,” zei Sofia, en ze had een angstige blik in haar tweekleurige ogen. “Ik ben bang dat wij ook krankzinnig worden en aan een strop eindigen.”

Marijn zuchtte opnieuw en zei: “Luister Sofia, je moet toch je angsten overwinnen als je samen met mij werkt. Je mag de taxi terug naar huis nemen op mijn kosten, maar dan ben je wel ontslagen.”

Sofia maakte een zacht, angstig kreetje, maar Marijn vervolgde: “Ik doe het liever niet, omdat ik jou nodig heb en nu op dit moment enorm. Denk aan de mensen, Sofia. Weet je nog? Jij bent een heldin voor ze.”

Sofia dacht aan de blije klanten van hun opgeloste zaken en stapte uit de taxi. Ze opende haar paraplu en stond rechtop.

“Kom maar mee,” zei Marijn. “Ik bel je wel als jij ons kan ophalen,” zei hij vervolgens tegen de chauffeur.

“Liever niet,” zei de chauffeur, en hij keerde zijn auto en reed weg.

“Hmm,” zei Marijn terwijl hij de taxi nakeek totdat hij uit het zicht was verdwenen.

Het was net alsof de tijd hier meer dan honderd jaar had stilgestaan. Het bos was zo erg verwilderd dat het onkruid bijna boven hun hoofden uit kwam. Tussen de bomen door kronkelde een paadje dat net zichtbaar was, ondanks de wilde planten en struiken die half over het zand hingen.

“Marijn?” vroeg Sofia, “wil je niet bij mij onder de paraplu?”

“Nee,” zei Marijn. “Dan heb ik minder zicht om me heen.”

Ze liepen voorzichtig over het zandpad heen. Ze struikelden af en toe over wortels die gevaarlijk boven de grond uit staken als venijnige vingers.

Na vijf minuten lopen was Marijn helemaal doorweekt. Ze keken op en zagen in de verte het eerste gebouw, dat er somber en verlaten bij stond. Naarmate ze dichterbij kwamen, zagen ze dat het een gezinswoning was.

Voor het huis stond een schommel in een verwilderde tuin. De schommel was helemaal verroest en kon elk moment uit elkaar vallen. Hij verlichtte eventjes dankzij een bliksemschicht die uit de lucht kwam knallen.

Ze liepen tot de omheining en keken goed rond.

“Jong gezinnetje,” mompelde Marijn. “Twee kinderen.”

“Hoe..?” begon Sofia, maar ze zuchtte een keer en zei: “Laat maar.”

Marijn gaf een harde trap tegen de houten poort aan en de poort zakte meteen in elkaar. Sofia keek er verbaasd naar en zei vervolgens: “Ja, maar die poort is helemaal verrot, zo kan ik het ook.”

“Oké, betweter. Hoe kon jij dan van buitenaf zien, dat het hout van binnen verrot was?”

Sofia keek hem aan, maar zei niks.

“Dat dacht ik wel,” zei Marijn. “Deze houten poort staat al bijna honderd jaar stil. Door de regenval van al die jaren, is het gaan rotten. Logisch, toch?”

Sofia zuchtte en zei: “Ik ben te bang om logisch na te denken, Marijn - kunnen we verder gaan? Hoe eerder wij weg zijn hoe beter.”

Marijn keek haar even aan en betrad de overwoekerde tuin van het verlaten huis. Een lichtflits verlichtte het oude grindpad eventjes. De donderklap liet op zich wachten. De storm was aan het vertrekken.

De voordeur van het huis stond op een kier, en Marijn duwde de deur verder open. Die viel met veel gekraak en gepiep tegen de muur erachter. Marijn bestudeerde het interieur met argusogen. Het huis was van binnen erg vochtig en beschimmeld. Het was een wonder dat er nog geen paddenstoelen groeiden.

Marijn keek naar de grond en zag nog net twee ratten paniekerig wegrennen. Die verwachtten nooit meer menselijk bezoek te krijgen.

“Waarom zijn we eigenlijk hier, in deze woning?” vroeg Sofia met een bibberstem. “We moeten toch het hotel hebben?”

“Dat klopt,” zei Marijn. “Ik heb liever een beetje informatie over en van andere bewoners rondom het hotel, voordat ik het hotel zelf binnen ga.”

“Zoals?”

“Klachten, positieve berichten, souvenirs, eventueel gedachten,” somde Marijn op zijn vingers op.

“Gedachten? Hoe kun je nou de gedachten van mensen weten die honderd jaar geleden de woonwijk hebben verlaten?”

“Wat doe jij als je teveel gedachten hebt?” zei Marijn vlot. “Dan wil je er van af, omdat je hoofd te vol is. Of je zit ergens mee. Je schrijft het dan zo vlug mogelijk van je af - en waarmee doe je dat?”

“Ehh.. Een dagboek?” zei Sofia langzaam.

“Precies,” zei Marijn. “Dus we gaan op zoek naar een dagboek. Al betwijfel ik dat er nog een dagboek ergens ligt, dus eventueel zoeken we naar iets anders. Iets wat er op lijkt.”

“Maar waarom nou net een dagboek?” vroeg Sofia. “Ik bedoel, waarom geen notitieblokje ofzo.”

Marijn keek Sofia aan en zag dat ze haar mobiel weer vasthield. Nu hield ze het ding heel stevig vast.

“Sofia?” zei Marijn geërgerd. “Ik denk niet dat ze honderd jaar geleden een notitieblokje of een dagboek hadden. Zo wel, dan waren er heel weinig die het hadden.”

Ze begonnen het huis af te struinen, op zoek naar iets wat op een dagboek leek.

“Als mensen argwanend werden van dat hotel, dan zal er vast wel iemand zijn geweest die het van zich af heeft proberen te zetten. Dat doe je door middel van opschrijven of van je afschrijven. Hoe je het ook wilt noemen.”

Sofia stond voor een mooie grote spiegel met een gouden rand eromheen. De spiegel kwam bijna tot aan het plafond. De randen waren bewerkt met prachtige vormen. Ondanks dat er een scheur in de spiegel zat, stond Sofia er glunderend in te kijken.

“Wauw,” zei ze, en ze gilde het bijna uit van pret. Ze hield haar handen voor haar mond. “Ik ben jaloers op deze familie, ik wil deze spiegel ook hebben. Ik voel me net een prinses.” Marijn liep naar Sofia toe terwijl ze zichzelf in de spiegel bewonderde. “Alle spiegels zijn hetzelfde,” zei hij, en hij pakte haar mobiel af.

“Hey, geef terug. Wat doe je? En trouwens, je kan er toch niet in, dus waar maak ik mij druk om?”

Marijn drukte op vier toetsen en het wachtwoord was juist. Hij liet het scherm aan Sofia zien en ze keek verbaasd van haar mobiel naar hem. “Hoe wist je dat? Dat is privé.”

Ze probeerde de telefoon terug te pakken, maar hij hield haar op afstand door zijn arm uit te strekken. Sofia’s korte armen spartelden even tegen.

“Relax nou eens. Het zal mij een zorg zijn wat er op jouw mobiel staat. Ik heb jouw camera nodig en gedraag je nou niet als een klein kind. Alleen kleine kinderen hangen aan mensen te jengelen als die iets van ze hebben afgepakt.”

Sofia bloosde en was gekalmeerd.

Marijn opende de camera app en richtte hem op de spiegel. Met een zachte klik maakte hij een foto. “Was jou niet iets opgevallen aan die spiegel?” vroeg hij vervolgens aan Sofia.

“Nee, wat dan?”

Marijn richtte het scherm opnieuw naar Sofia en ze schrok. “Onmogelijk!” riep ze.

Op het scherm van haar mobiel was de mooie grote spiegel te zien, maar zijzelf stonden er niet op.

“Beoordeel iets niet op het uiterlijk Sofia, want het innerlijk kan bedrog zijn.”

Sofia bleef naar de foto op haar mobiel staren. “Maar hoe is het dan mogelijk?” Waren ze eigenlijk vampiers?!

“Het is geen echte spiegel,” zei Marijn. “Het lijkt er alleen maar op.”

Sofia keek Marijn niet-begrijpend aan. Hij raapte een afgebrokkelde steen van de grond en gooide die naar de spiegel. Met een harde knal ging de steen door de spiegel heen. Honderden glinsterende scherven dansten naar de grond. Een pluim witte rook kwam tevoorschijn en draaide met een lange sliert om Marijn en Sofia heen.

Sofia gilde het uit en maakte zich klaar om weg te rennen, maar Marijn hield haar tegen door zijn arm om haar middel te slaan. “Blijf kalm en wacht af, mocht het ons aanvallen dan duw ik je op tijd weg en begin je te rennen.”

“Wat? Maar…” riep Sofia paniekerig.

“Geen gemaar,” zei Marijn meteen. “Doe wat ik zeg.”

De witte rook bleef rondjes vliegen, terwijl Marijn Sofia nog steeds vasthield. De rook nam langzaam de gedaante van een vrouw aan en vloog toen plotsklaps weg.

Sofia begon te hangen en Marijn merkte dat ze flauw viel. Even dacht Sofia dat ze lichtgevende cijfers voor zich zag: 3:15, maar toen werd alles zwart.



Hoofdstuk 3: Het zelfmoordbos



Marijn keek in het rond, maar er was niks meer te zien. De hal was weer stil, alsof er helemaal niks was gebeurd.

Hij legde Sofia voorzichtig op de grond neer en gaf een paar zachte klapjes tegen haar wang. Na een tijdje reageerde ze er met een vertrokken gezicht op en kwam ze langzaam bij.

“Wat is er gebeurd? Waar is die gedaante gebleven? Wat doe ik op de grond?” Ze keek eerst met vragende blauwe en bruine ogen naar Marijn en daarna om zich heen.

“Volgens mij zat er een geest of zoiets in de spiegel,” zei Marijn, en hij keek naar de lijst zonder glas. “Maar ze is nu verdwenen. Je was flauwgevallen.”

Hij liep naar de overblijfselen van de spiegel toe. De scherven op de grond kraakten onder zijn versleten leren schoenen.

“Nee, help mij maar niet overeind, ik red mezelf wel,” zei Sofia sarcastisch.

“Prima,” reageerde Marijn. Hij keek naar de lege houten lijst. Er zat een gat in door de steen die hij had gegooid.

Terwijl Sofia mopperend opstond bestudeerde Marijn de lijst en zei zachtjes dat het veilig was. Behalve de gevaarlijk uitziende splinters om het gat heen dan, maar hij had geen behoefte om die aan te raken. Hij wist genoeg.

Sofia liep naar hem toe en zei: “Geloof je mij nu wel dat er iets niet pluis is?”

“Vanwege die rook? Welnee, dat die zo draaide kwam gewoon door de wind.”

“Oh, kom op zeg!” Sofia werd nu erg kwaad en gilde woedend. “Er zat een vrouwelijke gedaante in die rook. Het was een verloren ziel, dat zag je duidelijk, dat was niet te missen!”

“Ik weet niet waar je het over hebt,” zei Marijn kalmpjes, “en wil je wat stiller zijn zodat ik mij kan concentreren?”

Sofia liep woedend weg en Marijn zag haar even later met een paraplu buiten in de regen staan.

 

Kort daarna vond Marijn een klein notitieblokje dat in een la van een bureau had gelegen. In het boekje stond een soort schema met namen en cijfers achter de achternaam. Bovenaan de bladzijde stond er een datum (met het jaartal 1850) en daaronder een achternaam en kamernummer.

Zou deze familie de eigenaar zijn geweest van het hotel? dacht Marijn.

Hij keek op de achterkant van het boekje en las de titel: Kloef.

“Dat moet het hotel wel zijn.”

Marijn liep naar Sofia toe en drukte het notitieboekje in haar handen. “Dit kan heel erg belangrijk zijn, bewaar dit boekje in je tas en hou het in de gaten.”

“Marijn? We moeten eens praten over jouw houding.”

“Niet nu,” zei Marijn, “en daarbij: jij wilde samen met mij werken en mijn houding is nou eenmaal zo. Leer er mee om te gaan.”

Hij liep de regen in, gevolgd door een geïrriteerd kreunende Sofia.

 

Na een tijdje door het verlaten dorp te hebben gewandeld, kwamen ze uit bij een groot bos. Naast de ingang van het bos stond nog één huisje met een omgevallen houten glijbaan. Oude, versleten en verregende poppen lagen verspreid door de tuin. Ramen en deuren waren uit de kozijnen gerukt en het huis zelf zag groen van het mos. Verschillende onkruidplanten hadden het dak overgenomen en het leek erop alsof het huis ondertussen deel van het bos was geworden.

Marijn liep voorzichtig de tuin in, en moest daarvoor heel wat glibberige naaktslakken ontwijken. Hij keek via een raam naar binnen en zag dat het er erg donker was. Hij haalde zijn lampje tevoorschijn en scheen naar binnen.

Sofia gaf een gil en wees recht voor zich uit. “Wat is dat? Dat is toch niet wat ik denk dat het is?”

Marijn scheen in de richting waar Sofia had gewezen en voelde een schok door zich heen gaan.

Er zat een geraamte in de kamer.

Voorovergebogen achter zijn bureau, alsof de persoon in zijn slaap overleden was. Of misschien had hij een hartaanval gekregen van zijn administratie.

“Dit kan ook belangrijk zijn,” zei Marijn, en hij klom door het raam naar binnen.

“Ik wacht hier wel,” zei Sofia met een angstige stem.

Marijn gaf haar zijn tweede lampje en liep richting het skelet. Op het bureau lag een papiertje met drie woorden: Schilderijen, spiegels en wandlampen. Hij herhaalde de drie woorden en dacht na.

“Spiegels,” zei Marijn zachtjes. “Zou die spiegel in die andere woning toch iets met het hotel te maken hebben? Zo ja, waarom staat het in die woning en niet in het hotel?”

Hij pakte het papiertje, dat onder de hand van de geraamte lag, en vouwde het voorzichtig op. Hij hield het opgevouwen papiertje tussen zijn wijsvinger en middelvinger geklemd en gebaarde ermee naar Sofia. “Nieuwe aanwijzing,” zei hij, en liep naar haar toe.

Sofia stak haar arm uit, nam het papiertje aan en vouwde het open.

“Schilderijen, spiegels en wandlampen? Wacht eens, over die drie voorwerpen heb ik gedroomd.”

Marijn keek haar indringend aan en zei: “Stop het papiertje in je tasje. Het is van belang om het veilig te bewaren omdat het meer dan honderd jaar oud is.”

Hij klom via de vensterbank weer naar buiten. Met een laatste blik op de geraamte liepen ze verder richting het bos.

Het stuk bos achter het huisje waar Marijn net nog binnen was geweest, zag er op één of andere manier eng uit. Het was een normaal bos, maar de regen en onweer maakte het extra guur. Het voelde ook alsof het bos naar Marijn en Sofia keek. Alsof erduizenden ogen op ze gericht waren en dat ze, zodra ze het bos zouden betreden, iets zou overkomen.

Het was erg stil in de bossen, ondanks de harde storm. Te stil. Geen fluitende vogels (tenzij ze verscholen waren vanwege de regen) of krakende takken. Helemaal niks.

Er ging een rilling door Sofia’s lijf en ze keek naar Marijn. Die op zijn beurt weer in het rond keek. Waar je ook keek, overal was verwilderd bos. Verder was er niets van betekenis.

Marijn haalde een paar keer diep adem en liep vastbesloten het zandpad op. Op het zandpad lagen her en der plassen water. Sofia stond nog even twijfelend aan de bosrand om zich heen te turen.

“Die doodse stilte bevalt me niet,” mompelde ze, “maar zolang we op dit pad blijven zijn we denk ik wel veilig.”

Springend om de plassen te ontwijken liep ze vlug naar Marijn toe, die een eindje verderop was.

Hoe dieper ze het bos in liepen, hoe donkerder het werd. Het pad voor hen werd af en toe verlicht door een bliksemschicht die naar beneden kwam.

Sofia, die nog steeds droog was vanwege haar paraplu, maakte een misstap en liep door een grote plas water heen. “Bah, gatver. Mijn voeten zijn doorweekt.”

Marijn draaide zich om en zei: “Trek je schoenen en sokken uit en loop op blote voeten verder. Hang je sokken over het ijzeren geraamte van de paraplu en hou je schoenen vast.”

Sofia bukte zich en Marijn wachtte ongeduldig op haar. Hij keek om zich heen - en zag rechts van hem een... gedaante. Hij maakte spleetjes van zijn ogen om beter te kunnen zien wie het was. Een lichtflits verlichtte het bos en het was opeens wel duidelijk wat die gedaante was. Het was een geraamte die met een touw om zijn nek aan een boom hing.

“Sofia, niet opkijken. Ik zie iets wat jij absoluut niet wil zien.”

Maar Sofia keek juist automatisch wel op en in dezelfde richting waar Marijn ook naar toe keek.

“Ya 'iilhi,” riep Sofia verschrikt in het Arabisch. Ze keek angstig naar het geraamte, die aan het touw heen en weer schommelde. “Zou dit het bos zijn waar de mensen vol argwaan naar toe gingen?” vroeg ze.

“Ik ben bang van wel,” antwoordde Marijn. “De kans is nu erg groot, dat wij meer geraamtes gaan tegenkomen.

“Ik weet niet of ik nog verder durf,” zei Sofia met een schorre stem. “Wat gaan we allemaal wel niet tegen komen als wij doorgaan?”

“Wij blijven natuurlijk op het zandpad.”

Sofia hoorde nu voor het eerst ook angst in Marijn zijn stem. Begon het nu eindelijk tot hem door te dringen dat dit serieus was? Ze keek Marijn even tevreden aan voordat ze verder liepen.

Marijn, die nog steeds doorweekt was dankzij de grote stortbui, liep voorop en keek tegelijk voorzichtig om zich heen. Hij wees met zijn hand in de verte naar een boom. “Daar bungelt er nog één.”

“Ik wil het niet weten,” zei Sofia met een trillende stem. “Loop door, ik wil zo snel mogelijk weer uit dit vreselijke bos.”

Na ongeveer een half uurtje te hebben gewandeld, zag Marijn iets in zijn rechter ooghoek. Het bewoog niet, maar Marijn had het gevoel dat het juist wel bewoog. Hij keek naar rechts en zag tot zijn verbazing een geraamte op de grond zitten tegen een boom aan.

“Zou het?” mompelde hij, en hij verliet het zandpad om het geraamte van dichtbij te bewonderen.

“Wacht, Marijn,” zei Sofia verschrikt. “Kom alsjeblieft terug.”

Marijn wuifde met zijn hand dat Sofia hem moest gaan volgen. Ze twijfelde even, maar liep toch maar achter hem aan.

Marijn stond gebukt voor het geraamte. Hij bestudeerde het geraamte aandachtig en zei: “Dit is dezelfde persoon als die uit het verhaal van de taxichauffeur.” Hij zag heel wazig het woord Keolv in het zand geschreven.

“Keolv?” vroeg Sofia. “Was het niet Kleov of Kloef?”

Marijn stak zijn hand op, zodat Sofia weer stil was. “Draai dat woord eens om. Wat staat er dan?”

Sofia dacht diep na en zei: “Oh, dan staat er Vloek.”

“Inderdaad.”

“Waarom ‘Vloek’? De chauffeur had het toch over het woord Kleov?”

“Ze hebben zich vergist, dat kan niet anders. Je ziet het toch zelf? Keolv staat hier, maar nu even iets anders wat ik niet begrijp.”

Marijn keek weer terug naar het woord en ging op zijn knieën zitten. De grond was doorweekt door de zware regenval. Hij pakte zijn etui uit de binnenzak van zijn jas. Sofia hield vlug haar paraplu boven Marijn zijn hoofd. Ze keek toe hoe hij zijn etui opende en een vergrootglas tevoorschijn haalde.

“Wat is er?” vroeg Sofia, maar ze kreeg geen antwoord. Marijn bestudeerde het woord terwijl hij over de grond kroop.

Na een paar minuten stond hij op. Zijn handen en broek zaten helemaal onder de modder. “Ik begrijp er niks van,” zei Marijn terwijl hij zijn handen aan zijn broek afveegde.

“Wat niet?” vroeg Sofia.

“Ten eerste. Als deze man al ongeveer honderd jaar dood is, waarom hebben ze hem toen niet meegenomen? Ten tweede: dit woord is nog steeds duidelijk zichtbaar na honderd jaar. Het moet al lang weggevaagd zijn na al die regenbuien. En ten derde: waarom stond er eerst Kleov en nu Keolv. Als het om het hotel Kloef gaat, waarom dan zoveel foutjes?”

Marijn keek Sofia aan en zag dat ze het moeilijk kon volgen. ‘’Precies,’’ zei hij voordat ze iets kon zeggen.

‘’Ben je klaar hier?” vroeg Sofia, “ik word een beetje misselijk van dit geraamte. Het lijkt net alsof hij mij zit aan te kijken.’’
Marijn keek naar het geraamte en ging er op zijn hurken voor zitten.
‘’Mijn god,” zei Sofia, en ze ging achter Marijn staan om de paraplu boven hem te houden.
Ze keek de andere kant op terwijl Marijn zijn vergrootglas tevoorschijn haalde.

‘’Het is moeilijk te oordelen waaraan hij overleden is,” zei hij.

‘’Is…. is hij zomaar overleden?” zei Sofia. “Is hij niet vermoord of heeft hij zelfmoord gepleegd?’’

Marijn zuchtte een keer en bleef naar de schedel van het geraamte kijken.

‘’Ik dacht eerder aan zelfmoord dan moord, maar als iemand dood gaat, dan zit die persoon in een andere houding. Meer onderuit gezakt, weet je wel? Maar dit geraamte zit rechtop en kijkt ons aan.”

Marijn streelde over zijn sikje. Het geraamte werd nog een keer belicht door de lichtflits van het onweer. Het geraamte was doorweekt, dus de lichtflits weerkaatste over het geraamte.

Nadat Marijn nog langzaam aan zijn sik had gedraaid, ging hij met veel moeite rechtop staan. Hij had te lang gezeten, want hij voelde zijn bloedsomloop weer stromen. Hij bleef even staan totdat het getintel in zijn benen weg was. Hij draaide zich om en keek Sofia aan. “Wij gaan verder,” zei hij, en hij gaf een knikje richting het zandpad waar ze vandaan kwamen.

 

Ze kwamen onderweg meer lijken tegen. Ze hingen voornamelijk met een touw rondom hun nek aan een boom.

“Dit is geen gewoon bos meer,” zei Sofia met een bibberstem. Het was niet dat ze het koud had vanwege de regen of haar blote voeten. Eerder omdat het zo’n eng bos was. “Dit lijkt meer op zo’n zelfmoordbos, die ze in Japan ook hebben. Weet je wat ik bedoel, Marijn? Marijn?” Sofia keek achterom en zag dat Marijn achter haar aan liep met zijn handen in zijn zakken naar de grond starend. “Marijn? Gaat het wel?”

Marijn keek op en zei: “Natuurlijk, gaat alles goed met mij. Loop maar gewoon door.” Hij wuifde met zijn hand als teken dat hij het meende. “Ik ben even geconcentreerd aan het nadenken, laat mij maar even met rust, Sofia.”

Sofia haalde haar schouders op en keek weer vooruit. In de verte zag ze een open veld en binnen een paar minuten hadden ze het bos verlaten.



Hoofdstuk 4: D’n Dolfijn



Ze stopten even om op adem te komen en keken om zich heen. Het hotel stond een stukje verderop. Het gebouw torende hoog boven alles uit. Het had zeker wel zes verdiepingen, als het er niet meer waren. Boven de hoofdingang hing de naam van de hotel: De Kloef.

Sofia keek angstig om zich heen en zei: “Het ziet er echt angstaanjagend uit. Het is echt een geschikte locatie voor een horrorfilm. Moet je dat onkruid zien dat via de vensterbank in het raam is gegroeid. Het is hier echt helemaal verwilderd.”

Een aantal blokken waren afgebrokkeld en de verf was bijna compleet van de kozijnen afgebladderd.

Voordat Sofia verder kon praten tikte Marijn haar aan. Ze keek hem verbaasd aan en ze zag dat hij achter haar wees. Haar mond viel open. Een hele grote boot stond half op het strand en half in het water. Hij lag op zijn kant en het zag er naar uit dat het gestrand was. ‘D’n Dolfijn’, stond op de voorkant van de boot.

“Oooh,” zei Sofia opgelucht. “Dat bedoelden ze dus met een gestrande dolfijn. Het is de naam van die boot. Daarom konden ze hem niet bergen, maar toch.”

Ze bekeek de boot aandachtig. Hij zat vol met gaten. Zowel in alle zeilen als in het frame. De ramen waren kapot en roest had zich her en der verspreid over de romp.

“Zelfs de boot ziet er griezelig uit,” zei Sofia en er klonk angst in haar stem. “We gaan toch niet aan boord van die boot, hè?” Ze keek Marijn aan en hij zei: “Het is gek hoe die boot erbij ligt. Hij staat naar het hotel gericht. Als je op het dek van de boot staat dan heb je zicht op het hotel.”

“Ga mij nou niet vertellen dat er iemand aan boord is... Dat kan trouwens ook niet. Ik bedoel, je staat niet echt stevig rechtop, hè?”

“Mensen doen gekke dingen als ze anderen de stuipen op het lijf willen jagen.”

Sofia slikte een keer.

Ze liepen over het strand richting de boot. Sofia keek af en toe angstig om zich heen. “Ik heb het gevoel dat wij de hele tijd bekeken worden, al sinds wij het vreselijke bos hebben verlaten.”

“Laat je niet gek maken, Sofia,” zei Marijn. “Juist daardoor is men argwanend geworden en hebben ze zelfmoord gepleegd of zijn ze gevlucht.”

Sofia probeerde zich te kalmeren, maar dat lukte niet echt. Overal waar ze keek was wel iets engs te zien. Recht voor haar stond de oude roestige boot die gestrand en verlaten was. Achter haar was het zelfmoordbos dat ze net verlaten hadden. Rechts van haar stond het oude spookachtige hotel en het weer maakte het er ook niet beter op. Het noodweer raasde nog steeds verder. Een lichtflits verlichtte de gestrande boot en het leek er even op dat iemand op het dek stond. Sofia gilde het angstig uit en Marijn scheen met zijn lampje richting het dek. Niets.

Sofia riep: “Wie was dat? Was het de eigenaar van de boot of het hotel misschien?”

Marijn gaf geen antwoord maar had ondertussen een kleine revolver tevoorschijn gehaald.

“Hoe kom je daaraan? Had je die al bij je toen je het politiebureau in liep?”

Marijn suste een keer en hield zijn vinger tegen zijn lippen aan. “Ja,” zei hij zachtjes zodat Sofia het net kon horen. “Ik draag het altijd bij mij, voor het geval dat.”

Sofia werd meteen rustiger, alsof ze zich nu beter op haar gemak voelde. “Dat had je mij wel eerder kunnen laten weten. Dan was ik niet zo bang geweest.”

“Niemand weet het,” zei Marijn en hij keek naar het dek. “Ik gebruik hem liever niet, maar zoals ik daarnet al zei: Ik draag het altijd bij mij, voor het geval dat.”

Sofia keek naar zijn kleine geweer en zei: “Dat is niet echt overtuigend, hè? Zo’n klein ding, misschien is zijn geweer wel groter.”

“Het zit hem niet in het formaat,” zei Marijn. “Het brengt genoeg schade aan. Als je het kan stilhouden en richten zonder te trillen, dan is het goed genoeg.”

Een lichtflits verlichtte opnieuw even het dek en de man stond er weer. En een oogwenk later was hij weer verdwenen.

“Waarom schoot je niet?” vroeg Sofia paniekerig.

Marijn liep plotseling naar voren toe, zodat hij aan de zijkant van het schip stond. Sofia volgde zijn voorbeeld en ging achter hem staan.

“Terwijl jij aan het klagen was, was ik ook de donder aan het tellen.”

“Ja, maar…”

Sofia kon de zin niet afmaken. Marijn had zijn geweer naar het dek gericht en het dek werd weer verlicht. Een halve tel later schoot Marijn op de gedaante, die meteen neerviel.

Marijn liep via de oude loopplank naar boven en liep richting het dek. Ze kwamen bij de plek waar de gedaante was neergeschoten. Ze keken in het rond.

“Hij is weg,” zei Sofia.

Marijn ging op zijn handen en knieën zitten en kroop over de hele dek heen.

Sofia hield al die tijd de paraplu boven zijn hoofd.

“Geen spoor,” mompelde Marijn opnieuw. “Geen bloed, geen kogel of afdruk van de gedaante.”

“Ik zag duidelijk iets vallen,” zei Sofia. “Ik weet het zelfs zeker.”

“Ik zag het ook gebeuren. Het kon ook iets anders zijn - dat het leek alsof iemand viel. Dat we dachten dat hij viel.”

“Maar hoe dan?” vroeg Sofia.

“Geen idee.”.

Sofia werd plotseling bleek en wees achter Marijn. “Ik zag een gezicht naar ons kijken,” zei ze stotterend. Achter het raam in de hut van het schip.”

Marijn draaide zich om maar zag geen gezicht achter het raam. “Ik zie niks. Weet je het zeker? Kwam het niet door de flits van het onweer?”

“Ja, ik weet het heel zeker. Het was het gezicht van een man.”

Marijn keek opnieuw naar de hut en liep er voorzichtig heen. Sofia liep op een afstandje achter hem aan.

Marijn keek via het raam naar binnen en zag iets wits op de grond liggen. Het leek alsof het verpakt was. Het was te donker om goed te kunnen zien wat het was. Eenmaal in de hut was het duidelijk wat er op de grond lag. Aan de vorm en de lengte te zien, zat er een volwassen persoon in een deken gewikkeld.

Sofia slaakte een kreetje en zei: “Niet openmaken, Marijn. Alsjeblieft, niet doen.”

Marijn keek met een opgetrokken wenkbrauw naar Sofia en zei: “Waarom niet? Hij is vermoedelijk al dood. Hij kan ons toch niks maken. Je hebt daarnet ook een heleboel lijken in het bos zien hangen en liggen. Dan maakt deze toch ook niks uit?”

Marijn bukte zich en begon de dekens los te maken. Sofia hield vlug haar hand voor haar mond en zei zachtjes: “Respectloos.”

“Noem het wat jij wil, Sofia, maar ik noem het aanwijzingen en bewijs.”

Sofia keek nog even naar buiten door het raam en zag het torenhoge hotel in de verte. Het hield haar in de gaten zoals het oog van Sauron.

“Dat is vreemd,” zei Marijn.

Sofia keek naar beneden en zag het hoofd van het lijk. Het was heel erg vermagerd en bijna grijs. De ogen waren bleek en de mond stond wijd open, alsof de persoon het uit had geschreeuwd voor hij vermoord werd.

“Wat is er zo vreemd,” vroeg Sofia.

“Nadenken, Sofia.” zei Marijn bot. “Alle slachtoffers die wij tot nu toe zijn tegengekomen zijn honderd jaar dood. Dit slachtoffer is niet zo erg lang geleden vermoord, paar weken hooguit.”

Sofia staarde naar het lijk en begon te kokhalzen. Marijn keek haar hoofdschuddend aan en zei: “Neem straks iets sterks als wij weer thuis zijn. Dat helpt om de boel te vergeten.”

“Met problemen praat ik liever dan dat ik ze verdrink,” zei Sofia koeltjes.

“Voor hem wordt het er niet meer beter op,” zei Marijn, en hij knikte naar het lijk.

Sofia kuchte een keer om een glimlach te onderdrukken en zei stijfjes: “Je hebt gelijk.”

Marijn wikkelde de deken slordig terug om het lijk heen, zodat het niet open en bloot lag. Hij stond vervolgens met een kreun op en leunde op een tafeltje om naar het hotel te kijken.

“Sofia? Is jou niet iets opgevallen tot nu toe? Vanaf het moment dat wij het zelfmoordbos in zijn gegaan tot nu toe.”

“Dat er hier een moordenaar rondloopt, die ons in de gaten houdt?”

“Ook. Wat nog meer?”

Sofia keek naar haar voeten en dacht na. ‘’Ik zou verder niet weten wat mij zou moeten opvallen, ik had het druk met in paniek zijn.’’

Marijn draaide zich om, leunde met zijn achterwerk tegen de tafel aan en sloeg zijn armen over elkaar. ‘’Dat was wel duidelijk, ja, maar doordat jij in paniek raakt heb je veel dingen niet gezien of het is jou niet opgevallen. Daarom moet je altijd geconcentreerd blijven zolang ik erbij ben. Probeer je te vermannen, laat zien wie de baas is. Tot nu toe is er niks gebeurd.”

‘’Ja, jij hebt makkelijke praatjes,” zei Sofia.

‘’Dat heeft er helemaal niks mee te maken,” viel Marijn haar in de rede. “Dat zijn weer smoesjes om er onderuit te komen. Als iemand jou boos of vals aankijkt, dan moet jij weer bozer of serieuzer kijken. Op een gegeven moment worden juist zij zwak. Zij weten hoe gemeen ze kunnen zijn en hoe mensen angstig kunnen reageren, zodat zij kunnen laten zien dat ze de baas zijn. Juist dan moet jij nog bozer kijken en laten zien dat je niet bang bent, ook al ben je van binnen wel bang. Dat kunnen zij niet zien. Ze kunnen niet jouw gedachten lezen.

“Ik was vroeger erg onzeker toen ik klein was. Ik had een grote bullebak op mijn school. Hij pestte iedereen. Tot op een dag zijn moeder op school kwam - hij was toen heel erg angstig en bang, omdat hij wist dat hij fout was. Snap je wat ik bedoel, Sofia? De bullebak laat zien dat hij de baas is, totdat zijn moeder kwam en zij is weer de baas over hem. Dus gewoon laten zien dat jij de baas bent.’’

‘’Wat als hij mij vermoordt?’’ vroeg Sofia.

‘’Dat doen alleen psychopaten,” zei Marijn koeltjes. “Die zijn ziek in hun hoofd.’’

‘’Wij hebben ook met een psychopaat te maken met al die moorden?’’

‘’Wie zegt dat hij die moorden heeft gepleegd?” vroeg Marijn. “Moordenaars laten altijd sporen achter. Die lijken in het bos zijn meer dan honderd jaar oud, daar zit geen bejaarde man van honderd jaar achter, of wel?”

‘’Ja, dat is waar. Maar wie dan wel?’’

‘’Geen idee, maar daar komen we dan wel weer achter.’’

‘’Hoe zit het met de antwoord op je vraag?” vroeg Sofia, die zich de vraag weer herinnerde.

‘’Die heb ik je net gegeven: het is geen vloek of geest of wat dan ook. Het gaat om een man die dit veroorzaakt. De psychopaat zoals jij al aangaf.’’

Sofia zuchtte en vroeg: ‘’Weet je het absoluut zeker?’’

Marijn knikte en zei: ‘’Zeker weten.’’

‘’En die gedaante op het dek dan? En die geest in de woning?’’

‘’Illusies,” zei Marijn kortaf. “Niks meer, niks minder.’’

‘’Het zag er anders wel levensecht uit.’’

‘’Tja. Maar dat heb je met illusies.”



Hoofdstuk 5: Game on



De weg naar het hotel was zwaar. Het oude gebouw was bovenop een klif gebouwd, maar niemand had echt nagedacht over een makkelijke toegangsweg. Je moest minstens tien minuten een heuvelachtig pad omhoog, en hoewel dat met mooi weer misschien nog wel een gezonde wandeling geweest zou zijn, was het nu te slopend. Voor Sofia dan, Marijns tred bleef stevig en robuust.

Sofia keek regelmatig achterom naar het strand waar de boot lag weg te roesten. Het vaartuig werd steeds kleiner maar niet minder imposant. Hoe vaak ze ook keek - ze zag geen spoken meer.

“Ahh!” gilde Sofia opeens na een extra harde windstoot, en Marijn greep reflexmatig naar zijn revolver. Maar er was geen lijk. Sofia’s paraplu had het alleen begeven, en stond nu met het gebroken geraamte naar buiten gebogen. Haar sokken, die er nog aan hingen te drogen, waren meegenomen met de storm. Een zielige sok bleef steken achter een bosje, maar de andere was nergens meer te bekennen.

“Gooi dat ding maar weg,” zei Marijn. Hij greep de kapotte paraplu uit Sofia’s handen en smeet het ding in het gras.

“Nou, zeg!” riep Sofia. “We kunnen hem toch niet hier laten liggen? Weet je hoe slecht voor het milieu dat is?”

Marijn gaf Sofia alleen maar een droge blik en wees op de boot alsof hij wilde zeggen “en dat dan?”. Verder zei hij niks. In plaats daarvan draaide hij zich om en klom verder naar het hotel.

Sofia keek even naar de paraplu, twijfelde zichtbaar en liep toen ook maar verder. Ze had geen zin om met dat ding te blijven sjouwen.

“We zijn er,” kondigde Marijn aan.

Sofia was nu dan wel niet meer in gevecht met de paraplu, maar wel met haar lange, zwarte haar. Het bleef maar in haar gezicht waaien en tegen haar natte huid plakken.

“Ik dacht even dat er een lijk achter me stond, maar jij was het.”

“Ha. Ha.”

Vergeleken met hoe de andere gebouwen eruit hadden gezien viel het wel mee met het hotel. Het zag er bijna uit alsof het nog regelmatig onderhouden werd. Alsof iemand het nog… lief had.

“Laten we maar snel naar binnen gaan.”

Sofia stond bij een railing en bewonderde het uitzicht vanaf de veranda. De wereld zag er erg somber uit. Alles om het hotel was verdord. De bomen en planten hadden hun kleuren verloren. Het strand was helemaal verlaten, op dat oude wrak na. Geen enkel wezen was zichtbaar. De zee was heel wild geworden.

Sofia keek naar beneden en zag nog een terras aan het klif hangen, waar je via een trap naartoe kon gaan. Houten tafels en stoelen lagen her en der verspreid over het terras.

Het hout was zo te zien verrot en verkleurd. Bij een paar stoelen was alleen nog het frame over.

Ze keek weer terug over de horizon. Het woeste weer veranderde maar niet. De regen kwam nog altijd met bakken naar beneden vallen en zo nu en dan werd het strand verlicht door de bliksemschichten van het onweer. Het was buiten nog steeds donker en zover ze kon zien zou het de komende uren nog wel even regenen.

“Wat moet dit vroeger een mooie eindbestemming zijn geweest,” zei ze, en ze keek naar Marijn.

“Dat was het ook,” zei Marijn en hij bestudeerde de deur. “Het hotel was het meest bezocht en een van de bekendste hotels van Europa.”

De voordeur was vergrendeld met een ijzeren ketting. Er was al een behoorlijke laag roest overheen gegroeid, en dus was het een makkie voor Marijn om hem kapot te breken met een dikke tak en wat spierkracht. De ketting knapte met een luid gerinkel los en viel als een dode slang op de grond.

“Dames eerst,” zei Marijn.

“Goh, wat aardig van je…” zei Sofia sarcastisch.

Ze duwde de oude houten deur met veel gekraak open en stapte daarna voorzichtig over de drempel. Er lag geen vloer meer in de hal, misschien dat vandalen in het verleden al het mooie antieke hout eruit hadden gesloopt. Nu was er enkel koud cement onder haar blote voeten. Natte schoenen of niet, ze moest ze toch maar weer aantrekken. De grond was bedekt met rotzooi en glas.

“Betonnen vloer,” mompelde Marijn. “Dat is niet echt oud. Past niet bij de tijd van het hotel. Je zou denken dat iemand jaren na de sluiting toch nog renovatie heeft uitgevoerd.”

“Anders was het misschien al in elkaar gestort?”

“Mogelijk. Vooral op zo’n klif - grond kan hier nog wel eens afbrokkelen of wegslippen door regenval. Het zou betekenen dat het hotel helemaal niet zoveel jaren verlaten is geweest. Of iemand hield zoveel van dit hotel dat ze er alles aan hebben gedaan om hem staande te houden.”

Sofia had een zaklampje aangeboden gekregen van Marijn en scheen net zoals hij nieuwsgierig in het rond. Oud behang wat voor de helft van de muren hing. Prachtige kroonluchters bedekt met spinnenrag. Fauteuils waarvan de stof opgevreten was door motten en muizen.  

“Het valt hier nog mee met de geur,” zei Marijn. “Het tocht hier ook enorm, maar ik kan zo een twee drie niet zeggen waar het vandaan komt. Misschien van boven.”

Hij scheen de zaklamp omhoog naar een hogere verdieping en zag de honderden spijlen van een balkongang. Op een achterwand werd hij aangestaard door het portret van een Victoriaanse man. “Dat die schilderijen nog intact zijn. Je zou verwachten dat vandalen hier veel meer aangericht zouden hebben.”

“Ze waren vast te bang met al die enge verhalen,” zei Sofia, die de foyer in liep. “Of ze kwamen het zelfmoordbos niet eens door.”

“Of ze hangen zelf in het zelfmoordbos,” grapte Marijn.

De antieke mahoniehouten balie waarachter vroeger een nette klerk had gewacht stond nog op zijn oude plek in het midden van de lobby. Er lag verder niks meer. Geen sleutels, geen papier. De wachtkamer had nog wel wat houten banken, die stuk voor stuk op hun kanten lagen. In de hoek stond een dode tak in een pot. Verder waren er alleen wat deuren naar een kantoortje en een keuken. Een deur leidde waarschijnlijk naar een gang met de eerste paar kamers, maar die was van de andere kant gebarricadeerd.

“Naar boven dan maar?” vroeg Sofia.

“Pas wel op op die trap, ik wil niet dat je er doorzakt.”

“Zo zwaar ben ik nou ook weer niet!”

“Je weet maar nooit.”

Er zaten al wel een paar gaten in sommige treden, maar Marijn en Sofia bereikten veilig de volgende verdieping. De vloer van de balkongang kraakte wel heel erg, en met elke stap die ze verzette sloeg Sofia’s hart een tel over.

“Weet je nog welk kamernummer je had in die droom?” vroeg Marijn.

“Nee. Nou, ja. 134 volgens mij. Ik kan me dat herinneren omdat dat mijn verjaardag is, 13-4.”

Ze kwamen bij een deur uit waar het nummer 134 op stond.

Marijn bekeek de deur grondig, haalde een pasje tevoorschijn uit zijn portemonnee en stopte het in de spleet tussen de deur en deurkozijn. Na een paar tellen ging de deur krakend open en er viel een paar spinnen naar beneden.

Er was niks boeiends te zien in kamer 134. Hij was leeg en alle rotzooi was er keurig uitgeveegd. Het enige wat er nu lag was een dikke laag stof.

Ze betraden de lege kamer en Marijn scheen met zijn lampje in het rond.

“Wat is dat daar aan die muur?” vroeg Sofia, en hij draaide zich om.

Hij scheen in de richting waar Sofia wees en zag dat er tekst op de muur was geschreven. ‘Borka verdwijn, 666’ stond er met bloed op de muur geschreven. De bloeddruppels sijpelden naar beneden.

Sofia gilde het uit, maar Marijn keek bedachtzaam naar de tekst.

“Het is de duivel,” riep Sofia paniekerig. Ze begon op en neer te ijsberen en fluisterend begon ze in het Arabisch te praten. Mogelijk verschillende gebedjes, dacht Marijn. “Duivel,” uitte ze weer. “Satanische tekens. Hels vuur.”

Marijn keek weer naar de tekst. “Er bestaan helemaal geen duivels of Satan of hoe je het ook noemt,” riep hij boos boven het gejammer van Sofia uit.

“Doe niet zo ongelovig,” schreeuwde Sofia uit. “Je ziet hier het bewijs, je staat er voor.”

“Nee. Het is niet door de duivel gemaakt.”

Er klonk een diep, hard gegrom door de kamer, wat nog even na echode. Het geluid leek uit de muren te komen. Het leek erop dat het hotel zachtjes trilde na het harde gedonder van de grom.

Sofia werd bleek van angst en ze keek met grote ogen naar Marijn. Voordat ze iets kon uitbrengen liep hij naar de muur.

“Deze tekst is vlug geschreven met een vinger,” zei hij. “Snel en slordig. De maker wist dat ik er aan zou komen.”

“Hoe wist hij jouw achternaam dan?” vroeg Sofia met een piepstemmetje.

“Kranten.”

“Wat was dat gebrul dan?”

“Dat weet ik nog niet,” zei Marijn en hij haalde zijn schouders op. “Oude gebouwen maken rare geluiden.”

Het geluid in kwestie donderde opnieuw door de kamer en liet alles licht trillen. Er viel stof en gruis naar beneden.

“Ik vind dit maar niks,” jammerde Sofia en ze liep langzaam naar de deur, waar ze aanstalten maakte om weg te rennen.

“Blijf waar je bent,” beval Marijn en hij ging op zijn hurken zitten. Het leek erop dat hij iets kwijt was. Hij veegde het stof opzij, zodat een stuk van de vloer zichtbaar was. Hij tikte erop met zijn knokkels. “Soort stevige plastic vloer.” Hij dacht diep na. “Er is iets met de vloer, maar ik kan er niet opkomen.” Hij dacht nog een keer na, maar er schoot niks te binnen.

“Nee, dit gaat hem niet worden.” Hij stond weer rechtop.

Sofia stond bijna te huilen van angst.

“Kom op.”

Marijn liep de kamer uit en nadat Sofia de kamer had verlaten, trok hij de deur van kamer 134 dicht.

Ze stonden weer samen in de gang, waar het nog steeds erg donker was.

Game on,” klonk er plotseling door het hele hotel.

Zowel Marijn als Sofia schrokken van de stem en ze keken om zich heen.

“Waar kwam die stem vandaan?” vroeg Sofia angstig.

Marijn keek nog even om zich heen en rechts van hen ging een andere deur open. Hij en Sofia keken elkaar even aan en ze liepen naar binnen. Er lag een lichaam in het midden van de kamer. Op zijn buik, zodat zijn gezicht niet te zien was.

“Waaraan is hij overleden?” riep de mysterieuze, bulkende stem van eerder. Hij was langzaam en martelend.

Marijn liep naar het lichaam toe, terwijl Sofia nog verward om zich heen keek. Hij pakte de  pols tussen zijn wijsvinger en duim en probeerde een hartslag te vinden. Hij voelde niks en ging ervan uit dat de persoon inderdaad overleden was.

Marijn bestudeerde het lichaam op zijn hurken. “Dit is makkelijk,” zei hij luchtig. Sofia kwam bij hem staan. Hij wees op de blauwe lijn op zijn hals.

“Hij heeft zich opgehangen,” zei Sofia zachtjes.

“Fout,” zei Marijn en hij keek haar even aan. “Hij is gewurgd.”

“Hoe weet jij dat?”

Marijn deed de kraag opzij en ze zag dat er diepe nagelafdrukken in zijn hals zaten. “Die afdruk is sowieso van een dun touw en dat is niet sterk genoeg om iemand mee op te hangen. Op het moment dat je gewurgd wordt doe je er alles aan om het voorwerp waarmee je gewurgd wordt van je af te trekken. Vandaar die diepe nagelafdrukken in de hals.”

Marijn opende ogen van de man en zag dat die ten hemel waren geslagen. “Duidelijke teken van een wurging,” zei hij en hij sloot de oogleden weer. “Hij is met een touw gesmoord,” riep hij naar de lichaamloze stem.

“Correct,” antwoordde die zwaar. “Is dit niet spannend?”

“Nou,” zei Sofia. Ze was een beetje rustiger geworden.

Een paar theaterlichten floepten aan. Ze schenen allebei op een oud portret. Er stond een jonge vrouw in een lichtblauwe jurk op afgebeeld. Ze danste in de weide tussen verscheidene lammetjes.

“Wat is de uitkomst van deze som,” commandeerde de zware stem.

“Waar zijn de cijfers dan?” vroeg Sofia.

Het bleef stil en Marijn staarde naar het portret.

Sofia keek ook mee. “Misschien zitten er kleine cijfertjes in het schilderij,” zei ze en ze ging wat dichterbij staan.

“Het antwoord is acht,” zei Marijn hardop.

“Wat?” vroeg Sofia verbaasd.

“Correct,” zei de stem.

Marijn begon vlug te praten: “Er staan vier lammetjes op het schilderij en ze hebben alle vier maar drie poten. Dat is al vier keer drie. Waarom niet plus drie? Dat is het logica van deze rekensom vier lammetjes maal drie poten en dan trek je er vier poten van af, omdat die weg zijn. Het eindresultaat is dan vier lammetjes keer drie poten min 4 poten. Dat is acht.”

Sofia bleef verbluft naar de schilderij staren. “Je hebt wel gelijk over de lammetjes,” zei ze.

“Kom op en laat het gaan,” zei Marijn. “Ik had gelijk, laten we naar de achtste verdieping gaan.”

“De achtste verdieping?” vroeg Sofia. “Volgens mij heeft het hotel er maar 2…”

Marijn draaide zich om, om het schilderij opnieuw te controleren... en het lichaam was weg.

“Waar--,” stotterde Sofia en ze keek om zich heen.

“Opgestaan en weggelopen?” grapte Marijn.

“Was hij wel dood?”

“Zo dood als een pier. Er zat geen enkel leven meer in die man.”

“Waar is hij dan?! Dit is gekkenwerk.”

“Laat het gaan,” herhaalde Marijn.

“Je kan het niet zomaar laten gaan,” zei Sofia en ze keek om zich heen. “Het schilderij is nu ook al verdwenen,” riep ze paniekerig.

Marijn pakte Sofia’s schouders beet en schudde haar een beetje door elkaar. “Doe rustig aan Sofia en beheers je. Kom mee.”

Ze liepen de kamer uit. Eenmaal buiten viel de deur dicht en in het slot.

Het gangpad was nog steeds verlaten en het was doodstil.

“Wat nu?” mijmerde Marijn. “Wat is de volgende aanwijzing?”

“We gaan weg, toch?” bibberde Sofia. Ze sloeg haar armen om haar dunne bovenlichaam. Ze was niet gekleed geweest op de storm en haar blote voeten waren nog steeds ijskoud in haar gympies.

“Weg? Jij bent de reden waarom we hier in de eerste plaats zijn!”

“Dat is waar, maar--”

“Geen gemaar. Kijk daar.”

Op de muur langs de trap, waar in een ver verleden zoveel lijstjes hadden gehangen dat het behang eromheen gebleekt was door de zon, stond een blauwe pijl. Het leek erop dat hij enkele tellen geleden erop gespoten was met een busje graffitiverf.

“Waarom volgen we de commando’s op van die stem?” zei Sofia. “Het is overduidelijk een of andere lolbroek die ons angst aan probeert te jagen.”

“Dit spel,” hijgde Marijn, en zijn ogen waren plotseling fel, “dit is waar ik voor leef!”

Met die woorden galoppeerde hij van de trap af, achter de pijlen aan. Sofia rende hem maar snel achterna, want ze wilde voor geen geld in haar eentje achterblijven.

De blauwe pijlen leidden ze dit keer naar de keuken. Een grote ruimte vol met kastjes, ovens en fornuizen. Geen van deze dingen waren goed schoongemaakt of opgeruimd na de ontruiming, en muizen en ratten hadden zich overduidelijk te goed gedaan aan de kruimels die over waren gebleven. Hier en daar stonden nog jutezakken waar ooit rotte aardappels in hadden gezeten, en in sommige kasten lagen aangevreten pakken crackers. Die smaakten nu vast niet meer goed. De ingemaakte groenten in oude weckflessen waren waarschijnlijk nog wel te eten, maar Sofia noch Marijn had zin om dat te testen.

“Wat nu?” vroeg Marijn, maar er was deze keer geen stem die aanwijzingen gaf.

Sofia wees naar de koelkast. Het deurtje leek te bewegen. Kleine vibraties.

Marijn liep naar de koelkast toe en trok de deur zonder te twijfelen open. Sofia wilde dat hij getwijfeld had. Oude etensresten met een pulserende kolonie maden barsten uit de kast. De krioelende beesten sprongen op Marijns kleding en schoenen. Hij slaakte een kreet, realiseerde zich dat het slechts maden waren (daar viste hij vaak genoeg mee) en veegde ze toen van zich af.

“Venijnige rotdingen,” zei hij.

Sofia stond ondertussen over te geven in een gootsteen, maar voor de zekerheid hield ze net genoeg afstand tussen haar lichaam en het kastje eronder.  

Marijn tuurde in de koelkast. Naast de etensresten lag ook een lichaamsdeel. Het was een afgehakte hand.

“Heb je een handje nodig,” lachte de stem opeens.

Onder de hand lag een oud stuk krant, wat nog intact leek te zijn gebleven. Marijn schoof beschermende handschoenen om zijn handen en plukte het stukje papier uit de kast. Het bleek een oude advertentie te zijn uit 1995. Marijn had het destijds zelf naar de uitgever van een grote krant gebracht, samen met een foto van zichzelf. Zelfs op die jongere leeftijd had hij er al wat verfomfaaid uitgezien.

“Moet je dit zien, Sofia,” zei hij verbijsterd.

“Nee, dankje,” antwoordde zijn assistente, die nog steeds wat groen zag. “Ik blijf liever hier staan.”

“Die droom…” bedacht Marijn zich. “Ik dacht dat het op de een of andere manier met jou te maken had, maar het begint erop te lijken dat ze toch mij moeten hebben.” Hij snoof, toch een beetje trots. “Natuurlijk. Wat moeten ze nu met zo’n jonge tuttebel.”

Excuse me?”

“Nee, niks.”

Sofia veegde haar lippen af - er hing nog een beetje braaksel aan.

“Laten we het spelletje anders spelen,” fluisterde Marijn. Hij keek om zich heen en bestudeerde de ruimte met de afgehakte hand in zijn vuist. “Dit begint erg monotoon te worden.”

“Waarom fluister je?” zei Sofia en ze ging dichter bij hem staan om niks te missen van wat hij zei.

Marijn zag vanuit zijn ooghoek een stenen hoofd op een kast staan. Daar was iets mee. Het paste niet in het totaalplaatje. “De geest van het hotel begint erg slordig te worden,” zei hij zachtjes.

Hij liep naar de zijkant van de keuken en sloop via de wanden naar het kastje waar de stenen kop op stond. Hij haalde een klein magneetje uit zijn binnenzak en hield het naast het stenen hoofd. Daarna liep hij voorzichtig terug naar de koelkast. “Ik kon daar niks vinden.”

Sofia keek hem niet begrijpend aan. “Wat niet?”

“Een aanwijzing, beste Sofia.” Hij hield de hand omhoog. “Een aanwijzing voor dit.”

“Gaaaaaaaaaaaame over, Marijn Borka!” schreeuwde de onbekende stem opeens, en Marijn en Sofia schrokken zich een ongeluk.

“Wat?!” riep Marijn. “Hoe kan ik in hemelsnaam ‘game over’ zijn? Hoe…”



Hoofdstuk 6: De andere detective



Marijn was nog niet uitgesproken of hij hoorde de zachte klik van een pistool.

“Laat het vallen.” En vervolgens: “En doe langzaam je handen omhoog.”

Sofia wilde zich omdraaien om te zien van wie de stem was, maar er werd meteen tegen haar geschreeuwd.

“Staan blijven! Verroer je niet! Ik ben gewapend!”

Haar hart sloeg een tel over en ze deed snel wat de persoon van haar verlangde. Marijn deed hetzelfde: hij plaatste de hand op het aanrecht en hief zijn armen. De persoon - ongetwijfeld een man, maar ze konden zijn gezicht niet zien - draaide hun armen op de rug en omsloot hun polsen met handboeien.

“Draai jullie nu naar mij om.”

De man was een apart figuur, maar hij was geen politieagent, tenzij hij in burger was. Hij had nog het meest weg van de acteur die in de jaren 60 Zorro speelde - Guy Williams, compleet met Zorro-snorretje. Sofia had in haar kindertijd vaak met dromerige ogen naar deze man uit die mysterieuze zwart-witte televisietijd gekeken. Maar nu voelde ze zich verre van verliefd.

“Wie ben jij?” vroeg Marijn.

“Ik stel hier de vragen,” antwoordde de man.

“Aangezien jij mij geboeid hebt lijkt het me logisch dat ik ook mag weten wie jij bent!”

De man snoof. “Detective Bose.”

“Van de koptelefoons?” vroeg Sofia. Ze kreeg geen antwoord, behalve een kwade blik van Marijn.

“En nu zijn de vragen aan mij. Ik kreeg een melding dat er ongure figuren rond sluipen in het hotel. Wie zijn jullie en wat doen jullie hier?”

“Detective Borka,” zei Marijn triomfantelijk. “Met mijn assistente, mejuffrouw Saqqaf. We kregen een melding dat er wat ongure dingen gaande zijn in dit hotel.”

Detective Bose kromde een wenkbrauw. “Mag ik wat identificatie zien?”

“In mijn binnenzak.”

Bose reikte in de binnenkant van Marijns jas en viste daar een simpele id-kaart uit. “Is dit alles?”

“Ik ben privédetective,” benadrukte Marijn. “Iets beters heb ik niet bij me, tenzij je mijn lange geschiedenis van succesverhalen wilt aanhoren.” Bose kuchte. “Dacht het niet, nee. Kun jij je identificeren? Of ook een huis-tuin-keuken talent zoals ik.”

Binnen seconden hield Bose een waar politiedocument voor Marijns ogen.

“Wauw, een echte detective,” zei Sofia, waarop Marijn haar venijnig aankeek.

“Ik zal jullie het voordeel van de twijfel geven,” begon Bose, en hij pakte een mini sleuteltje uit zijn zak, “en jullie ontboeien. Als jullie beloven dat jullie er niet zomaar vandoor vliegen.”

“Aye aye, sir,” zei Marijn schijnheilig.

“Dus, wat weten jullie tot nu toe?” vroeg Bose.

“Hotel de Kloef, plaats des onheil.” Marijn werd als eerste bevrijd en hij wreef zijn polsen alsof de boeien erg pijnlijk waren geweest. Misschien waren zijn polsen gewoon te breed, want Sofia had nergens last van. “Tijden geleden al verlaten maar genoeg tekenen van leven… en dood. Het bos hieromheen stikt van de lijken.”

Bose lachte. “Misschien moet ik je toch maar vragen naar die succesverhalen van je, want die zogenoemde lijken waar je het over hebt zijn props van een horrorfilm die hier tien jaar geleden is opgenomen. Realistisch zijn ze wel, dat moet ik toegeven. Maar ze zijn dan ook gemaakt door een hele goede artiest.”

“Maar de geesten dan?” riep Sofia. “Het spookt hier, echt!”

Echt!” aapte Bose haar na, inclusief piepstemmetje. “Je bent een assistente van een ‘goede’ detective maar je gelooft nog in spoken? Daar moet ik wel even om lachen.”

Sofia keek hem beteuterd aan. Het haar had al genoeg moeite gekost om Marijn te overtuigen van de echtheid van haar nachtmerries, ze had geen energie over om het opnieuw te doen met deze klootzak.

Marijn was ook duidelijk niet geamuseerd. Hij ging maar snel over naar de feiten: “We worden tijdens onze hele tocht over het landgoed al lastig gevallen door een of andere grapjas. Spelletjes, streken - een luidsprekerstem die door het hotel schalt. Weet jij daar meer van, detective Bose?” Hij wees naar de afgehakte hand, die bij nader inzien misschien ook wel nep was. Heel goed gemaakt, en in het duister had het echt geleken. En gevoeld. Marijn begreep er niks meer van en begon bijna aan zichzelf te twijfelen.

“Ja, die heb ik ook gehoord,” zei Bose. “En opgenomen.” Hij hield een kleine stemrecorder omhoog. Wat jullie misschien ook wel gemerkt hebben, is dat de stem omgevormd is. Hij klinkt te langzaam, en dat deed mij denken dat hij lager wordt afgespeeld.”

Bose had een tas bij zich, en daaruit haalde hij een laptop. Hij verwijderde een dopje van de recorder om er een USB-stick van te maken, en stak deze in de computer. Met een paar keer drukken op toetsen verscheen er een muziekprogramma op het scherm, en hiermee manipuleerde hij de stem.

Are you ready?” vroeg Bose.

Marijn en Sofia knikten.

“Gaaaaaaaaaaaame over, Marijn Borka!” schalde er uit de luidsprekers.

En iedereen stond even versteld te kijken. Want wat ze hoorden, was een vrouwenstem. En alledrie, met name twee van hen, kenden die stem maar al te goed.

“Wat?” zei Marijn verward.

“Huh?” zei Detective Bose.

Sofia bleef stil.

Die stem… was van haar.



Hoofdstuk 7: Broodjeaapverhaal



Sofia werd geeuwend wakker en merkte dat ze in het kantoor van Marijn was. Ze keek op en zag de man des huizes tegenover haar zitten, leunend tegen zijn bureau. Aan haar pijnlijke wangen te voelen had hij haar gezicht geslagen om haar te wekken. Ze raakte een wang aan en voelde dat hij warm was.

“Wat is er gebeurd?” vroeg ze en ze wreef in haar ogen. “Hoe kom ik hier terecht?”

Marijn verliet zwijgend zijn kantoor en kwam terug met twee grote mokken koffie. “Je was hier gekomen omdat je last had van een erge nachtmerrie, weet je nog?”

Sofia dacht na en voordat ze iets kon zeggen, vervolgde hij: “Je vertelde over een eeuwenoud hotel, genaamd Kloef, dat vol zat met raadsels. Ik zocht de naam op internet en na een tijdje had ik het gevonden -- maar toen ik het je wilde tonen, was jij al in slaap gevallen. Je viel voorover met je hoofd op het bureau en nu heb je een bult op je hoofd.”

Sofia raakte haar voorhoofd aan en wreef over de dikke bult die daar inderdaad zat. “Heb je geen ambulance voor me gebeld ofzo?”

“Natuurlijk wel,” zei Marijn en hij ging achter zijn bureau zitten. Hij zette zijn mok koffie bovenop het meubel en staarde haar aan. “Ik wilde ze eerst niet bellen, maar aangezien het even duurde voordat je weer wakker werd…”

Hij zweeg even en Sofia keek hem aan. “Ja?” zei ze ongeduldig.

“Nou ja,” ging hij verder, “heb ik ze toch maar gebeld, maar je was gewoon uitgeput en had genoeg rust nodig. Je moet ook een rauw biefstuk of een koud kompres op je bult leggen.”

“Ik voel er niet echt iets voor om een rauw biefstuk op mijn voorhoofd te leggen. Ik ben daar niet echt...” begon Sofia, maar ze stopte even en dacht na.

“Geschikt voor?” maakte Marijn haar zin af.

“Zo wilde ik het niet echt noemen,” zei ze en ze sloot haar ogen. “Maar het komt er wel een beetje op neer, ja.”

Marijn stond op en zei: “Ik pak wel een koud kompres voor je.” Opnieuw verliet hij zijn kantoor voor de keuken. Hij opende de koelkast en pakte een doorzichtig zakje met blauwe gel erin. Hij keek even uit het raam en zag dat het buiten nog steeds stormde. “Somber,” dacht hij en hij liep naar Sofia.

“Hier.”

Ze pakte het kompres en drukte hem tegen haar bult aan. “Die droom die ik net had,” zei ze en ze probeerde de droom beter voor haar ogen te krijgen. “Dat kan geen droom zijn geweest, want alles zag er zo levendig uit. De vochtigheid, de kou en de vermoeidheid.”

Marijn keek uit het raam van zijn kantoor en zei: “Je hebt vast een griepje opgelopen. Je bent nota bene door deze storm naar mij toe gekomen.” Hij draaide zich om en zag dat Sofia verward was en daarna haar hoofd zachtjes begon te schudden.

“Onmogelijk,” zei ze. Ze stopte vlug met schudden omdat het pijn deed en sloot haar ogen. “Onmogelijk,” herhaalde ze. “Dat griepje is dan wel heel vlug gekomen.”

“Misschien was het griepje eerder aanwezig, zonder dat je het wist.”

Sofia draaide het beeldscherm van de computer naar zich toe. Ze pakte de muis en het toetsenbord en legde de muis op het bureau en het toetsenbord op haar schoot.

Marijn leunde tegen de vensterbank aan en zei: “Daar zal je niet zoveel informatie op vinden. Op de plek waar het hotel heeft gestaan, staat nu een klein museum over het hotel.”

Sofia opende verschillende sites. Ze typte de naam van het hotel in. De naam van de boot en zelfs het zelfmoordbos, maar ze vond er heel weinig informatie over.

“Ik snap er niks van,” zei ze terwijl ze nog steeds verschillende sites opende vanuit Google.

Ze had het koude kompres op haar schoot gelegd, maar het gleed langzaam naar beneden.

Ze greep hem vlug beet voordat hij van haar schoot viel en deponeerde hem op het bureau.

Marijn liep naar Sofia toe, pakte het kompres en drukte hem Sofia’s bult aan.

“Auw,” piepte ze en ze nam het kompres weer over.

“Luister, Sofia,” zei Marijn. “Ik heb het hele internet doorzocht en ik kon niks bijzonders vinden. Het hotel is zo’n vijftig jaar geleden afgebroken en nu hebben ze er een museum ter ere van het hotel gebouwd.”

“Ja, maar,” zei Sofia en ze keek Marijn aan. “Wacht eens, een museum ter ere van het hotel? Wie maakt er een museum ter ere van een hotel?”

“Nou, ja. Het was wel een bijzondere hotel natuurlijk. Er hebben heel wat beroemdheden overnacht en volgens mij zelfs Koningin Juliana nog--”

Sofia greep naar haar mobiel, en na een paar tikken hield ze haar mobiel tegen haar oor aan. “Met Sofia Saqqaf, ik wil een taxi bestellen.”

Marijn draaide zich om en rolde met zijn ogen. Hij stopte zijn handen in zijn zakken en luisterde hoe Sofia een taxi regelde.

“Het heeft toch geen zin, Sofia,” zei hij met zijn tanden op elkaar.

 

Een paar minuten later zaten Marijn en Sofia in de taxi. Sofia had Marijn met veel moeite over weten te halen.

“Ik heb anders toch niks beters te doen,” had hij op een gegeven moment maar gezegd, al was het alleen maar om Sofia’s mond te snoeren.

Het zandweggetje kwam al snel in beeld. De poort was verdwenen, en de taxi reed al hobbelend naar een parkeerplaats. Geen zelfmoordbos. Geen griezelige hutjes. En uiteindelijk kwam het museum in zicht: een betonnen, rechthoekig gebouw zonder charme aan het uiteinde van een klip.

“Dit is onmogelijk…” mompelde Sofia. “Ik dacht toch echt…”

“Volgens mij moet jij je koppie even laten nakijken,” zei Marijn. “Misschien heb je een of ander trauma opgelopen tijdens onze eerdere zaken of ben je inderdaad gewoon oververmoeid. Het is niet makkelijk, werd combineren met school.”

Sofia vond het nog steeds lastig te geloven. Maar ze moest het toch. De nachtmerries, en die laatste, lange droom… al die voortekenen, waren het dan toch hints van haar onderbewuste geweest? Het artikel was geschreven door ene Saqqaf. 13-4-1995, haar geboortedatum, het kamernummer en het jaar van Marijn Borka’s krantenknipsel. Kloefstraat 8, haar oude adres. Dolfijnen, haar lievelingsdieren. Guy Williams als Zorro, haar vroegere crush. Bose headphones… haar eigen stem. En wat verder nog? Er waren zoveel rare dingen geweest die allemaal op haar eigen leven konden slaan. Was het waar wat Marijn zei? Had ze echt een schroefje los zitten?

“Marijn,” zei ze trillerig. “Ken jij een goede psycholoog?”



Wordt vervolgd.