Marijn Borka & De Zwarte Kerst

Proloog

Voor de zoveelste keer in een korte tijd kwam er een telefoontje binnen op het politiebureau.

Inspecteur Zwart zat gestrest achter haar bureau en haar haren zaten in de war.

“Weer een rare inbraak... die na de intocht van sinterklaas gepleegd is,” zei een agent die het kantoor van inspecteur Zwart in kwam lopen.

Inspecteur Zwart keek meteen op en pakte het rapport aan dat aan haar gegeven werd. Ze las hem grondig en zuchtte een keer diep. “Weer via de schoorsteen?” zei ze. “Ik had gehoopt dat dat afgelopen was nu Sinterklaas het land uit is. Het gaat gewoon door.” Ze vloekte een keer en sloeg op haar bureau. “Gaat het nog steeds over die Zwarte Piet van een paar weken terug?”

“Daar lijkt het wel op, mevrouw, en het raarste is dat deze Zwarte Piet alleen werkt.”

“Waar is daar dan zo raar aan?”

“Nou,” zei de agent. “Het had ook kunnen zijn dat ze met een groep te werk gingen.”

Inspecteur Zwart sloot haar ogen en zei: “De gedachte alleen al.” Ze opende haar ogen weer en zei: “Het gaat om kinderzieltjes. De kinderen denken tot nu toe dat Zwarte Piet langs is gekomen. Dat hij snoepgoed ging uitdelen, terwijl hij eigenlijk waardevolle spullen kwam stelen.”

De agent zuchtte een keer. “Mevrouw, als ik mijn mening mag geven…”

Inspecteur Zwart keek hem belangstellend aan.

“Zou het niet kunnen dat het nu om een kerstman gaat? Ik bedoel, dat hij nu verkleed is als kerstman… Aangezien het over een paar weken kerst is.”

De inspecteur dacht na en keek hem aan met haar priemende, donkere ogen. “Goed punt,” zei ze. “Dat kunnen we niet uitsluiten.”

In de verte klonk weer opnieuw het gerinkel van een telefoontje dat overging.

“Even alles op een rijtje,” zei de inspecteur. Ze pakte een pen en papier en begon notities te maken.”We hebben hier met een acrobatische inbreker te maken. Iemand die de daken beklimt en via de schoorsteen huizen binnen gaat. Hij is een paar keer gezien door kinderen en doet zich voor als Zwarte Piet. De kinderen gaan er niet van uit dat het eigenlijk om een inbreker gaat, dus ze geven niks door aan hun ouders. Logisch. Hij geeft kinderen pepernoten en als ze terug naar bed gaan, steelt de dief waardevolle dingen en verdwijnt in de donkere nacht. Geen haan die ernaar kraait -- tot de volgende ochtend.

We weten niet om wie het gaat omdat hij verkleed is als Zwarte Piet en we hebben geen vingerafdrukken omdat hij handschoenen draagt. Wel de afdruk van een schoen, maat 38. Verder hebben wij helemaal niks.”

De agent knikte. “Dat klopt helemaal. Wij zitten in een moeilijke situatie, mevrouw.”

Inspecteur Zwart keek haar notities na toen een andere agent zich haar kantoor in haastte. “We hebben een nieuwe melding, Inspecteur.”

De agent gaf het briefje van de melding aan de inspecteur en ze pakte het aan.

“Een rode glimp verdween in de schoorsteen?” las ze, en ze keek de beide agenten aan. “Zorg dat er een busje klaar staat. We gaan zwaar geschut inzetten.”

De agent die als laatste kwam, liep weer weg.

“Marijn Borka?” zei de eerste agent, terwijl hij inspecteur Zwart met een onderdrukte grijns aankeek.

“Er moet een eind aan die inbraken komen,” zei ze, en ze wees met haar pen op de agent. Zwarte Piet en Sinterklaas zijn al in een verkeerd daglicht gezet, maar ik houd van Kerstmis en daar blijft hij van af. Zorg ervoor dat hij voor Kerst in de cel zit. Ik wil Kerstmis zonder zorgen vieren met mijn gezin.” Ze smeet de pen op haar bureau en keek de agent boos aan.

“Breng Detective Marijn op de hoogte, en van mijn part die troela van een Sofia.”

Hoofdstuk 1: Ongeduldig

In huize Borka was het overal donker en je zag geen hand voor je ogen. Buiten was het licht ook verdwenen; het was 6 uur ‘s avonds.

Het enige wat nog een beetje licht gaf was het beeldscherm van de computer. Marijn zat alleen in het kantoortje aan zijn bureau. Hij liet zijn hoofd op zijn hand rusten, terwijl hij als een zombie naar het scherm staarde. Hij bekeek een aantal berichten van de politie. Hij verveelde zich al weken, want er waren geen klanten meer geweest.

“Altijd hetzelfde liedje met kerstmis,” mompelde hij. “Iedereen is bij hun familie met kerstmis.”

Voor de vijfde keer scrolde hij met zijn muis naar beneden op zoek naar advertenties. Het maakte niet uit wat voor missie het was.

Alleen maar meldingen van voertuigen die in beslag waren genomen kwamen tevoorschijn.

Hij scrolde verder naar beneden en zag een melding over een auto die dubbel geparkeerd stond.

“Alsof dat boeiend is, als iemand paar kilometer te hard rijdt. Of dat iemand zijn auto een paar centimeter naast zijn parkeervak heeft gezet. Ze hebben vast niks beters te doen.”

De intercom van zijn appartement ging over en Marijn riep, zonder op te kijken: “Sofia, wil je de deur open doen?”

Hij kwam een foto tegen en hij ging vlug rechtop zitten, maar het was slechts een foto van iemand die de held had uitgehangen.

Marijn las de titel: Een kindje van de verdrinkingsdood gered.

Teleurgesteld ging hij een beetje voorover hangen, terwijl zijn neus het scherm bijna aanraakte.

De intercom ging nog een keer over.

“Sofia,” riep Marijn. “De deur.”

Het bleef stil. Marijn zuchtte een keer en stond met moeite op. Hij schuifelde op de tast van de muren naar de intercom toe. Hij haalde de hoorn met een gaap van de intercom af en hield het aan zijn oor.

“Ja, wie is daar?”

“Marijn, ik ben het,” klonk het aan de andere kant. “Kun je de deur voor mij open maken?”

Marijn keek op het scherm van de intercom en zag er iets raars op. Het leek erop dat er een storing op zat. Hij gaf een paar flinke tikken tegen de intercom aan. Dat deden ze vroeger toch ook bij een televisie en het werkte altijd.

Het beeld werd echter niet duidelijker en Marijn vroeg: “Wie ben je dan? Mijn scherm is stuk volgens mij.”

“Ik ben het,” zei de stem. “Sofia.”

“Wat doe jij daar beneden? Heb jij je buitengesloten? Nu snap ik waarom jij de deur niet open wilde doen.”

“Ik had twee uur geleden al tegen jou gezegd dat ik naar de winkel ging om een kerstboom te halen,” kreunde Sofia. “Wil je mij alsjeblieft binnen laten, dit is al zwaar genoeg.”

Marijn zuchtte een keer en drukte op een knopje zodat de deur open ging. Met een laatste blik op de intercom zag hij dat de storing plotseling verdwenen was. Stomverbaasd bleef hij naar het beeldschermpje van de intercom kijken.

“Niks meer aan doen,” dacht hij, en hij hing de hoorn terug. Het schermpje ging met een kleine flits uit.

“Stomme elektrische apparaten ook altijd,” mompelde hij in zichzelf en hij liep naar de deur. “In mijn tijd hadden wij nog zo’n kijkgaatje in de deur. Dat waren nog eens tijden. Het was gewoon iets simpels: geen technische bedrading, stekker of andere snufjes.”

Hij tastte met zijn handen in het donker over de muur en vond een lichtschakelaar. Hij drukte op de schakelaar en het licht ging aan. Hij liep mopperend naar de deur toe en opende de deur.

“Alles was beter vroeger.”

Voor de deur stond een grote kerstboom, die een stukje groter was dan de deuropening.

“Alsjeblieft,” zei Sofia tevreden. “Een dennenboom.”

“Dat is een sparreboom,” zei Marijn geïrriteerd. Hij ging met zijn vingers over de takken heen.

“Pardon,” zei Sofia, en ze keek langs de boom naar Marijn. “Nee. Dit is een dennenboom. Ze zingen toch ook dat ene kerstliedje: Oh denneboom.”

“Klopt,” zei Marijn, “want ‘oh sparreboom’ klinkt niet. Daarbij hangen aan dennenbomen ook dennenappels en een echte kerstboom is een sparreboom.”

“Oké oké,” zei Sofia gepikeerd. “Jij je zin. Het maakt ook niet uit. Help mij nou maar mee.”

Marijn bukte zich, pakte de pot waar de boom in stond beet en tilde hem samen met Sofia op en naar binnen.

“Waar moet deze boom naartoe?”

“In jouw kantoortje natuurlijk, waar anders. We moeten alles wel een beetje gezellig in de kerststemming brengen, mochten er klanten komen.”

Ze plaatste de boom in de hoek van Marijn zijn kantoortje.

“Ik geloof niet dat we dit jaar nog klanten krijgen,” zei Marijn en hij liep met zijn handen in de zakken naar de computer. Hij draaide het beeldscherm van zijn computer om en liet het aan Sofia zien.

“Niet een melding op de site van de politie. Niks in de krant of op andere internetpagina's. Noppes. Niks.”

Marijn keek op en zag Sofia de deur van het appartement dicht doen. Ze had tassen bij zich.

“Wat zit er in die tassen?”

Sofia zette de tassen tegen de muur aan waar de kerstboom stond. “Versieringen voor de boom natuurlijk, anders is hij nogal kaal, hè.”

Marijn haalde zijn schouders op, draaide het scherm terug en nam weer plaats op zijn bureaustoel. Hij verdween zonder verder iets te zeggen achter zijn computer. Het had geen zin om een discussie te vormen met Sofia over dit soort dingen. De inrichting en het onderhoud van zijn appartement kon hij maar beter aan haar overlaten. Het was haar taak om de klanten op hun gemak te laten voelen, zodra ze bij Marijn zijn appartement binnen stapten. Het was ongelooflijk wat Sofia allemaal kon.

Marijn kende Sofia nu al bijna een jaar en hij had haar altijd goed geobserveerd. Buitenom dat ze erg knap was, was ze ook geen vrouw die van bepaalde dingen vies was. Ze zag er altijd netjes gekleed uit. Elke keer als Marijn Sofia zag had ze weer een andere haarstijl. Maar buiten dat was ze ook een goede gastvrouw en schoonmaakster. Ze was altijd gastvrij, behulpzaam en spontaan. Marijn wist dat ze later ook kinderen wilde -- ze zou vast een perfecte moeder worden.

Sofia was begonnen met het versieren van de boom. “Trouwens,” zei ze. “Wat was je daarnet allemaal aan het mompelen? Iets over vroeger. Dat vroeger alles beter was?”

“Ja,” zei Marijn. “Ik had een storing op de intercom en nadat ik de deur open had gemaakt, was de storing weer weg.”

Sofia keek even om en zei: “Dat was geen storing, Marijn. Ik had de kerstboom voor de camera gezet, omdat ik even wilde rusten.”

Marijn keek Sofia aan over zijn computerscherm en realiseerde zich hoe hij voor schut stond.

“Laat ik maar koffie zetten,” zei hij uiteindelijk, en hij stond op.

Sofia ging weer verder met versieren.

“Wil je ook nog eten van de app?”

“Ja, goed,” zei Sofia, terwijl ze op haar tenen ging staan om een kerstbal op te hangen.

Marijn pakte zijn mobiel en opende de App Snel Besteld. Hij bestelde voor zichzelf een Kapsalon en voor Sofia een Pizza Hawaii. Nadat hij het avondeten had besteld, drukte hij hard op het knopje van de Senseo apparaat. Hij liep naar het raam toe en keek naar buiten. In de koude buitenlucht begonnen kleine sneeuwvlokjes te vallen.

“Nog twee weken te gaan en het is Kerstmis,” zei Marijn. “Het zal erg rustig worden rond deze periode. Mensen blijven liever thuis of bij familie in plaats dat ze iemand vermoorden.”

“Het idee al,” zei Sofia rillend. “Kerstmis is een dag vol vrede. Als ze respect hebben dan voeren ze niks uit.”

“Niemand is in staat om een slechte daad te doen met Kerstmis, Sofia. Het worden 3 of 4 rustige weken voor mij, geloof mij maar. Volgend jaar in 2017 begint al het gespuis weer, maar tot die tijd gebeurt er helemaal niks.”

Marijn hoorde dat het Senseo apparaat klaar was met water koken. Hij haalde een saaie, witte mok uit de kast en plaatste het onder de compacte machine.

“Ach, kom op,” zei Sofia. “Zo erg is het ook weer niet hoor.”

De koffie stroomde vanuit het Senseo apparaat de mok in en de geur vloeide in Marijns neusgaten.

“Het is ook wel een keertje fijn om een paar weken rustig aan te doen,” vervolgde Sofia. “Zeker aan het eind van het jaar, dat heb je wel verdiend.”

“Misschien heb je wel gelijk,” zei Marijn terwijl hij een klein slokje van de hete koffie nam.

Na goedkeuring van het drankje keek hij weer uit het raam. Het sneeuwde buiten nog steeds en het zag ernaar uit dat alles snel bedekt zou zijn met een wit laagje.

Een half uur later zaten Marijn en Sofia rustig aan tafel te eten.

“Hoe komt het trouwens,” zei Marijn. “Dat je er twee uur over hebt gedaan om een kerstboom en andere dingen te kopen?”

Sofia sneed een stukje van de pizza af en zei: “De eerste verkoper waarbij ik was, probeerde mij een beschadigde kerstboom aan te smeren voor veel geld. Van dat geld kon ik twee van deze mooie volle Nordmannen kopen.” Ze wees met haar vork richting het kantoor waar de kerstboom stond. “Dus ben ik naar een echte boomkwekerij gegaan -- en met succes.”

“Ik wil niet weten waar de bomen van die andere verkoper vandaan komen,” zei Marijn. “Het zal denk ik niet goed zijn, maar als je van het geld twee bomen bij een professionele boomkwekerij kan kopen dan moet het wel een grote oplichting zijn.”

Sofia knikte en stopte het stukje pizza in haar mond.

De intercom ging over en Marijn keek Sofia aan.

“Heb jij,” begon Marijn, maar Sofia haalde haar schouders op en ze keken naar het beeldschermpje van de intercom.

Marijn vloekte zachtjes en zei: “Twee Wouten. Ik herken die gezichten meteen.” Hij bleef even peinzend naar het schermpje staren.

De twee agenten keken een beetje ongemakkelijk om zich heen.Ze zagen er belachelijk uit, zoals ze daar stonden te kijken. Marijn glunderde een klein beetje, want de agenten stonden buiten in de kou te wachten.

Sofia zuchtte een keer, legde haar bestek op tafel en liep naar de intercom. Marijn zag hoe ze de hoorn oppakte. “Goedenavond, wat kan ik voor jullie doen?” Na een paar seconden zei ze: “Oké, kom maar binnen, heren.” Vervolgens drukte ze op het knopje zodat ze in de verte een klik hoorden, wat inhield dat de deur van de inkomsthal open was gegaan.

Sofia keek even Marijn aan en haalde haar schouders op. “Ze willen jou spreken,” zei ze, en ze slenterde naar de voordeur.

Een paar tellen later kwamen er twee politiemannen in complete zwarte uniformen binnen.

Sofia kwam even later met twee extra stoelen aanlopen en de agenten namen de stoelen aan. Ze namen plaats op hun stoel en voordat ze iets konden zeggen zei Marijn: “Jullie weten ook momenten uit te kiezen, hè?” Hij nam een hap van een paar frietjes.

“Dat je dat kunt eten,” zei een van de agenten met een zure blik, en hij wees op Marijns bord.

Marijn keek naar zijn Kapsalon waar de kaas over de friet gesmolten was. “Hoe denk jij dat een maag er van binnen uit ziet als wij klaar zijn met eten? Altijd slechter dan dit.”

Hij prikte met zijn vork opnieuw in een frietje en stopte het in zijn mond. “Was dat alles? Kwamen jullie alleen hier naartoe om je mening te geven over wat ik eet?”

De agent kuchte een keer en zei: “Ehh, nee. Sorry. Ik dacht: omdat we elkaar al lang kennen zijn we een soort van collega’s en kan dit wel... Ehhhh, nou, goed.” Hij schraapte zijn keel en vervolgde: “Wij komen hier namens Inspecteur Zwart. Wij moeten jou op de hoogte brengen en…” Hij keek naar Sofia. “Nou, ja, jullie zitten toch samen bij elkaar, dus ik kan jullie meteen allebei aanspreken.”

Marijn at gewoon door en Sofia had ondertussen weer plaats op haar stoel genomen.

“Het zit namelijk zo,” zei de agent. “Wij worden al bijna een maand geteisterd door een inbreker.”

Marijn keek ze aan. “Wij?”

“Nou ja, dit dorp. Wij hebben al tientallen meldingen binnen gekregen van inbraken en we zijn naar alle meldingen geweest, maar wij komen er niet uit.”

Sofia keek naar Marijn, die net een frietje in zijn mond had gedaan en kennelijk nadacht.

“Is er iets speciaals aan dan?”

De agenten legde de hele situatie uit, precies zoals Inspecteur Zwart vanmiddag had verteld.

“En verder komen we niet,” vervolgde de andere agent. “Iedereen kan zich verkleden als Zwarte Piet.”

Marijn had tijdens het luisteren zijn Kapsalon bijna helemaal opgegeten en zei: “Dit is geen opdracht waar ik op gehoopt had na een paar weken wachten.” Hij at het laatste frietje op en dacht na.

“Goed dan,” besloot hij na een tijdje. “Ik ga deze uitdaging aan.”

De agenten keken tevreden naar Marijn.

“Op een voorwaarde,” zei hij, en de agenten keken Marijn verbaasd aan. “Dat ik niet verkleed ga als Sinterklaas.”

De agenten lachten tevreden en stonden op. “Je zou ons een groot plezier doen en vooral Inspecteur Zwart,” zei een van de agenten.

Ze gaven Marijn allebei een stevige handdruk.

“Oh ja,” zei de andere agent voordat ze weg gingen. “Inspecteur Zwart wil dat hij voor Kerstmis in de gevangenis zit.”

“Ik beloof jullie niks,” zei Marijn. “Maar ik zal mijn best doen.” Hij wuifde naar de agenten dat ze weg konden gaan.

Sofia liep met de agenten mee en liet ze naar buiten.

Marijn stond op en ging tegen de aanrecht aan leunen. “Dat gaat toch echt ver,” zei hij toen Sofia weer terug de woonkamer in liep. “Een inbreker verkleed als zwarte piet gaat via de schoorsteen huizen binnen. Steelt waardevolle spullen en als hij betrapt wordt door een kind, dan geeft hij hem of haar pepernoten.” Hij dacht na en zei: “Zeker om ze om te kopen, zodat de kinderen geloven dat hij alleen maar via de schoorsteen kwam om hun schoentjes te vullen.”

Sofia keek Marijn aan en zei: “En nu hebben ze een rode flits de schoorsteen in zien klimmen. Zou hij nu verkleed zijn als kerstman om via de schoorstenen huizen binnen te gaan?”

“Dat kan,” zei Marijn, “maar daar komen we zo achter.”

Hoofdstuk 2: Kleine fan

De volgende dag stond Sofia al vroeg voor de deur van Marijns appartement. Marijn had de douche aangezet en wilde er net onder gaan staan, toen de intercom over ging. Hij twijfelde eerst voordat hij naar de intercom liep. Het enige wat hij aan had was een boxershort en hij had een handdoek over zijn schouder heen gehangen.

Hij zag op het scherm dat het Sofia was en hij keek op de klok die aan de muur hing. Half acht... “Wat doet zij zo vroeg hier?”

Hij pakte geïrriteerd de hoorn van de intercom en mopperde: “Jij bent al vroeg hier, ik ging net douchen.”

“Ja,” klaagde Sofia. “Ik heb de hele nacht wakker gelegen, Marijn, maar wil je mij binnen laten?”

“Goed dan,” zei Marijn en hij drukte op het knopje waardoor de deur van de hal open ging. Hij hing de hoorn weer terug op de intercom en liep naar de voordeur. Die zette hij op een kiertje, zodat Sofia binnen kon komen, en daarna liep hij naar de badkamer. Hij opende de deur en de warme stoomwolk van de douche zweefde hem tegemoet.

Opnieuw ging de intercom over, en Marijn bleef boos staan. Hij keek even naar de voordeur die op een kier stond in de hoop dat Sofia binnen zou komen. Hij zuchtte en deed de badkamerdeur weer dicht. Deze keer liep hij vloekend naar de intercom. Maar het enige dat hij op het schermpje zag was een klein wollen mutsje met een balletje erop. Geen gezicht. Hij haalde opnieuw de hoorn van de intercom af.

“Wat kan ik voor je doen?” zei hij.

“Hallo, Marijn? Mijn naam is Boris.”

Marijn zag hoe het mutsje heen en weer ging.

“Ik weet niet waar ik in moet spreken, zodat je mij hoort meneer, ik ben maar negen jaar.”

“Gewoon stilstaan en naar de cameralens kijken en praten,” zei Marijn met ergernis in zijn stem. “Wat is er aan de hand, Boris?”

“Laat je mij niet binnen?”

“Nou, ik heb het nogal druk. Is het erg belangrijk?”

“Oh, oké, en ik weet het niet of het belangrijk is.”

Marijn wilde net naar hem gaan schreeuwen over kwajongensstreken toen de jongen verder ging met praten. Ondertussen hoorde hij de voordeur dicht gaan en een paar tellen later stond Sofia bij hem.

“Marijn, je staat--”

Maar Marijn stak zijn vinger omhoog als teken dat ze stil moest zijn. Hij hield de hoorn zo dat Sofia ook kon meeluisteren.

“Het zit namelijk zo, meneer Borka,” babbelde het jongetje. “Vorige week kwam ik Zwarte Piet tegen bij ons thuis. Het was midden in de nacht en hij gaf mij extra pepernoten, maar toen ik de volgende ochtend bij mijn schoentje ging kijken was mijn schoentje niet gevuld.” Hij hield een zakje met een schoen boven zijn hoofd en voor de camera. “Ik heb deze schoen gezet. Ik heb vandaag van mijn ouders gehoord dat ze die dag nog aangifte hadden gedaan tegen die Zwarte Piet. Ze zeiden tegen mij dat hij slechte dingen hadden gedaan. Dat hij ook waardevolle dingen had gestolen.”

“Weten je ouders dat je hier bent?” viel Marijn hem in de rede.

“Ja, wij wonen hier vlakbij. Het is namelijk hier om de hoek.”

Marijn en Sofia zagen zijn vingertje voor de camera dat naar rechts wees.

“En…” Sofia trapte op Marijn zijn blote voet en hield vlug haar hand tegen zijn mond aan voordat hij het kon uitschreeuwen.

“Gastvrijheid, Marijn,” zei Sofia zachtjes. ”Hij staat buiten in de sneeuw en het weer is erg koud, laat hem binnen.”

Marijn keek haar boos aan. Ze sloeg haar ogen ten hemel en nam de hoorn over. “Ga jij nou maar douchen.” Ze wuifde hem weg.

Met veel pijn bleef Marijn onverbiddelijk staan en luisterde met Sofia mee.

Ze zuchtte een keer en ze begon in de hoorn te praten. “Dag, Boris. Ik ben Sofia, wil jij binnen komen?”

“Oh, hallo mevrouw Saqqaf, ja, ik wil graag binnen komen. Mag ik ook in het kantoor van meneer Borka komen?”

“Natuurlijk, jochie, en kom maar binnen.”

“Bedankt mevrouw!” zei Boris opgewonden.

“Als je een klik hoort, dan moet je zo hard als je kan aan de deur trekken.”

“Oké.”

Sofia hield de hoorn aan haar oor om nog even mee te luisteren. Ze drukte daarna op een knopje. Ze hoorde een klik in de verte en een harde kreun.

“Ja, gelukt,” zei Boris. “Ik ga nu naar binnen.”

“Neem maar de trap rechts van je als je binnen bent.”

“Oké,” zei Boris vlug, en ze hoorde de deur weer dichtvallen in de verte.

“Ontvang jij hem maar,” zei Marijn. “Ik ga douchen.”

Marijn zat na een tijdje netjes (voor zijn doen) aangekleed achter zijn bureau en Sofia zat op een stoel naast Boris. De schoen in het zakje lag op het bureau. Boris keek enthousiast in het rond.

“Waarom heb jij je schoen in een zipperzakje zitten?” vroeg Marijn.

“Ik ben een grote fan van politie, detective en alles wat er mee te maken heeft,” zei Boris. Hij keek nu naar het kleine laboratorium.

“Het is hier wel erg klein hè?” zei hij, en hij keek Marijn aan. “Ben je net begonnen met detectivewerk?”

Marijn keek even geïrriteerd naar Sofia, en nadat hun blikken elkaar kruisten, schudde Sofia haar hoofd. “Als je het maar laat, Marijn.” Ze draaide haar stoel naar Boris en keek hem aan.

“Luister, Boris, Marijn is de beste detective die er is hier in Nederland. Hij heeft al zeker meer dan 20 jaar ervaring. De grootte van het bedrijf maakt niet uit, het gaat om het eindresultaat. Dat is het belangrijkste voor dit soort werk.”

“Al goed, al goed,” zei Boris. “Maar op de tv…”

Boris werd onderbroken door Marijn. “Op televisie hebben ze alleen stuntmannen of acteurs die het werk doen, dus alles is nep. In het echt gaat het helemaal anders.”

“Marijn!” siste Sofia. “Hij is 9 jaar oud, hij moet nog van alles leren.”

Marijn keek van Boris naar Sofia en weer terug naar Boris. Vervolgens keek hij naar het zakje waar de schoen in zat en wees erop. “Deze schoen had je gezet op de dag dat jij Zwarte Piet hebt gezien?”

“Klopt,” zei Boris, en Marijn pakte het zakje van zijn bureau.

Marijn keek even naar Sofia, die een keer knikte, en vroeg: “Zal ik jouw schoen onderzoeken?”

“Ja hoor, meneer Borka,” zei Boris blij.

“Je moet weten,” zei Marijn terwijl hij de schoen in het zakje bekeek. “Dat de kans erg groot is dat er geen bewijs is. Kijk, wij werden pas gisteren ingehuurd door de politie zelf.”

Boris keek hem verbaasd met een open mond aan. “De politie vroeg jou om hulp? Ik bedoel, heeft de politie echt jou ingehuurd? Ik dacht dat ze zoiets nooit zouden doen.”

“Dat is ook niet echt hun ding,” antwoordde Marijn terwijl hij de zipper los maakte. Hij hield zijn neus dichtbij het zakje en het leek alsof er verschillende informatie door zijn hoofd ging. “Sofia,” zei hij zo vlug en hardop dat ze ervan schrok. “Maak notitie.” Ze pakte vlug een pen en papier en wachtte op informatie.

“Geen pepernotengeur, maar wel iets anders. De geur ging te snel uit mijn neus.” Marijn snoof wat langer en opnieuw kwam er helderheid in zijn gedachten. “Speculaas en marsepein, die heb jij niet van de inbreker gekregen.” Hij wees vlug op Boris.

“Nee, klopt. Ik…”

Maar Sofia zei vlug: “Even stil zijn, Boris.” Terwijl ze notities maakte.

“Met de geur van pepernoten bedoel ik iets anders,” zei Marijn. “Als een inbreker jou pepernoten geeft en in jouw schoen zou stoppen, dan zou de geur van pepernoten aan je schoen hangen en dat is niet zo. Hij kwam niet eens in de buurt.”

“Dat weet,” begon Boris, maar Sofia maande Boris opnieuw tot stilte.

“Boris, je moet stil zijn, dan kan Marijn goed nadenken.”

Boris keek haar aan en zei alleen zachtjes: “Sorry.”

“Er hangt wel een geur van roet en as aan,” ging Marijn verder. “Dat komt van een schoorsteen af. Maar de inbreker kwam niet in de buurt van deze schoen. De schoen stond wel in de buurt van een open haard, maar de inbreker ging niet langs de schoen die bij de open haard stond.” Hij dacht diep na en zei: “Dat klopt niet.” Hij herhaalde het nog een keer in het kort. “Schoen bij haard, inbreker niet bij schoen en kwam toch via de haard naar binnen. Vreemd.” Hij bleef de zin maar herhalen en herhalen.

“Jouw schoen stond niet bij jouw open haard. Het stond bij een kleine metalen kachel in een andere ruimte, klopt dat?”

“Ja. Dat klopt, meneer,” zei Boris. “Maar wat heeft dat ermee te maken, meneer?”

“Alles,” zei Marijn terwijl hij vooruit staarde. “Ik ruik ook een wortel of een peen, ik neem aan dat dat voor het paard van Sinterklaas was?”

“Ja, en die was wel weg, maar er zat niks in mijn schoentje,” zei Boris met een droevig gezichtje. Het kleine jongetje begon bijna te huilen. “Ik ben dit jaar heel erg lief geweest en ik kreeg niks in mijn schoentje.”

Marijn keek naar Sofia en Sofia begon Boris te troosten. “Hey, lieverd. Het gaat hier ook om een inbreker die zich verkleed heeft als Zwarte Piet. Die inbreker heeft niet alleen mensen voor de gek gehouden, maar ook Sinterklaas. Marijn gaat ervoor zorgen dat deze inbreker in de gevangenis terecht komt, goed?” Sofia knuffelde Boris en streelde door zijn haren. “Het is niet jouw schuld, Boris, echt niet.”

Boris veegde zijn tranen weg met de mouw van zijn jasje en zei: “Nee, het is niet mijn schuld.”

“Precies,” zei Sofia. “Voel jij je alweer beter?”

Hij knikte en zei schor: “Ja.”

“Goed dan,” zei Marijn. “Ik bewaar jouw schoentje hier, mocht ik hem nodig hebben.”

Boris was wat opgevrolijkt. “Ja, goed.” Hij stond op van zijn stoel en vroeg: “Mag ik even rondkijken in uw kantoor, meneer Borka?”

“Natuurlijk,” zei Sofia voordat Marijn iets kon zeggen. “Maar nergens aankomen hoor, alleen kijken.”

Marijn stond ook op en liep naar het Senseo-apparaat in de keuken. Sofia volgde zijn voorbeeld en sloot de keukendeur achter zich.

“Ik heb onvoldoende informatie met die schoen,” zei Marijn en hij drukte op het knopje van het koffieapparaat, zodat het water begon te koken.

“Marijn,” zei Sofia. “Je deed het heel goed waar Boris bij was. Als hij maar het idee krijgt dat er iets aan gedaan wordt of dat hij je helpt met een begin, dan is hij al tevreden.” Marijn dacht even na maar voordat hij iets kon zeggen, vervolgde ze: “Het gaat om het gebaar voor hem, hij is een fan.”

“Ik ga bij ze thuis beginnen,” zei Marijn vlug.

“Nee. Je hoeft niet per sé bij hem thuis zoeken als je dat niet wilt. Het gaat erom dat hij denkt dat hij behulpzaam is geweest. Dat is belangrijk voor kinderen: ze willen dingen leren en in dit geval wil Boris dingen van jou leren, je zag hoe enthousiast hij om zich heen keek.”

“Even wachten, Sofia,” zei Marijn. “Er is volgens mij iets in het huis van Boris. Het is niet om hem tevreden te houden of om iets aardigs te doen, maar er zit daar iets. Roet laat meer zien dan je denkt.”

Sofia keek hem even aan en checkte toen op de ietwat retro klok boven de koelkast. Die gaf half 9 aan en ze schrok zich een ongeluk. “Boris zijn school,” zei ze kortaf. Ze verliet snel de keuken en ging het kantoor van Marijn in.

Boris stond enthousiast naar het kleine laboratorium te kijken. “Dit is echt heel mooi. Zo te zien is het setje zo ook compleet voor belangrijke dingen.”

“Boris,” zei Sofia. “Moet jij niet naar school?”

Boris deed zijn mouw zo opzij zodat zijn horloge tevoorschijn kwam en keek er op. “Oh ja. Ik ben wel op tijd hoor, maak je geen zorgen.” Hij zette zijn mutsje op en trok zijn handschoenen aan.

Sofia liep met Boris naar de voordeur om hem eruit te laten.

“Dankjewel, mevrouw Saqqaf,” zei Boris en hij zwaaide naar Sofia. “Tot de volgende keer.”

“Dag lieverd.” Sofia deed de deur dicht en keek plagerig naar Marijn. “Wat is het een schatje. Daar kan zelfs jij nog veel van leren.”

“Ha, wacht maar tot hij ouder wordt,” zei Marijn en hij dronk zijn kop verse koffie leeg.

Hoofdstuk 3: Zo zwart als roet

Rond half vier trok Marijn zijn bruine jas aan, pakte zijn leren etui (waar al zijn spullen in zaten) en liep naar de voordeur. Sofia liep achter hem aan met een tasje.

Marijn draaide zich om en keek van de tas naar Sofia. “Wat zit er in de tas?” vroeg hij.

“Dat zie je straks wel,” zei ze mysterieus.

Ze verlieten het appartement en stapten de late herfstkou in. Marijn trok zijn kraag omhoog en stopte zijn handen in de zakken van zijn jas. Het sneeuwde nog steeds een beetje en de grond was al wat bezaaid met wit.

Sofia deed haar muts op en ze liepen richting het huis van de familie van Boris.

“Zou de inbreker gewapend zijn?” vroeg Sofia en ze keek naar Marijn.

“Ik denk het niet,” zei Marijn. “Maar je weet nooit wat er in zijn of haar hoofd afspeelt.”

Sofia keek naar de grond en zei: “Ik hoop niet dat hij een wapen bij zich heeft, ik wil goed de kerst en oud-en-nieuw door komen.”

“Jouw geloof is de Islam, dan doe jij toch niet aan kerstmis?”

“Ons geloof heeft geen kerstmis, maar ik doe wel mee voor de gezelligheid. Ik vind het leuk om een kerstboom te versieren of een kerstman te bezoeken. Dat heeft niks met Jezus te maken, dus het mag. Weinig moslims weten daar maar van of ze willen er niks mee te maken hebben.”

Marijn knikte zijn hoofd en zei: “Je hebt gelijk wat Jezus betreft, Jezus heeft niks met kerstmis te maken.”

“Waarom zeggen ze het dan?” Sofia snoof hard om haar loopneus in bedwang te houden.

Marijn haalde zijn schouders op. “Niemand weet precies wanneer hij geboren is en er is ook nooit bewijs voor gevonden. Het lijkt mij sterk dat een klein kindje in hartje winter in de sneeuw en vrieskou is geboren en zo in de kribbe heeft gelegen, dat kind vriest dan dood. Ik geloof eerder dat hij in juli is geboren. Zoiets staat weer op internet, maar ook daar heb ik mijn twijfels over, maar ik geloof dat wel eerder. Maar zoals ik al zei, ze hebben weinig bewijs ervoor. Het is wel zo dat kerstmis door Christenen wordt gevierd vanwege de geboorte van Jezus Christus. Ik vind dat het het niks met Jezus Christus te maken heeft, maar dat is mijn mening.”

Ze liepen langs een rij huizen..

“Er zijn tientallen huizen naast elkaar,” zei Marijn, die naar een ander onderwerp ging. “Genoeg huizen om in te breken.”

Terwijl hij over de daken tuurde zocht Sofia het juiste huisnummer. Ze kwamen al snel bij het huis van Boris aan en Sofia belde aan.

Marijn zag dat er een gordijn opzij werd gedaan en Boris keek hen aan. Hij lachte naar Marijn en verdween weer.

Een vrouw deed de deur open en vroeg: “Kan ik iets voor jullie doen?”

“Detective Marijn Borka en mijn assistente Sofia Saqqaf, mevrouw,” zei Marijn. “Wij komen vanwege de mysterieuze inbraak van een paar weken terug. Mogen wij even binnen komen?”

“Ja, natuurlijk,” zei de mevrouw. Ze gaf Marijn een hand. “Mijn naam is Kim.”

“Aangenaam, Kim,” zei Marijn en ze liepen naar binnen. “Uw zoon is vanochtend vroeg al bij ons geweest met zijn schoen. Gelukkig was ik net wakker.”

Ze liepen de woonkamer in, waar de open haard stond. Hij was omsingeld door paaltjes en pylonen, wat het werk van Boris geweest moest zijn. Aan de paaltjes en pylonen hing een lang lint met de tekst: ‘politieonderzoek, verboden toegang’ erop.

“Het spijt me enorm, Detective. Mijn zoontje is altijd erg enthousiast over politiefilms en vooral als er een detective in voorkomt.”

Marijn deed zijn handschoenen aan en toverde zijn leren etui tevoorschijn. Hij zipte de rits van de etui open en haalde een vergrootglas eruit. Daarna pakte hij een lampje.

“Hij was ook wel blij dat er bij ons ingebroken werd,” ging Kim verder. “Hij weet dat er dan politie zou komen voor onderzoek.”

Marijn luisterde half en gaf een pen en een notitieblokje aan Sofia.

“Nu bent u ook nog gekomen, meneer Borka, en dat is extra speciaal voor hem.”

“Aha,” zei Marijn kortaf. Hij legde de etui op het tafeltje neer.

“Heb je misschien iets nodig,” zei Kim, die Marijn raar aankeek na zijn botte reactie.

“Ik kan wel een ladder gebruiken. Ik wil straks ook nog het dak controleren.”

“Sorry, daar kan ik je niet mee helpen, maar mijn man werkt bij de brandweer, misschien kan hij wel tijdelijk voor een hoogwerker zorgen.”

“Zolang ik maar op het dak en bij de schoorsteen kan vind ik het prima.”

Sofia liep naar Boris toe en zei: “Ik heb nog een kleine verrassing voor jou.”

Ze liepen samen naar een bank en gingen zitten. Sofia haalde een kleine detectivehoed uit haar tas en een vergrootglas voor kinderen.

“Woow,” riep Boris vrolijk en hij pakte het hoedje aan. Hij zette het op zijn hoofd. “Nu ben ik een echte detective, mama.”

Sofia gaf hem ook het vergrootglas en hij liep naar zijn moeder om het te laten zien.

Marijn liep naar de open haard en stapte over het lint heen.

Kim had haar zoontje naar buiten gestuurd zodat hij kon spelen met zijn nieuwe speelgoed. Ze liep naar Marijn en Sofia toe.

“Ik heb sinds de inbraak niks meer aan de open haard gedaan,” zei ze. “Ik vond dat het beste voor mijn zoontje, hij is er zo trots op dat hij zoiets mag meemaken. Voor mij en mijn man is het een hel, ik slaap sindsdien heel erg slecht. Het idee dat iemand aan je privé-eigendommen komt. Of je huis binnentreedt. Ik voel me niet meer veilig ‘s nachts, maar gelukkig pakt Boris dit goed op. Dat is het belangrijkste.”

Sofia knikte en keek naar buiten hoe Boris vrolijk op en neer rende. Af en toe viel het hoedje van zijn hoofdje af, dan kwam hij terug lopen om het hoedje terug op zijn hoofd te zetten.

Marijn bekeek de open haard grondig met een vergrootglas. Her en der lag as over de grond verspreid. Marijn kroop over de grond en volgde de sporen, die naar het gangetje leidden.

De afdrukken in de gang werden met de stap minder zichtbaar.

“Waarom heb je deze afdrukken niet opgeruimd?” vroeg Sofia. “De inbraak is twee weken geleden al gebeurd.”

“Ik weet het,” zei Kim. “Zoals ik al zei, ik doe het voor Boris.”

Sofia keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan.

“Ja, ik weet het,” vervolgde Kim nadat ze Sofia naar haar zag kijken. “Ik verwen mijn zoon te veel. Mijn man raakt ook geïrriteerd en vraagt constant wanneer ik die sporen ga verwijderen.”

Marijn stond op en zei: “Het is goed voor mij dat je de sporen niet hebt verwijderd. Ik denk dat ik al iets heb gevonden.”

Hij greep naar Kims hoofd en trok een haartje eruit.

“Au,” riep Kim en ze hield haar hand tegen haar hoofd. Boosheid flikkerde in haar ogen. “Waarom deed je dat?”

Marijn haalde een klein zakje uit de borstzak van zijn blouse en stopte het haar van Kim erin. Hij pakte een nieuw zakje en ging op zijn hurken zitten. Sofia en Kim keken hoe hij iets van de grond pakte en dat ook in een zakje stopte. Hij stond op en vroeg: “Hebben jullie huisdieren?”

Kim wreef nog even over haar hoofd voordat ze antwoord gaf. “Nee, we hebben geen huisdieren. Ik ben er niet zo weg van. Dieren horen buiten in de natuur en niet in huis.”

“In de natuur?” vroeg Sofia geërgerd. “Hoezo, ‘in de natuur’?”

Marijn sloeg zijn ogen ten hemel en liep naar buiten om het dak te bekijken. Sofia en Kim kwamen al pratend achter hem aan.

“Gewoon hoe ik het zeg,” zei Kim.

“Honden stammen van wolven af, poezen van tijgers, vissen komen uit meren en ga zo maar door.”

Marijn kapte ze af. “Dames, dames,” zei hij streng  Laten wij concentreren op de inbraak en Sofia: deel je mening buiten je werk, niet tijdens het werk.”

“Sorry, Marijn,” zei Sofia en ze keek Kim boos aan.

“Sofia,” riep Marijn kortaf. Hij keek streng naar Sofia die vlug naar Marijn keek.

“Ik zag je wel kijken,” zei hij. “Ik kan gezichtsuitdrukkingen lezen, dat hoort ook bij mijn werk. Concentreer je op het werk, wij zijn professionele mensen.”

Sofia begon te blozen en staarde naar de grond. “Het spijt me,” zei ze.

Marijn keek weer naar het dak.

“De inbreker moet wel een goede acrobaat zijn om over deze gevaarlijke daken te lopen en balanceren,” zei Sofia engelachtig.

Marijn merkte dat Sofia stond te slijmen, om het goed te maken met haar gedrag. “Natuurlijk moet het om een acrobaat gaan,” zei hij geïrriteerd. “Als de acrobaat over een koord kan lopen, dan is een dak geen probleem.”

Terwijl hij het dak aan het bestuderen was hoorden ze een vrachtwagen stoppen. Het geluid van zwaar geronk en het sissen van de cilinders in de motor, sloegen af.

Kim liep om het huis heen en kwam even later terug met twee brandweermannen. “Ik wilde je net gaan bellen, schat,” babbelde ze. Een van de brandweermannen had zijn arm om haar schouders geslagen.

“Dit zijn detective Marijn Borka en zijn assistente, Sofia Saqqaf. Ze zijn hier vanwege de inbraak van een paar weken terug.”

“Aah,” zei de brandweerman, en hij gaf Sofia een hand. “Mijn naam is Jan,” zei hij.

Sofia schudde Jans hand. “Aangenaam, ik ben Sofia, de assistente van Marijn.” Ze wees op Marijn, die nog steeds het dak aan het bestuderen was.

Jan wilde Marijn een hand geven, maar Marijn gaf geen kick.

Sofia keek even Marijn aan en zei: “Hij is nu even in een trance, dit is nu ook iets nieuws voor mij.”

Jan liet zijn hand weer zakken.

Sofia keek even twijfelend naar Marijn.

“We hadden vandaag een schoorsteenbrandje en ik dacht meteen aan onze schoorsteen,” vertelde Jan.

“Nou,” zei Kim. “Daarnet had Marijn het over een ladder en ik wilde je nog bellen of je een hoogwerker kon regelen.”

“Nou, dan komt dat goed uit. Kees en ik zijn hier met een hoogwerker.”

“Perfect,” riep Marijn plotseling, waardoor iedereen schrok. Hij was overduidelijk uit zijn trance gekomen. “Waar is de hoogwerker?”

Na een tijdje stond de hoogwerker in zijn positie en hing de platform boven het dak. Marijn, Sofia en Jan zaten in de bak en droegen alle drie een veiligheidshelm. Ook hingen ze aan een speciale koord vast.

Marijn bestudeerde de schoorsteen aandachtig.

“Wat moet het geweldig zijn om een brandweerman te zijn,” zei Sofia opgewonden. “Moet je zien, wat een mooi uitzicht over ons dorp.”

“Het heeft zo zijn charmes, ja,” zei Jan lachend.

Marijn keek even in het rond, deed het deurtje van het platform open en liep een stukje over het puntige dak.

“Hey, wat ga je doen?” vroeg Jan, en hij keek ietwat benauwd naar Marijn.

Marijn bereikte de schoorsteen en zei: “Ik ga de schoorsteen beter bestuderen. Dichter dan dit kun jij toch niet komen met die hoogwerker..”

“Nou ja, ik dacht dat jij alleen het dak wilde bestuderen,” zei Jan snel. “Als ik van tevoren had geweten dat jij de schoorsteen wilde bestuderen, dan hadden wij ervoor gezorgd dat je dichter bij de schoorsteen zou komen.”

“Ik ben hier maar eventjes.” Marijn draaide zich om en keek naar de binnenkant van de schoorsteen. “Het kan goed zijn dat wij via de schoorsteen naar beneden moeten.” Hij pakte zijn vergrootglas en bestudeerde een afdruk.

“Wat?” vroeg Jan verbaasd. “Daar passen wij nooit in. Jij bent te fors, ik ben te breed en ik denk niet dat Sofia de schoorsteen in wil gaan.”

“Echt niet,” zei Sofia, en er klonk een beetje angst in haar stem.

Marijn deed zijn vergrootglas weg en zei: “Ik heb ook niet gezegd dat wij er doorheen gaan. Ik ken iemand die dit wel graag zou willen doen. Iemand die hier zonder moeite doorheen kan.”

“Oh ja?” vroeg Sofia. “Wie dan?”

Marijn draaide zich voorzichtig om en keek Jan en Sofia opgewekt aan. “Onze kleine fan, Boris.”

“Oh nee, echt niet,” zei Jan en hij schudde zijn hoofd. “Dat gaat hem niet worden.”

Marijn liep voorzichtig terug richting het platform en vroeg: “Waarom dan niet?”

Jan keek Marijn aan en hielp hem de korf weer in.

Marijn stopte zijn vergrootglas terug in zijn etui en zei: “Het enige wat hij bij zich moet hebben is een helm met lamp en camera, en een masker om door te ademen. Ik neem aan dat jij dat hebt, Jan?”

Jan knikte.

“Verder heeft hij een stuk touw nodig om zich vast te binden zodat wij hem naar beneden kunnen laten zakken.”

Jan bleef hem even bedachtzaam aankijken.

“Het is maar eventjes.”

Jan gebaarde zijn collega om de platform te laten zakken. “Nou, goed dan. Ik denk dat het ook geen kwaad kan. Boris, jongen, kom eens naar mij toe.”

Boris liep naar zijn vader toe en vroeg: “Wat is er, pap?”

Jan stapte uit de korf van de hoogwerker. “Wij hebben jou nodig. Wat vind je ervan om via de schoorsteen naar binnen te gaan? Net als een Zwarte Piet.”

“Ik heb geen zin daarin,” zei Boris. “Ik wil verder gaan met detective spelen.”

“Het is voor het onderzoek. Dus je bent als het ware een detective.”

“Ik doe mee,” zei Boris vlug terwijl hij zijn hand op stak.

Jan liep naar de cabine van de hoogwerker toe en Marijn zag dat hij zijn mobieltje oppakte en begon met bellen. Even later kwam hij terug met een helm en een tuigje met een dik touw.

“Ik heb natuurlijk niet alles bij me in mijn hoogwerker,” zei Jan. Hij zette de helm op Boris zijn hoofd. “Ik heb net de kazerne opgebeld en er komt dadelijk een busje met een klein beademingsmasker en een luchttank. Er zit een camera en een lamp aan deze helm bevestigd, dus wij kunnen dadelijk, als Boris via de schoorsteen gaat, met de tablet meekijken. De tablet nemen ze ook mee met het busje. Dus alles wat jij nodig hebt, komt dadelijk deze kant uit.”

“Perfect,” zei Marijn. Hij liep om het huis; wandelde over de stoep langs alle huizen van de straat en bestudeerde de daken opnieuw. “Waar ben jij op het dak geklommen,” mompelde hij. “Laat je zien.”

Hij liep een smalle brandsteeg in, tussen twee gebouwen in. Hij kwam een schutting tegen, klom er tegen op en keek er over heen. Hij zag een netjes bijgehouden tuintje met een vijvertje en een schuurtje. Niemand thuis zo te zien, dacht hij, en klauterde over de schutting. Hij rende door de tuin en sprong tegen de volgende schutting aan, bleef eraan hangen en keek opnieuw om zich heen. Een tuin die helemaal kaal was en open lag. Overal waar hij keek was alleen maar zand. Grote verbouwing, waarschijnlijk.

Hij sprong opnieuw over de schutting en liep op zijn tenen over het zand heen. Zo beklom hij nog zes schuttingen en uiteindelijk klom hij over die van Kim en Jan.

“Niks,” mijmerde Marijn terwijl hij op de grond sprong.

“Waar kom jij ineens vandaan?” vroeg Sofia.

Marijn klopte zijn jas af en zei: “Ik heb meer aanwijzingen proberen te zoeken, maar dat viel niet mee. Ik kon helemaal niks vinden.”

Sofia keek Marijn aan en voordat ze iets kon zeggen kwamen er een paar brandweermannen aanlopen. Er stonden nu vijf brandweermannen in de achtertuin van Jan en Kim.

Twee van hen hielpen Jan om Boris in een tuigje te zetten met een gordel. Er ging een touw door de gordel heen en het kleine jongetje stond helemaal klaar.

Marijn ging samen met Jan en Boris terug naar het dak. De andere brandweerman die met Jan mee was gegaan, bestuurde de arm van de hoogwerker en bracht het platform naar de schoorsteen.

Kim en Sofia liepen naar binnen en de overige brandweermannen stonden vanaf de grond te kijken.

Jan zette Boris op de schoorsteen. Het ene uiteinde van het touw zat aan Boris vast en het andere uiteinde aan de korf van de hoogwerker. “Ik laat jou dadelijk heel langzaam zakken, Boris. Jij hebt een camera met microfoontje eraan op je helm, dus wij kunnen alles volgen op deze tablet. Wij kunnen ook samen met elkaar communiceren.” Hij zette een masker op Boris zijn gezicht. “Dit masker en het tankje op jouw rug zorgen ervoor dat jij goed kan ademen.”

Jan controleerde alles goed en ze hoorden een ademhaling uit het masker komen. “Kun je goed ademen?”

Boris knikte enthousiast en stak zijn duim omhoog. “Dit vind ik echt leuk, zeg,” zei de jongen.

“Goed dan,” zei Jan, en hij klonk opgelucht. “Papa laat jou zo zakken, het enige wat jij moet doen is om je heen kijken. Dan kunnen wij alles goed zien.”

“Het is toch erg donker in de schoorsteen?” vroeg Boris. “Woow, mijn stem klinkt nu heel anders.” Hij giechelde.

“Dat is niet erg, Boris, niks van aantrekken. Dat hoort erbij. Dit lampje,” Jan deed een lampje aan de helm aan, “zorgt voor al het licht om jou heen.”

Boris keek in de schoorsteen en zei: “Wow, de schoorsteen is helemaal zwart.”

“Zo zien alle schoorstenen eruit, Boris, heb je nog vragen?”

Boris schudde zijn hoofd en de helm wiebelde een beetje mee.

“Goed dan, daar ga je. Oh ja, en mama is beneden. Goed?”

Boris knikte.

Jan liet Boris langzaam door de schoorsteen naar beneden gaan en Marijn keek op de tablet. De beelden gingen langzaam rond in de schoorsteen.

“Dit is echt leuk,” zei Boris lachend. De beelden wiebelden een beetje.

“Niet te veel bewegen,” zei Marijn. “Anders missen we iets.”

“Ik heb hier iets gevonden,” zei Boris.

Het beeld op de camera bewoog naar voren en er kwam een stuk van een blauwe veer zichtbaar.

“Dat is een deel van zo’n veer van de barret van Zwarte Piet,” zei Jan.

“Neem de veer maar mee, Boris,” zei Marijn. “Die kunnen wij wel gebruiken.”

Na een tijdje klom Boris uit de open haard met behulp van de brandweermannen.

Jan hoorde ze in de verte tegen hem zeggen: “Haal het touw maar op, Boris is uit de gordel.” Jan rolde het touw op en na een tijdje ging de platform van de hoogwerker weer naar beneden.

Eenmaal binnen zag Marijn dat Boris helemaal onder het roet zat. De brandweermannen waren nog steeds met hem bezig. Het masker en de helm gingen van zijn hoofd af.

“Bedoelen ze dit met het sinterklaasliedje: Zwarte Piet zo zwart als roet, mama?” vroeg Boris.

“Ja,” zei Kim. “Daarom noemen ze dat dus zo.”

Boris knikte zijn hoofd en zag Marijn. “Ik heb hier de veer nog, meneer Borka.” Hij hield de veer omhoog en Marijn liep naar hem toe.

Marijn pakte de veer aan en zei: “Dankjewel, knul, je was erg dapper. Nu zijn wij al een stukje dichterbij de inbreker.”

“Ga jij maar even douchen, jongeman,” zei Kim tegen Boris, en ze liepen samen naar boven.

Marijn liep met de veer naar buiten, de tuin in, en werd gevolgd door Sofia.

“Weet je zeker dat wij dichter bij de inbreker zijn, Marijn,” vroeg Sofia.

“Nee, ik weet het niet zeker, maar elk bewijsmateriaal is mooi meegenomen.”

Jan kwam even naar buiten en vroeg: “Mogen we ons huis nu wel schoonmaken?”

Marijn keek op. “Ja, ik ben klaar hier, je mag je huis nu wel schoonmaken. Wij gaan ook naar huis, stuur de rekening maar op.” Hij bekeek de veer en stopte het in een zipper.

Sofia zag Boris uit het raam van de badkamer kijken en ze zwaaide naar hem. Boris zwaaide lachend terug en Marijn liep samen met Sofia naar huis.

 

Hoofdstuk 4: Op de hielen

De volgende dag stond de politie al heel vroeg in het kantoortje van Marijn. Inspecteur Zwart was er deze keer ook bij. Ze zat aan het bureau tegenover Marijn en ze keken elkaar streng aan.

“Waar is die secretaresse van je?” zei Inspecteur Zwart.

“Pardon,” zei Marijn. “Mijn wat?”

“Die troela van een Sofia!”

“Sofia is mijn secretaresse niet. Ze is mijn assistente, je weet wel. Een collega. En Sofia is momenteel op school; ze heeft morgen een belangrijke toets, dus ik heb haar een paar dagen vrij gegeven.”

“Wat studeert ze eigenlijk?” vroeg Inspecteur Zwart truttig.

“Wat gaat jou dat nou aan?” reageerde Marijn bot. “Ten eerste is dat privé en valt het buiten ons werk om en ten tweede heb je haar nooit gemogen.”

“Jawel,” zei de Inspecteur opeens poeslief.

“Lieg jij ook altijd tegen je collega's,” viel Marijn haar in de rede. Hij bleef haar streng aankijken. Voordat ze iets kon zeggen, zei hij: “Dacht het niet. Je bent gestrest en jaloers. Jouw haar zit niet zo goed vandaag. Jij hebt normaal je haar mooi in een scheiding zitten en nu heb je er vlug een paardenstaart gemaakt, maar je hebt er wat haartjes uitsteken. Je hebt vannacht slecht geslapen en je hebt zo snel je haar gedaan, dat het niet goed zit.”

Marijn praatte zo snel dat inspecteur Zwart het moeilijk kon bijhouden.

“Jouw oogmake-up is wat uitgelopen door zweet en dat zo vroeg in de ochtend. Je hebt je snel naar hier gehaast om mij te spreken. Dat is nogal logisch als jij de hele nacht hebt lopen piekeren.” Hij wees op Inspecteur Zwarts hand. “Je bent zelfs je trouwring vergeten om te doen.”

De Inspecteur schrok en keek naar haar vingers, en inderdaad - er zat nu alleen nog maar een witte afdruk op haar huid, daar waar een ring had gezeten. Ze vloekte zachtjes en keek naar de agenten achter haar.

“Ik weet waarom jij hier bent,” Inspecteur Zwart keek Marijn weer aan, “jij verwacht een rapport of een telefoontje van mij, omdat jij ook vreest dat ik de inbreker niet te pakken kan krijgen. Jij hebt niet zoveel bewijs en het gaat ten eerste om een Zwarte Piet, dat maakt de boel inderdaad al een stuk lastiger aangezien hij handschoenen draagt. Ten tweede kan de inbreker overal komen, omdat het om een acrobaat gaat. Dan kun je misschien beter circussen afgaan.”

“Maar er moeten ook rapporten gemaakt worden en ik verwacht alleen nog een rapportage van jou,” zei de Inspecteur.

Marijn kuchte. “Denk je soms echt dat ik jou elke keer een berichtje stuur wanneer ik iets weet? Ik heb te weinig aanwijzingen, om deze inbreker op te sporen. Het enige wat ik heb…” Hij opende een la van zijn bureau en haalde twee zipper zakjes uit de la. Hij gooide de zakjes op tafel. “...Zijn deze stukjes veer die uit een schoorsteen komen en een schoen van een kind. Dit is alles wat ik heb. Ik ben ook niet ver gekomen, maar wat dacht je? Ik ben al een dag bezig en ik heb al meer aanwijzingen dan jij en weet je wat ik het grappigste vind?”

Inspecteur Zwart keek hem nog steeds boos aan en schudde haar hoofd.

“Deze twee aanwijzingen zijn gevonden door een negenjarig kind.”

Marijn zag in zijn ooghoek dat een agent zijn oortje dieper in zijn oor stopte. Alsof er iets belangrijks op de portofoon te horen was.

Inspecteur Zwart, die dat niet zag, pakte het zakje op met de schoen erin.

“Je mag foto’s maken. Je mag het eruit halen. Je mag notities maken. Je mag het helemaal bestuderen, maar je mag het niet meenemen. Ik heb ze nog steeds nodig, het kan nog steeds van pas komen.”

“Hoe weet je dat het nog van pas kan komen?” kaatste Inspecteur Zwart terug. “Je hebt alleen een veer en een schoen.”

Marijn zuchtte en zei: “Deze twee aanwijzingen kunnen misschien wel honderden betekenissen hebben, maar je moet de puzzelstukjes wel op de juiste plek leggen.”

“Waar heb je het over?”

“Het moet allemaal overeenkomen.” Marijn veegde koeltjes wat pluisjes van zijn trui af. “En dan over het woordje troela,” ging hij verder. “Sofia kan misschien wel een jonge studente zijn of een beginner, maar zij heeft in een jaar tijd al veel van mij geleerd. Ik heb geen betere assistente gehad dan Sofia.”

“Zij is ook jouw eerste assistent,” antwoordde inspecteur geïrriteerd. “Ik heb jou veel assistenten aangeboden --zelfs over heel Europa-- en jij kiest dat dom wicht van een Sofia.”

“Je weet dondersgoed dat ik geen agent als assistent wil hebben, zei Marijn boos. “Ze willen alles meteen controleren en ze doen alles volgens het boekje. Lopen me altijd in de weg, ik heb dat allemaal niet nodig. Ik wil een soepel iemand en het is niet verkeerd om een studente te hebben. Die leren weer nieuwe dingen die ik nog niet ken en Sofia is de juiste aangewezen persoon.”

Inspecteur Zwart snoof met haar neus. “Goed dan,” zei ze, en ze stond op. “Goed dan.” En ze keek Marijn aan. “Ze moet dan wel goed haar best doen om dit werk en schoolwerk bij te houden.”

“Dat is tussen ons al lang geregeld, Inspecteur, en daarbij is dat mijn verantwoordelijkheid en niet de jouwe.”

“Totaal geen manieren,” mompelde de Inspecteur.

“Wij hoeven ook geen vrienden te zijn en je weet wat ik heb gezegd vanaf het begin. Ik ga niet bij jullie in dienst en als ik erachter kom dat jij Sofia slecht behandelt, waar je haar ook tegen komt - dan gaan we een zwaar gesprek beginnen… hogerop.”

Inspecteur Zwart draaide zich boos om.

‘’Vergeet je ring niet,’’ riep Marijn haar na.

Nadat Inspecteur Zwart zijn appartement had verlaten haalde Marijn zijn mobiel tevoorschijn en stuurde Sofia een appje dat zij vannacht rond elf uur aanwezig moest zijn.

Die avond stond Sofia buiten voor de deur. Het was erg donker buiten, al werden de straten wel mooi verlicht met de gele kleuren van de lantaarnpalen. Ook waren er al veel kerstversieringen te zien die de duistere buurten opvrolijkten.

Marijn deed zijn jas aan en wilde net naar buiten gaan toen de intercom over ging. Hij zuchtte en verliet gewoon zijn appartement. Hij liep de trap af en zag door het raam dat Sofia buiten in de sneeuw stond. Hij zag haar naar hem kijken en toen hij de deur open deed begroette Sofia hem enthousiast.

“Ik heb net twee zware toetsen achter de rug, maar ik denk dat ik het wel goed heb gedaan.”

Marijn liep naar buiten en de sneeuw knerpte onder zijn schoenen. “Dat is mooi, Sofia.” Hij trok zijn kraag omhoog tegen de kou.

Het sneeuwde nog steeds, maar deze keer met grote sneeuwvlokken. Het was stil buiten en het enige wat ze hoorden waren de sneeuwvlokken die zachtjes op de sneeuw vielen.

“Waarom ging je eigenlijk naar buiten?” vroeg Sofia. “Gaan wij ergens naartoe?”

Marijn keek om zich heen en zag dat er niemand in de buurt was. “Het is tijd dat we die inbreker gaan oppakken,” zei hij kalmpjes. “Dit is te frustrerend voor mij.” Hij keek nog een keer om zich heen.

“Hoe wil je dat dan doen? We hebben te weinig aanwijzingen en waarom kijk je zo om je heen?” Sofia keek in de richtingen waar Marijn ook naar keek. “Verwacht je iemand?”

“Ja, en nee,” zei Marijn, en Sofia keek hem aan.

“Wat bedoel je?”

“Ik kreeg vanochtend bezoek van onze grote vriendin Inspecteur Zwart. Ze was erg nerveus en krankzinnig vandaag.”

“Hoezo?”

Marijn vertelde Sofia alles wat er deze morgen was gebeurd.

“Kan die vrouw mij echt niet uitstaan?” vroeg ze verbaasd. “Wat heb ik fout gedaan?”

“Geen idee,” zei Marijn, “maar je moet je er niks van aantrekken. We hebben andere dingen aan onze hoofd.”

Ze liepen samen door een paar straten.

“Wat is eigenlijk het plan?” vroeg Sofia. “We hebben bijna geen bewijs.”

“We gaan naar hem op zoek en we moeten vooral op de daken gaan zoeken.”

“Bedoel je...?” zei Sofia, en Marijn gaf met duistere stem antwoord.

“Ja, we gaan het dak op.”

Sofia slikte even, maar stemde ermee in. “Hoe komen we het dak op, zonder dat wij opvallen?”

“Simpel,” zei Marijn, en hij liep een brandgang in. Sofia volgde zijn voorbeeld.

Er lag veel rommel in de brandgang. Er stonden een paar grote platen tegen een muur aan. Marijn schoof een plaat opzij. Er viel sneeuw van de plaat af. Marijn trok aan een oude houten trap en nadat hij een paar keer flink eraan had getrokken, kwam de trap los.

“Wij gaan met deze trap, het dak op,” zei hij.

Sofia bestudeerde de trap. “Die zal ons niet houden, dat is gevaarlijk.”

“Wel nee,” zei Marijn. Hij zette de ladder tegen een huis aan met een plat dak. “Deze trap is van eik gemaakt, dat is sterk hout. Ik ga wel eerst, als je er zo aan twijfelt.”

Hij klom op de ladder, die een beetje kraakte, en hij stond in een paar tellen op het dak.

Sofia weifelde eerst, maar ze klom ook het dak op. “Wauw,” zei ze, en ze keek om zich heen. “Wat mooi zeg.”

Ze tuurde over de daken en zag niet alleen de lichten van de lantaarnpalen, maar ook de kerstlichtjes waarmee de huizen waren versierd. Ze zag ook een hele grote kerstboom, die helemaal mooi met verschillende kleuren was versierd. Op de top stond een gele verlichte ster.

“Dat moet het marktplein zijn,” zei ze en ze wees naar de grote kerstboom.

“We zijn hier om ons op een inbreker te concentreren,” zei Marijn. “Ik heb een vermoeden dat hij vermomd is als kerstman.”

Sofia knikte en ze liepen over de daken heen.

Na een half uur te hebben gelopen, zei Sofia: “Marijn? Ik heb een ladder gevonden die tegen het huis aan staat.”

Marijn liep naar Sofia toe en bekeek de ladder. “Pas op dat je niet in zijn voetafdruk stapt.” Hij pakte zijn mobieltje tevoorschijn. “Sofia: Belicht de voetafdruk met jouw mobieltje, dan maak ik een foto van de afdruk.”

Sofia haalde vlug haar mobiel tevoorschijn en scheen met haar flitser op de afdruk. Marijn maakte een paar foto's van verschillende hoeken.

“Maat 38,” zei hij, en hij pakte een klein meetlint tevoorschijn. “Yup, ik had gelijk. Onze acrobaat is hier in de buurt en hij begint onhandig te worden.”

Een donkere gedaante liep hun kant op.

Sofia tikte geschrokken Marijn aan en hij keek op.

De gedaante stopte plotseling en riep: “Borka.”  Hij liet een zak vallen en rende weg. “Je krijgt me niet,” riep hij.

Marijn en Sofia renden achter hem aan. Sofia scheen met haar mobiel op de gedaante en ze zagen een rood met witte glimp in de verte. Hij was niet goed te zien maar ze waren ervan overtuigd dat dit de inbreker moest zijn.

Ze renden een schoorsteen voorbij, waar de sneeuw voor een groot gedeelte eraf was. Een teken dat de inbreker daar in was geweest.

De inbreker sprong over verschillende randen van huizen die aan elkaar verbonden waren.

Hij ging van het ene dakkapel naar het andere dakkapel.

“Hij is echt gek,” zei Sofia, die achter Marijn rende.

“Niet praten,” pufte Marijn.

“Hij mag niet ontsnappen.”

Marijn sprong ook van het ene dakkapel naar het andere en met veel moeite kon hij de acrobaat bijhouden. Ik wordt hier te oud voor, dacht hij en hij raakte buiten adem.

De inbreker maakte nog een hele grote sprong en belandde op een puntdak van een ander gebouw. Hij gleed even door, maar wist weer terug op het dak te komen en met een perfect balans liep hij voorzichtig over de top.

Marijn stopte en boog voorover, hij hijgde hard. Sofia haalde Marijn in en sprong over de rand.

“Sofia,” riep Marijn, maar Sofia landde ook op het dak en bleef beter in balans dan de acrobaat. Als een kat rende ze achter de inbreker aan.

Marijn zag rechts van hem een stalen wenteltrap en ging met de trap naar beneden. Hij rende over de stoep en probeerde Sofia weer in zicht te krijgen. Hij liep door verschillende steegjes alsof hij de route uit zijn hoofd kende. “Sofia,” riep hij weer. En hij keek om zich heen.

“Ik ben hier,” hoorde hij zachtjes.

Hij keek omhoog en zag dat ze aan een satellietschotel hing te bungelen. Ze hield de schotel stevig vast.

“Ik kan mij niet optrekken,” kreunde ze, “En de acrobaat is ontsnapt.”

Het leek erop dat Sofia van het ene dak naar het andere dak was gesprongen, maar ze had het niet gehaald.

“Ik zorg ervoor dat die hoogwerker komt,” zei Marijn. Hij haalde zijn mobiel tevoorschijn en belde 112.

Een paar minuten later klonk er in de verte een sirene en niet lang daarna kwam de hoogwerker met loeiende sirene de bocht om gereden.

De hoogwerker stopte bij Marijn en een brandweerman stapte uit.

“Dag Jan,” zei Marijn. “We zaten achter die inbreker aan.”

Jan bekeek de situatie terwijl zijn collega de hoogwerker beter op zijn plek zette.

“Dat is mooi, Marijn,” zei Jan terwijl hij naar Sofia bleef kijken. “Kun je het nog even volhouden, Sofia? Dit duurt nog een minuutje of twee.”

“Ja,” zei Sofia. “Ik denk het wel, ja.”

“Ik heb ook nog een ambulance geregeld. Dat doen wij voor alle zekerheid.”

Jan zijn collega stond bij een bedieningspaneel en trok aan een hendel. De steunpalen kwamen eruit geschoven en bevestigden zich aan de grond. Langzaam ging de hoogwerker door de kracht van de steunpalen omhoog. De arm werd uitgevouwen en het platform stond op de grond. Jan stapte op het platform en ging bij het bedieningspaneel staan. Langzaam ging hij omhoog. Toen Jan bij Sofia was, tilde hij haar op het platform en bracht haar naar beneden.

Sofia stond snel weer aan de grond en liep naar Marijn toe. “Ik kon de sprong niet halen, ik had een misstap gemaakt.”

“Doet er niet toe,” zei Marijn. “Het gaat erom dat jij veilig bent.”

“Er ligt volgens mij wel een muts van hem op dat andere dak,” zei ze en ze wees naar het dak waar ze eerder nog aan hing. “Hij heeft het laten vallen nadat hij was gesprongen.”

Marijn keek Jan aan en vroeg: “Is het mogelijk om dat platform naar boven te brengen, met alleen jij en ik. Het zijn bewijzen van een inbraak wat daar op het dak ligt.”

Jan knikte en zei: “Natuurlijk, stap maar in.”

Sofia zei: “Ik ga ook mee.”

“Geen sprake van, “ zei Marijn. “Jij hebt al genoeg gedaan en moet rusten.”

In de verte weerklonk de sirene van een ambulance.

“Laat je maar onderzoeken op schaafwonden ofzo,” ging Marijn verder.

Sofia sloeg boos haar armen om haar heen, maar ze trok een pijnlijk gezicht.

“Laat je armen nakijken,” zei Marijn toen hij de pijn in haar ogen zag.

“Deze bak is toch niet geschikt voor drie mensen,” zei Jan om haar gerust te stellen.

“En met Boris dan?”

“Hij is nog niet zo zwaar.”

De ambulance kwam de bocht om en stopte voor de hoogwerker. Er stapten twee broeders uit en Jan wees op Sofia. Die zag wat Jan deed en zuchtte. Ze liep naar de ambulancebroeders toe.

Jan drukte op een knop en het platform ging weer omhoog. Eenmaal op het dak zag Marijn inderdaad een kerstmuts. Hij raapte de muts op en volgde de voetsporen.

“Dit is waarom ik een hekel heb aan sneeuw,” zei hij tegen Jan. “Binnen een half uurtje zie je die sporen niet meer.” Hij sprong over het rand heen.

De voetsporen gingen over een dakkapel en Marijn zag dat er op een ander huis weer verse voetsporen waren. Alsof de acrobaat daar naartoe was gesprongen.

“Dat is ons huis,” zei Jan en hij wees in de verte.

Marijn bekeek de rijtjeshuizen en zag inderdaad het huis aan het einde van de rij. “Hij zit klem,” zei hij en hij sprong vanaf de dakkapel waar hij op stond, naar het dak waar de sporen opnieuw begonnen. “Nu weet ik waarom ik geen sporen of aanwijzingen kon zien. Hij sprong over deze brandgang heen.”

Marijn balanceerde over de daken heen, gleed uit en kwam in een split op de dak terecht. Hij klampte zich vlug aan het dak vast. Hij vloekte hard en kreeg tranen van de pijn in zijn ogen. Voorzichtig zette hij zich af en ging weer rechtop staan. Er vielen een paar dakpannen van de dak af. “Waarom balanceer ik hier nog op. Ik word echt te oud hiervoor.”

Hij keek op en zag een schoorsteen waar de sneeuw op sommige plekken weg of verschoven was. De inbreker is hier naar binnen gegaan, dacht hij en hij keek om zich heen. “Ik kan hier niet in.”

Jan lachte en zei: “Als dat zo is, dan heeft hij nu een probleem.”

Marijn keek hem niet begrijpend aan.

“Dit is de huis van mijn buurman, die heeft vorig jaar zijn open haard dicht laten maken.”

“Help,” riep iemand vanuit de schoorsteen en Marijn keek in de schoorsteen.

“Wat is er?” riep Marijn.

“Ik zit hier beneden klem. Ze hebben de open haard dichtgemetseld en nu zit ik vast.”

Marijn lachte en zei: “Eigen schuld.” Hij keek naar Jan en zei: “Bel de politie maar.”

Hoofdstuk 5: Goede voornemens

Tien minuten later arriveerden een politiewagen en een brandweerwagen in de straat, waar al veel buurtbewoners nieuwsgierig stonden te apegapen. Twee politiemannen kwamen met een hoogwerker op het dak naar de schoorsteen.

Jan had Marijn weer naar beneden gebracht. Hij zag dat Inspecteur Zwart uit een politiebus stapte.

“Hij is helemaal van jou,” zei Marijn tegen Inspecteur Zwart.

Ze keek naar hem en zei: “Waar is hij?”

Marijn wees met zijn duim achter zich. “Halverwege de schoorsteen. Hij kan niet meer weg.”

De Inspecteur keek hem angstig aan. “Dat gaat een hoop geld kosten.”

“Tja. Dat is niet mijn probleem.”

Marijn pakte een plastic zakje uit zijn borstzak en gaf die aan de Inspecteur. “In dit zakje zit een haartje, vermoedelijk van de inbreker. Ik heb het haar van Kim ook al onderzocht en het haar is niet van haar.”

“Waarom heb je alleen het haar van Kim onderzocht?” vroeg de Inspecteur.

Marijn pakte het zakje weer en hield het op ooghoogte. “De inbreker heeft lange haren.” Hij liet het lange, dunne haartje zien.

Inspecteur Zwart pakte het zakje weer aan en bekeek het haartje. “Hoe kwam je hem op het spoor?”

“We zijn elkaar deze keer tegemoet gelopen,” zei Marijn. “Je moet denken als een inbreker. In dit geval gaat hij verkleed als kerstman, dus is hij ‘s nachts actief.”

“Maar hoe is hij op het dak gekomen?”

“Gewoon,” zei Marijn. “Net als ik, via een ijzeren trap.” De Inspecteur keek hem verbaasd aan. “Ik ben daar ook over gelopen,” ging hij verder. “Ik was al met Sofia via een ladder op het dak geklommen en nadat zij alleen achter de inbreker aanging ben ik via de ijzeren trap naar beneden gegaan. Die zogeheten brandtrappen zijn normaal gesproken afgesloten voor onbevoegde mensen. De ijzeren deur die afgesloten was, was opengebroken en via die trap kon hij het dak op. Hij heeft er mooi gebruik van kunnen maken aangezien die trap in een brandgang verstopt was.”

“Maar was je niet bezorgd toen Sofia in haar eentje achter die inbreker aan zat?” vroeg Inspecteur Zwart.

“Ik observeer alles wat ik tegenkom, mevrouw,” zei Marijn en hij wist waar de inspecteur op doelde. Dat gedoe met ‘amateur’ en ‘troela’. “Je weet dat ik ook gedachten kan lezen en ik weet wat je denkt.” Hij bleef de Inspecteur streng aankijken. “Zoals ik al eerder aan heb gegeven, is Sofia een goede collega. Ze heeft bewezen dat ze moed in zich heeft. Over een puntdak lopen waar ook nog eens sneeuw op ligt, dat valt niet mee. Daar ben ik al achter gekomen. Ze heeft de pech gehad dat ze het andere dak niet kon halen, dat is logisch. Ik heb de afstand tussen die twee daken gemeten en alleen een professionele acrobaat kon die stunt maken. Als ik de situatie bereken zonder sneeuw, dan weet ik zeker dat Sofia het gehaald had. Ik denk ook dat Sofia niet alleen met school en dit werk bezig is, maar dat ze ook veel aan sport doet - en ik denk dat ik per 1 januari in 2017 ook maar eens ga beginnen met sporten. Ik zat te denken aan fitness.”

Marijn had zich omgedraaid en wilde weglopen.

“Waarom?” vroeg Inspecteur Zwart.

Hij draaide zich om en vroeg: “Waarom wat?”

“Nou,” begon de Inspecteur. “Als hij zo’n professionele acrobaat is, waarom breekt hij dan in bij mensen? Ik ga ervan uit dat hij die waardevolle dingen wilde verkopen.”

“Dat weet je zelf ook wel, als je de kranten leest.”

“Lees jij nog kranten,” lachte de Inspecteur.

“Dat heeft niks met deze zaak te maken,” zei Marijn en hij draaide zich boos om.

“Nee, wacht,” zei Inspecteur Zwart en ze hield hem bij zijn arm tegen. “Dat was mijn schuld.”

Marijn keek de Inspecteur even boos aan en zei: “Als je alles goed bijhoudt dan weet je dat de situatie van circussen ook zwaar verslechtert. Mensen klagen over opgesloten dieren, over dezelfde acts en als dat niet alles is... dan zijn ze ook nog met volle bak aan het bezuinigen.

Ga er maar vanuit dat deze acrobaat werkloos is en om geld te verdienen, kan hij waardevolle dingen verkopen. Een acrobaat is in zijn voordeel als inbreker - als hij natuurlijk via de schoorsteen inbreekt.”

Ze hoorden achter zich een hard boorgeluid.

“Ik ga ervan uit dat ze de acrobaat nu uit zijn benarde positie gaan halen,” zei Marijn terwijl hij naar de woning keek waar de brandweerwagens stonden. “De hele buurt zal zometeen wel wakker worden.”

De Inspecteur keek ook naar de woning.

“Ik ga naar Sofia toe, maar ik wil je nog één ding vragen. Laat Sofia met rust - of ik ga een klacht indienen.”

Marijn liep weg en liet de Inspecteur achter.

Sofia stond bij de ambulance en het zag ernaar uit dat ze een innerlijk conflict voerde.

“Jij zei dat mijn arm alleen licht gekneusd is,” mopperde ze. “En dat ik een paar schrammetjes heb. Ik heb verder niks en ik voel me verder in orde. Ik zorg ervoor dat ik mijn schouder genoeg rust geef.” Ze liep vlug weg en haar gezicht stond overduidelijk op onweer.

Ze botste tegen Marijn op en zei woedend: “Ze wilden mij naar het ziekenhuis brengen, stelletje gekken. Ik heb alleen een gekneusde schouder omdat ik te lang aan de satellietschotel hing. Ik heb verder alleen een paar schaafwonden en morgen zal ik ook wel blauwe plekken krijgen.”

Marijn keek haar aan. “Weet je het zeker dat het goed gaat?”

“Begin jij nu ook al?” zei ze boos. “Ik voel mij prima.”

Marijn keek naar de ambulancebroeders, die hun schouders op trokken. Marijn had wel geleerd dat je nooit met Sofia in discussie moest gaan.

Twee agenten kwamen met de inbreker naar buiten. Hij zat helemaal onder het roet en stof van het beton, die de brandweer had opengebroken. Ze zetten hem geboeid in de politiebus.

Marijn en Sofia keken nog even toe hoe de brandweer alle spullen inpakte.

Marijn draaide zich om en zei: “We gaan naar huis.”

Sofia knikte en ze liep achter Marijn aan.

Eenmaal thuis aangekomen was Sofia de post aan het bekijken die ze net uit de brievenbus had gehaald. Ze hadden nog geen tijd gehad om die te controleren. Ze gaf een paar enveloppen aan Marijn en ging zelf op een stoel zitten met een reclameblaadje

Marijn had een van de enveloppen geopend en begon te lezen:

Geachte heer Borka,

Bij deze wil ik u mededelen dat u de nieuwe eigenaar bent van villa Castellana.

Ik, Feline Castellana, ben al te ver op leeftijd om mijn villa alleen te onderhouden. Ik ben onlangs in een bejaardentehuis gaan wonen. Ik heb enorm veel spijt van mijn daden, dus zou u goed voor mijn villa willen zorgen?

Bij voorbaat dank.

Met vriendelijke groet,

Feline Castellana

P.S.: Zorg ervoor dat die lieve Sofia Saqqaf slaagt voor haar examens.

Marijn herlas de brief een paar keer en begon te ijsberen.

“Wat is er?” vroeg Sofia en ze volgde Marijn met haar verschillend gekleurde ogen.

Marijn zei niks en bleef dromerig op en neer te lopen.

“Wat is er?” vroeg Sofia opnieuw, en deze keer zei ze het harder. Marijn stopte met ijsberen en keek haar aan.

“Moet je dit lezen,” zei hij en hij gaf haar de brief.

Langzaam, terwijl ze Marijn aan bleef kijken, pakte ze de brief aan en las hem.

“Wat krijgen we nou,” riep ze verschrikt en ze sloeg haar hand voor haar mond. “Jij hebt dat vreselijke spookhuis geërfd van dat oude poezenvrouwtje.”

“Ik denk dat ik weet wat dat oude spookhuis inhoudt,” zei Marijn kalmpjes.

“Wat bedoel je,” zei Sofia terwijl ze hem bedachtzaam aankeek.

“Lees Feline haar achternaam - als je Latijns kent, dan weet je wat ‘Castellana’ betekent.

Alles begint nu duidelijk te worden.”

Sofia las het brief nog een keer. “Ik kan wel een beetje Latijn, maar dit woord ken ik niet.”

Marijn draaide zich naar haar om. “Het betekent Kasteelheer,” zei hij dramatisch. “Die villa is een eeuwenoud en vervallen kasteel dat ze gerestaureerd hebben.”

“Hoe weet je dat?” vroeg Sofia verbaasd.

“Ik ken de geschiedenis van alle oude gebouwen hier in het dorp,” zei Marijn en hij nam plaats achter zijn bureau. Hij startte zijn computer op en na een paar seconden tikte hij op zijn toetsenbord. “Hier heb ik hem,” en hij draaide het scherm om.

Sofia keek op het beeldscherm en zag een oude zwartwit foto van een heel oude kasteel.

Ze herkende alleen de torentjes en een stuk voorkant, maar de rest niet. Zo zag ze een poort met een brug die naar beneden stond. Een brede rivier die rondom het kasteel aangelegd was. Dikke muren die het kasteel beschermden en nog veel meer dingen die niet met de villa die Marijn zou krijgen overeen kwamen.

“Het heeft een flinke, dure verbouwing doorstaan,” zei Marijn. “Het kasteel dan, bedoel ik.”

Sofia staarde nog met open mond naar de foto. “Ja,” zei ze dromerig. “Van een kasteel naar een villa.”

“Ik heb een donkerbruin vermoeden dat er ons in die villa nog een heel avontuur staat te wachten.”

“Dat denk ik ook wel ja.”

Sofia ging weer recht in haar stoel zitten en pakte de reclame weer.

Marijn drukte het scherm uit en draaide zich om. Hij hing een beetje achterover op zijn stoel en legde zijn voeten op de vensterbank om uit het raam te staren. De wereld werd alleen maar witter en witter.

“Deze zwarte kerst is alsnog een witte kerst geworden,” zei Marijn, maar hij keek niet om.

“Vrolijk kerstmis.” Hij legde zijn handen achter zijn hoofd.

Einde

Peter Liebregts en Shizuka Smid wensen jullie fijne kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar in 2017!