Marijn Borka & De Dodenrijder

Proloog

Pasen was alweer een paar dagen voorbij, en de werkkamer van Marijn zag er weer normaal uit. Sofia had alle decoraties netjes opgeruimd, precies zoals ze het had beloofd.

Marijn lag languit op zijn bureaustoel te slapen. Zijn handen zaten achter zijn hoofd gevlochten, en zijn voeten lagen slordig op het bureaublad. Zijn beeldscherm was ondertussen op stand-by gegaan, terwijl de computer zelf nog een zacht, zoemend geluid produceerde.

Sofia zat op een stoel aan de andere kant van het bureau een krant te lezen. Ze was zo geconcentreerd op de artikelen dat ze het gesnurk van Marijn niet eens hoorde.

De klerenkast van Marijn was deze keer netjes opgeruimd, en de verschillende kostuums die erin stonden, waren netjes gestreken en opgehangen of opgevouwen. Aan het prikbord tegenover de klerenkast hingen nu twee krantenknipsels. De ene was een onflatteuze foto van Marijn met de titel: ‘Marijn Borka vangt kattenmepper’. De andere, een kleinere foto van Marijn, had de titel: ‘Marijn lost het weer op - hebben wij de politie nog wel nodig?’.

Sofia had de twee krantenartikelen netjes uitgeknipt en aan het bord opgehangen. Marijn had haar eerst wel tegengesproken --hij hoefde dat soort shit niet aan de muur te hebben--, maar toch wist Sofia hem uiteindelijk over te halen.

Naast het bord stond, zoals vanouds, het tafeltje met laboratoriumspullen erop. Zoals een microscoop, en verschillende potjes en flesjes. Alles was netjes opgeruimd en gepoetst. De werkkamer had er nog nooit zo schoon uitgezien. Sofia had zelfs wat plantjes op de vensterbank gezet om de sfeer wat op te leuken.

Naast de deur van de werkkamer stond een kapstok met een schoenenrekje. Marijn moest van Sofia zijn jas tegenwoordig aan de kapstok hangen, en zijn schoenen uitdoen en op het rekje zetten. Zodat alles beter schoon bleef.

In de verte klonk het gebrom van een auto die stopte, en een portier klapte open en dicht. Een paar tellen later ging de bel, en Sofia liep naar de woonkamer. Ze pakte de hoorn van de intercom en vroeg: “Wie is daar?”

“De politie,” klonk een norse stem aan de andere kant van de intercom. “Wilt u de deur open maken? Wij komen voor Marijn Borka.”

Sofia zei verder niks, en drukte op een knop. Met een vertrouwde klik in de verte ging de deur open. Sofia liep terug naar de werkkamer en riep: “Marijn, wakker worden.” Ze liep vervolgens naar de deur en deed die open.

Twee agenten kwamen het appartement binnen. Sofia gebaarde naar de werkkamer, waar Marijn nog steeds in dezelfde houding op zijn bureaustoel zat. De agenten liepen de werkkamer in, gevolgd door Sofia.

Marijn had één oog open gedaan en vroeg met een gaap: “Wat kan ik voor deze twee heren doen?”

De agenten keken elkaar aan en één van hen sommeerde: “Met ons meekomen, je staat onder arrest.”

Hoofdstuk 1: Op het politiebureau

Marijn keek de agenten nu met beide ogen aan, en liet hun laatste woorden langzaam tot hem doordringen. Hij haalde zijn voeten van het bureaublad af en ging rechtop zitten. “Wat?” zei hij, half verwachtend dat het een 1-aprilgrap was.

Hij keek van de agenten naar Sofia. Zij was net zo verbaasd en ging verdedigend voor Marijn staan.

“Wat zijn de klachten?” zei ze scherp.

Een van de agenten antwoordde: “Brandstichting, op de zolder van paardenfokkerij D’n Springer.”

Marijn wilde iets zeggen, maar Sofia was hem voor. “Hebben jullie bewijs?”

De andere agent haalde een ziplock zakje tevoorschijn met een verschroeid lampje erin. “Wij vonden dit voorwerp op de hooizolder na de brand. Op de achterkant zit een inscriptie met twee initialen: M.B.”

Sofia waarschuwde Marijn: “Niks zeggen, alles wat je nu zegt kan tegen je gebruikt worden.” Ze deed handschoenen aan, pakte het ziplock zakje aan en bekeek het lampje. Het was inderdaad die van Marijn. Ze zuchtte verslagen, en zei tegen hem: “Ik ken een goede advocaat.”

Marijn stond verward op en bleef de agenten aankijken met starre, blauwe ogen. Een van de agenten haalde zijn handboeien tevoorschijn, maar Marijn stak zijn hand op. “Doe geen moeite,” zei hij kortaf. “Ik ga vrijwillig met jullie mee.”

“We doen het volgens de regels, meneer Borka,” zei de andere agent, terwijl hij de ziplock uit de handen van Sofia pakte.

De agent legde Marijn’s armen op zijn rug en boeide hem. Sofia zei met een schorre stem: “Ik zorg ervoor dat ik met een advocaat kom, oké?” Haar zachte, bruin en groene ogen liepen vol met zoute tranen. Ze omhelsde Marijn even, en liet hem een paar tellen later weer los.

De agenten, met Marijn, verlieten het appartement en lieten Sofia eenzaam achter.

Het politiebureau was niet ver rijden. Dat was niet zo vreemd - alles is in de buurt in een dorp zoals deze.

“Hier is hij, Inspecteur Zwart,” zei de ene agent, nadat hij Marijn uit de auto had gelaten en hardhandig naar binnen had geduwd.

De inspecteur kwam achter haar bureau vandaan, en liep tevreden naar ze toe. “Bedankt mannen, ik neem het vanaf hier wel over.”

Ze bracht Marijn naar een leeg en slecht verlicht kamertje, waar enkel een paar stoelen en een tafel stonden. Inspecteur Zwart maakte Marijn’s boeien los en deed de deur stevig dicht. Marijn wreef over zijn polsen, en ging op een stoel zitten. In de kamer hing ook een grote spiegel; hij herkende het als een eenrichtingsspiegel. Ze gebruiken die wel vaker als er een verdachte wordt ondervraagd. Aan de andere kant van de spiegel is nog een ruimte, waar andere mensen kunnen toekijken en luisteren.

Marijn maakte met zijn ogen spleetjes naar de spiegel. Hij zag twee schimmige gedaantes staan.

‘’Nu dan,’’ zei Inspecteur Zwart, en Marijn keek haar aan. Ze had de ziplock met het lampje van Marijn erin op de tafel gelegd. “Waarom heb je de hooizolder in brand gestoken?” vroeg ze.

Marijn keek haar met een gefronste wenkbrauwen aan en zei stellig: “Ik heb de hooizolder niet in brand gestoken.”

“Jij bent voor ons op de zolder geweest,” zei Inspecteur Zwart, en ze wees op het lampje.

“Dat klopt, maar dat zegt niks. Waar is het bewijs? Of moet het lampje soms het vuur hebben aangestoken? Dat lijkt mij erg sterk, want zoveel warmt geeft het lampje niet af.”

Inspecteur Zwart sloeg op de tafel, maar Marijn bleef haar rustig aankijken. Oh, ging ze nu bad cop spelen...

“Luister, wij hebben dit bewijs…”

“Het enige bewijs,” viel Marijn haar in de rede, “en verder zeg ik niks meer totdat mijn advocaat hier is.”

Inspecteur Zwart keek hem vals aan, maar Marijn hield voet bij stuk.

“Goed dan. Nu dan heel wat anders,” zei ze, terwijl Marijn een diepe zucht van verveling slaakte. “Jouw laatste twee opdrachten, die waren nogal... hoe zal ik het zeggen?” En ze dacht even na. “Simpel, echt kinderspel.”

Marijn boog zich naar voren over de tafel heen. “Het was goed genoeg, kleine zaakjes moeten ook opgelost worden. Verdorie, er stonden levens op het spel en er was zwart geld mee gemoeid. Een wietplantage. Dat is allemaal illegaal.”

“Het was het werk van de politie,” zei Inspecteur Zwart.

“Maar jullie hadden andere dingen te doen - en zelfs toen het allemaal aan het licht kwam, ging het alsnog om mensenlevens. Levens die verloren hadden kunnen gaan als ik niet op de juiste plek was geweest. Daarom is het maar goed dat Rosalien Hoefnagel en Iris en Roos naar mij toe zijn gekomen, anders was het mogelijk allemaal verkeerd afgelopen.”

Inspecteur Zwart werd zo langzamerhand witheet van woede. Haar wangen kleurden ook steeds roder. “Toch blijft het amateurspeurwerk, ik had meer en beter werk van jou verwacht.”

“Ik heb ook liever groter speurwerk, maar als er levens op het spel staan, dan los ik het met genoegen op.”

De deur ging open, en er liepen drie mensen binnen. De eerste was Sofia, en ze werd op de voet gevolgd door een vreemde man in een net, zwart pak. Hij moest de advocaat zijn waar Sofia het over had gehad, dacht Marijn, en als derde kwam er een agent die de deur voor ze open hield.

"U hoeft niks meer te zeggen, meneer Borka,” zei de vreemde man streng. “Ik neem de zaak van u aan.”

Marijn bestudeerde hem. Blauwe ogen, betrouwbaar, 40 jaar ervaring, strenge blik - dit is een goede advocaat. Recht voor zijn raap en goede aanpak. Zijn ogen gleden over het pak: Laat zijn pakken schoonmaken bij een dure stomerij. Niet gierig dus.

De vreemde man gaf Marijn een hand en zei: “Mijn naam is Martin de Steen.”

Marijn schudde zijn hand, en daarna gaf Martin de inspecteur een hand.

“De aanklacht?” vroeg Martin kortaf.

De blik van de inspecteur ging van Marijn naar Martin, en ze zei: “Brandstichting op de zolder van een paardenstal.”

Ze schoof het bewijs over de tafel richting Martin, die het beruchte ziplock zakje oppakte.

“Juist ja, dit wordt een korte rechtszaak,” mompelde hij. Hij keek Inspecteur Zwart aan. “Hebben jullie vingerafdrukken gevonden op het lampje?”

De inspecteur keek Martin aan en zei: “Nee, het voorwerp is zo erg verbrand dat we geen vingerafdrukken hebben gevonden.”

Martin bleef de inspecteur strak aankijken. “Correctie, er komt geen rechtszaak bij gebrek aan bewijs. Die inscriptie op het lampje kan ook iets anders betekenen.”

Marijn gluurde nog even naar de eenrichtingsspiegel en zag dat de twee gedaantes verdwenen waren. Op dat moment liepen twee agenten de kamer binnen.

“Sorry dat wij jullie storen,” zei een van hem, hoewel het overduidelijk was dat het hem echt niet speet, “maar in het huis van meneer Borka bevestigde die jongedame,” en hij wees op Sofia, “dat het lampje wel degelijk aan meneer Borka toebehoort.”

Martin keek naar de twee agenten en vroeg: “Mevrouw Saqqaf? Is dit lampje in deze ziplock van Marijn Borka?”

Sofia keek angstig naar Martin en friemelde met haar zweethanden. “Ik weet het niet zeker.”

Martin keek van de agenten naar de inspecteur, en herhaalde wat Sofia zei. “‘Ik weet het niet zeker’. Wellicht zijn jullie met alle spoed naar het appartement van meneer Borka gegaan om hem op te pakken - ook al hadden jullie slechts een ietsiepietsie klein bewijsje dat eigenlijk niet significant is. Dit is Nederland, niet Amerika. Ik eis dat jullie Marijn Borka vrij laten, of anders klaag ik jullie aan wegens het verstoren van iemands privéleven zonder reden.”

Even later liepen Marijn, Sofia en Martin het politiebureau uit. Sofia begon te juichen, maar Martin waarschuwde haar: “We zijn er nog niet,” en hij keek van Sofia naar Marijn. “Zoals je hebt gehoord ben je nog steeds verdacht.”

Sofia stopte met juichen en keek Martin aan. Martin ging verder: “Ze zijn niet blij dat jij hun werk hebt opgelost.”

Marijn viel hem in de rede en zei kortaf: “We hebben levens gered, hoe sneller hoe beter.”

“Luister, Marijn. Ik ben al 40 jaar advocaat; ik weet uit ervaring dat de politie pogingen doet om jou naar beneden te trekken.”

“Achterbakse trut dat ze is. Als ze mij zo graag naar beneden willen trekken, waarom wilde ze mij eerst dan in haar team?”

“Heb je haar aanbod afgewezen? Ook al kon je meer verdienen dan wat je nu verdient?” vroeg Martin, die hem met een strenge blik aankeek.

“Ja, natuurlijk,” antwoordde Marijn. “Ik werk liever op mijn eigen vertrouwde manier, en wat meer verdienen betreft, ik kom goed met het geld rond. Zelfs de studie voor Sofia kan ik prima betalen.”

“Misschien had je toch voor dat aanbod moeten gaan, toen je de kans kreeg. Misschien zat de politie je dan niet tegen te werken.”

Martin liep naar zijn auto en opende het portier.

“Wat kunnen we nu het beste doen?” vroeg Sofia bezorgd.

“Wij kunnen alleen maar afwachten wat de politie doet, maar ik ben bereid om het voor Marijn op te nemen als advocaat.” Martin keek naar Marijn en vervolgde: “Bel mij op als er weer iets gebeurt, dan ben ik zo bij jullie.”

Marijn stak zijn hand op. Martin stapte in zijn auto en reed meteen weg. Sofia keek de auto na en draaide zich om.

“Laten we terug naar huis gaan,” stelde Marijn voor.

Sofia knikte, pakte haar mobiel en bestelde een taxi.

Hoofdstuk 2: De rechtszaak

De dagen kropen onbewogen voorbij. Geen zucht van de politie, of advocaat Martin. Marijns appartement hing daardoor vol met dikke spanning. Wat te verwachten? Wat was er nu aan de hand? Hij wist het niet. Hij probeerde zich geen zorgen te maken (de koele kikker die hij was) maar stilletjes deed hij dat toch.

Hij stond voor het keukenraam te peinzen met een mok bittere koffie. Hij keek naar buiten, en zag dat een koppeltje pimpelmeesjes bezig was een nestje te bouwen. De damp uit zijn mok steeg langzaam omhoog, en de geur van de verse koffie drong Marijns neusgaten binnen. Hij nam een slok uit de mok. Het warme goedje gleed langzaam door zijn slokdarm.

Hij zag iets in zijn ooghoeken bewegen, en keek naar beneden. Lang, zwart, wapperend haar danste op en neer. Sofia liep naar de deur en deed die open. Marijn had haar een extra sleutelbos gegeven, van alle sloten in zijn appartement. Sofia had hem voor de volle honderd procent bewezen, dat ze geschikt en trouw was.

Marijn hoorde de deur van zijn appartement open en dicht gaan, en Sofia’s honingzoete stem riep: “Joehoe, ik ben er weer.”

Marijn hoorde gerommel in de gang, en sloot zijn ogen. Ze hangt haar jas aan de kapstok en pakt iets zwaars op. Boekentas van school? Zwaar proefwerk gehad, slecht geslapen, gisteren tot laat opgebleven om te studeren. Uitslag: erg vermoeid.

Marijn opende zijn ogen weer en draaide zich om, terwijl Sofia de keuken binnen stapte. Hij wees op de barkruk, die aan de bartafel stond. “Ga zitten”, zei hij kalm, en pakte een tweede mok uit de kast. Wit, saai - zoals al zijn mokken. Hij vulde de mok met koffie uit het Senseo apparaat. Hopelijk was het nog te drinken, hij had deze pad al een paar keer gerecycled.

Sofia bleef even staan, en keek Marijn vragend aan.

“Maak je geen zorgen, ik wil je even iets vragen.”

Ze ging op de barkruk zitten en bleef Marijn aankijken.

Marijn draaide zich om met de tweede mok in zijn linkerhand, en gaf die aan Sofia. Hij ging naast haar zitten en wees op haar rugzak. “Zware dag gehad?”

Sofia knikte, en nam voorzichtig een slokje van de hete koffie. Ze verbrandde haar tong een beetje en zei: “Ja, enorm zwaar en lang.”

“Kun je het allemaal nog wel aan? Jouw studie en dit baantje. Het gaat om jouw toekomst, niet de mijne.”

Sofia knikte opnieuw. “Ja, ik kan het wel aan, het was even een zware dag.”

Marijn had zijn blik nog steeds niet van Sofia afgenomen. “Laat mij op tijd weten als het te zwaar wordt.”

“Ja, zal ik zeker doen, maar ik heb het geld ook nodig voor als ik op kamers ga.”

Marijn glimlachte en zei: “Drink je koffie op en ga maar even een tukje doen in mijn bed. Je ziet er moe uit - en niet tegenstribbelen, als er iets gebeurt, wil ik dat jij in goede conditie bent.” Sofia deed haar mond open om te protesteren, maar Marijn zei vlug: “Ik ga het niet herhalen.”

Sofia lag in Marijns bed te slapen, en Marijn zelf zat achter de computer in zijn werkkamer. Hij bezocht de site van Paardenfokkerij D’n Springer, waar hij vorige week was geweest met Pasen. Hij moest iets over het hoofd hebben gezien...

Hij browsede naar het fotoalbum om een aantal foto's te bekijken. Het ging niet om de paarden, maar om de omgeving van de boerderij.

Na een paar uur zijn ogen te hebben verpest aan naar die foto’s turen, zag hij een lantaarnpaal staan. Er hing iets aan de paal, dat nog erg onduidelijk was. Hij zoomde op de foto in en zag dat er een camera aan de lantaarnpaal bevestigd was.

“Verdomme,” zei Marijn.

Sofia kwam de slaapkamer uit, en geeuwde even met gestrekte armen.

Marijn hoorde in de verte een auto stoppen, en een paar portiers dicht slaan. De intercom ging over, en Marijn draaide zijn beeldscherm om met het scherm richting de deur.

Sofia zei: “Ik doe wel open.”

Even later stonden dezelfde agenten van een paar dagen geleden weer in het appartement. Deze keer werden ze gevolgd door de potige Inspecteur Zwart. Ze kwamen de werkkamer binnen en Marijn wees meteen op het scherm. “Daar is de boosdoener.”

Hij keek naar de agenten en zei: “Wisselen jullie van dienst om mij als eerste te kunnen arresteren ofzo? Ik zie dat jullie je hielenlikker deze keer hebben meegenomen?”

De agenten keken elkaar aan - maar voordat ze iets konden doen hield inspecteur Zwart ze tegen en nam plaats op één van de stoelen.

“Waarom moeten jullie mij de laatste tijd steeds hebben? Jullie doen wel heel veel moeite voor iemand met een wietplantage, hè?” zei Marijn bot tegen Inspecteur Zwart. “Ik ben daar op zolder geweest, ja, en dat weten jullie en de eigenaar van D’n Springer maar al te best. Denken jullie nu echt dat ik zo dom ben om mijn spullen achter te laten? Ik - met mijn jarenlange ervaring als privédetective? Jij,” en hij wees met een puntige vinger naar Inspecteur Zwart, “wilde me zelfs inhuren vanwege mijn expertise.”

Inspecteur Zwart snoof en was van plan om te spreken (of preken), maar Marijn was nog niet klaar.

“Kijk - die mensen hebben een camera hangen. Daarop hebben ze ongetwijfeld mij naar hun Walhalla hebben zien gaan, en met een beetje geluk --al denk ik niet dat ze zo dom zijn, ze hebben waarschijnlijk de opnames gewist-- is er ook op te zien hoe zij bewijs plantten. Maar--”

“Maakt niet uit,” onderbrak Inspecteur Zwart hem. “Marijn, luister - het kan me simpelweg geen ene moer schelen of er ergens een camera hing of dat Sinterklaas en Zwarte Piet toekeken - het feit blijft dat jij de hooizolder in de fik hebt gestoken.” Ze deed haar armen vol voldoening over elkaar. “Wij staan niet opeens boven de wet, meneertje Detective. Een crimineel heeft ook rechten.”

Sofia siste tussendoor: “Een crimineel met veel geld heeft zeker rechten.”

“En dus zal jij ook moeten boeten voor je zondes. Er komt een rechtszaak.”

Marijn rolde met zijn ogen. “Mijn advocaat--”

“Kan zeggen wat ‘ie wil, maar die rechtszaak komt er.” Punt uit.

Marijn zakte achterover in zijn bureaustoel, en duwde zijn handpalmen tegen de achterkant van zijn schedel. “Oké.”

Inspecteur Zwart had dat antwoord niet helemaal verwacht. “Oké?”

“Ja, kom maar op met die rechtszaak. Ik wil wel eens zien hoe jullie je daaruit weten te werken.” Challenge accepted.

“Nou, prima.” Inspecteur Zwart was opeens heel erg in haar nopjes. Ze stofte haar politiejasje af en moest moeite doen om een lachje te onderdrukken. “Woensdag, 6 april. 16 uur. Zie je daar…”

“Verdorie, nu is mijn koffie koud,” klaagde Marijn toen de politie weg was.

“Een rechtszaak,” zei Sofia emotieloos. Daarna begon ze, als bij donderslag, opeens paniekerig te doen. “Je moet voor de rechter komen,” hijgde ze. “Misschien moet je wel de gevangenis in, of erger - een taakstraf doen.”

“Hoe is dat erger?” fronste Marijn.

“Dan moet je andermans troep oprapen van straat, of hondenpoep scheppen. Getver-de-getver.”

Nou, die had overduidelijk een gevalletje smetvrees. Marijn draaide zijn beeldscherm weer goed, en maakte voor de zekerheid een printje van de foto. Hij mailde ook een kopie naar Martin. Daaronder schreef hij: ‘3-4-2016, 16:00. Be there.’

Vervolgens verzonk hij weer in gedachten. Om alle mogelijke scenario's en oplossingen te overdenken…

Hoofdstuk 3: Hallo burgemeester

Woensdag. Wat een klotedag.

Met half-dichtgeknepen ogen staarde Marijn naar de lucht boven hem. Strak, wit. Geen zonnetje, geen regen. Hoe typisch Nederlands.

Hij trok zijn grijze colbertje wat netter naar beneden en keek naar het gebouw voor hem. De kantonrechter. Hij had er speciaal voor naar de stad hiernaast moeten rijden. Met de bus nog wel. Ook niet echt koosjer.

Marijn schraapte zijn keel en beklom de stenen trap. Sofia kwam later pas, die had het druk met haar studie vandaag. Iets met een laboratoriumpracticum. Dus er was niemand om hem vandaag een hart onder de riem te steken, behalve dan advocaat Martin de Steen (die nog niets weer van zich had laten horen). Kwam die vandaag wel? Marijn wist het niet. Op hoop van zegen.

Hey-ho, let’s go. Het gebouw in, met zijn koude, marmeren vloeren en de grote, mahoniehouten deuren. Marijn sprak met de receptioniste en kreeg instructies, maar veel kreeg hij eigenlijk niet mee. Ergens in een hoek van de lange gang klonk erg veel geroezemoes, en Marijn kon zich lastig op meer dan één ding concentreren. Het was de burgemeester, en hij was omringd door de pers.

“Klopt het dat de moorden door een en dezelfde persoon zijn gepleegd?” vroeg een reporter, die zijn microfoon bijna in de burgemeester zijn gezicht duwde.

“Betekent dat… dat er een seriemoordenaar in onze gemeente is?!” riep een andere.

De burgemeester hield zijn hand omhoog en antwoordde op geen van hun vragen.

“Meneer Borka,” zei de receptioniste, en Marijn werd gedwongen om weer aandacht te besteden aan zijn eigen problemen. “U wordt verwacht in kamer 039.”

Met wat papiertjes en foldertjes in zijn handen liep Marijn de gang door. Hij voelde zich verdoofd. Hij wandelde langs de reporters met hun camera’s en felle flitsen, langs de burgemeester - en uiteindelijk langs Inspecteur Zwart.

“Ah, meneer Borka,” zei ze schertsend. “Mooi op tijd. Heeft u er zin in?”

Marijn trok een beetje met zijn mondhoek, maar reageerde niet op haar. In plaats daarvan keek hij richting kamer 039. Zo dichtbij, maar toch zo ver weg.

“Waar is je advocaat? En je hulpje? Arme jij, zo alleen.”

Hou je mond toch, mens - is wat Marijn het liefste tegen haar wilde zeggen. Maar hij wist wel dat dat geen goed idee was.

“Inspecteur Zwart,” zei een zware stem in de verte.

De inspecteur schrok, en zij en Marijn draaiden zich beiden tegelijk om.

Marijn zag een donkere man in een politie-uniform staan, met zijn strenge blik op Inspecteur Zwart gericht. Naast hem stond de burgemeester, die nog net de laatste journalist wegwuifde. Marijns gedachten begon weer vlug te werken.

Net gestreken uniform. Geen wapens. Strenge, zwarte ogen. Handen over elkaar geslagen.  Bazige type en stalen zenuwen - om geen ruzie mee te maken. Rang: Hoofdcommissaris.

“Meneer?” vroeg de Inspecteur, en Marijn hoorde angst in haar stem.

“Wil je onmiddellijk hierheen komen,” zei de donkere man.

De inspecteur liep verbaasd naar de man, en hij nam haar apart.

De burgemeester keek de twee na --hoe ze naar een leeg kamertje liepen-- en vervolgens liep hij naar Marijn Borka. Hij gaf Marijn een hand en begroette hem met een lach. “Je zal misschien wel verbaasd zijn, maar we zijn er druk mee bezig om de rechtszaak af te zeggen. De kosten zijn voor de gemeente.”

Marijn keek hem uitdrukkingsloos aan en zei niks.

“Wij zitten met een heel groot dilemma.” De burgemeester begon te ijsberen. “Ik kan het niet hier vertellen natuurlijk, maar wij hebben jouw hulp dringend nodig. Er zijn deze maand drie vrouwen vermoord, dat heb je vast wel ergens gezien, gehoord of gelezen--”

Marijn schudde lichtjes zijn hoofd.

“Of niet… Hoe dan ook, het begint er steeds meer op te lijken dat we te maken hebben met een seriemoordenaar.” De burgemeester beet op zijn onderlip. “Hoe dan ook,” zei hij plotseling, en hij stond stil. “Mag ik u ten zeerste beleefd vragen om rond vier uur naar mijn kantoor op het gemeentehuis te komen? Ik zou het erg op prijs stellen als u vanmiddag langs komt, om het over de seriemoordenaar te hebben.”

Marijn keek de burgemeester boos aan, en zei: “Waarom gaat u niet naar de politie?” Hij wees in de richting waar de hoofdcommissaris Inspecteur Zwart had meegenomen. Hij had al genoeg gedoe met de politie op het moment - deze zaak was niet voor hem weggelegd.

“De politie zit in dezelfde situatie, maar die komen er niet uit. Er zijn drie moorden gepleegd en ze hebben geen enkel bewijs gevonden. Vanmorgen heb ik een pakketje gekregen met een brief, wat mogelijk door de dader opgestuurd is. Ik heb de politie laten komen daarvoor, maar niks.”

Marijn zuchtte een keer, en knikte uiteindelijk zijn hoofd. “Goed dan, ik zal op bezoek komen. Ik eis wel een schadevergoeding van de politie en ik wil dat de politie mij met rust laat.”

“Natuurlijk,” zei de burgemeester. “Daar zorg ik persoonlijk voor.”

De deur van kamer 039 ging open en Martin de advocaat kwam naar buiten, gevolgd door Sofia. Ze waren er dus toch. Ze keken naar Marijn en de burgemeester, en liepen naar hen toe.

De burgemeester gaf Marijn nog een hand en zei: “Tot straks dan maar,” en hij liep weg.

Martin ging bij Marijn staan en zei: “Ik heb nog een aantal papieren moeten ondertekenen vanwege de annulering van de rechtszaak. Ze willen alleen nog jouw handtekening hebben.” Hij hield de papieren onder Marijns neus.

Marijn keek naar de papieren, en zette zijn krabbel eronder.

“Is het je allemaal duidelijk Marijn?”

Hij knikte en keek Sofia aan, die er een beetje verward uitzag.

“Goed dan,” zei Martin, en hij gaf hem zijn kaartje. “Mocht je mij nodig hebben dan kan je mij op dat nummer bereiken.”

Martin gaf Marijn een hand, en verliet het gebouw.

“Je laboratoriumpracticum?” vroeg Marijn aan Sofia.

“Ik vond dit toch belangrijker,” antwoordde ze zachtjes.

“Sofia…”

“Niks, ‘Sofia’. Ik kan het practicum volgende week over doen. De rechtszaak kon ik maar een keer bijwonen. Al is die nu afgelast. Maar we hebben genoeg werk te doen, blijkbaar.”

“Ja…” verzuchtte Marijn. “Ik moet zeggen dat ik voor het eerst in mijn leven niet zo’n zin heb om een misdaad op te lossen. Ik heb behoefte aan rust, koffie - veel rust en nog meer koffie.”

“Nou, ja. Misschien kunnen we deze misdaad wel op onze luie konten oplossen. Je kunt tegenwoordig zoveel vinden op internet.”

“Was het maar zo makkelijk...”

Hoofdstuk 4: Vrouwenslachter

Gewapend met een kartonnen meeneembeker van de Starbucks (Venti) en Sofia aan zijn zijde, betrad Marijn om 16.00 uur het gemeentehuis. Ze liepen direct naar de balie toe.

“Ik heb om vier uur een afspraak met de burgemeester, “ zei Marijn.

“Meeste mensen zeggen eerst goedemiddag,” zei de dame achter de balie, terwijl ze genietend van zulke gedachten naar Marijn keek.

Marijn legde zijn handen op de balie en zei: “En de meeste mensen hebben wel belangrijkere dingen te doen dan naar een gemeentehuis komen omdat de burgemeester met een groot dilemma zit. Dus pak die telefoon en breng de burgemeester op de hoogte - anders waren dit de laatste woorden die je hier achter de balie sprak.”

De vrouw achter de balie bewoog zich een beetje ongemakkelijk en het leek erop dat ze bijna op de alarmknop wilde drukken, waarna de beveiliging zou komen om hem eruit te schoppen.

Een deur ging open, en even dacht Marijn dat de vrouw inderdaad op de alarmknop had gedrukt. Maar het was de burgemeester die door de deuropening kwam, en hij spreidde glimlachend zijn armen.

“Aahhh, Marijn Borka,” zei hij verheugd, terwijl hij Marijn een hand gaf alsof het jaren geleden was dat ze elkaar voor het laatst tegen waren gekomen. “Welkom op het gemeentehuis, en bedankt dat je bent gekomen.” Hij keek naar de vrouw achter de balie en vervolgde: “Het is al goed, Janneke, ik sta voor hem in. En wie is deze schoonheid?”

“Mijn naam is Sofia Saqqaf, meneer,” zei Sofia, die ook een hand van de burgemeester kreeg.

“Aangenaam, zouden jullie mij willen volgen naar mijn kantoor?”

Ze moesten twee trappen omhoog voordat ze bij het kantoor van de burgemeester aan kwamen. Voor Sofia was dit niet zo’n probleem, maar Marijns conditie was niet zo geweldig - hij was immers al wat ouder en zijn rookgedrag hielp ook niet mee.

“Wist u dat we tegenwoordig sportactiviteiten subsidiëren in onze gemeente?” vroeg de burgemeester. “U kunt 15% korting krijgen bij een sportclub met de gemeentepas.”

Marijn snoof en reageerde er verder niet op. Hij ging vanzelf een keer dood, of dat nu vroeger of later was, hij maalde er niet zo om. Hij had er geen behoefte aan om zijn tijd op deze wrede aardkloot eindeloos te rekken met onzinnigheden zoals fitness.

Het kantoor van de burgemeester was niet zo statig als je zou verwachten. Om eerlijk te zijn had Sofia veel groen fluweel verwacht, zware gordijnen, muren bekleed met boekenkasten. Maar het kantoor zag eruit als vrijwel elk ander kantoor - goedkoop grijs tapijt, witte muren, simpel meubilair en een zwarte computer. Dat was eigenlijk ook wel alles wat er te zien was. Er hing niet eens zoveel aan de muren, misschien een paar foldertjes hier en daar. Het leek allemaal erg tijdelijk. Maar ja, burgemeesters bleven natuurlijk nooit erg lang op hun plek.

In het midden van het kantoor stond een bureau, en dit was het enige meubel dat nog wel enigszins aan Sofia’s idee van een burgemeesterskantoor voldeed. Het was groot, en Art Deco-achtig.

“Ga zitten,” zei de burgemeester. “Ik zie dat jullie je eigen koffie hebben meegenomen, uitstekend. De koffie uit het apparaat hier is niet te drinken. Slootwater.”

“Kun je nu ter zake komen a.u.b.,” zei Marijn. “We hebben niet de hele dag de tijd.”

De burgemeester opende een lade en haalde een klein vierkant doosje tevoorschijn. Hij zette het doosje op de tafel en schoof het richting Marijn, die Sofia even aankeek.

“Maak open,” zei Sofia enthousiast, maar Marijn staarde naar de burgemeester en zei: “Voordat ik het doosje open maak, wil ik je iets vragen. Heeft dit iets te maken met de moorden?”

De burgemeester knikte en antwoordde: “Dit heeft alles te maken met de moorden.”

“Dat dacht ik al, ik weet wat erin zit.” Marijn schudde met het doosje en er klonk een zacht en dof geluidje, van iets dat tegen de binnenkant van de doos heen en weer botste.

“Yup, ik weet het honderd procent zeker,” zei Marijn, en hij schoof het doosje naar Sofia.

“Mag ik het open maken?” vroeg Sofia verbaasd aan Marijn.

“Met jouw eigen verantwoordelijkheid,” antwoordde Marijn.

“Hoe bedoel je?” vroeg Sofia, en ze keek van Marijn naar de burgemeester.

“Maak maar open, dan weet je het meteen.”

Sofia schoof het doosje verder naar zich toe en opende voorzichtig het dekseltje. In het doosje zat een gesloten bakje. Ze opende het bakje en zag een plastic zakje omringd met ijsblokjes. Ze pakte het zakje voorzichtig met haar prachtig gelakte nagels en keek erin. De inhoud onttrok een gilletje van haar. Ze hield vlug haar hand voor haar mond.

In het zakje zat een mensenhart, drijvend in bloed...

Sofia draaide het zakje om en zag dat er een gat in het hart zat, alsof er een hap uitgenomen was. “Heeft iemand nou..” begon ze, maar Marijn onderbrak haar en gaf antwoord. Hij zat nog steeds op zijn gemak met zijn armen over elkaar geslagen.

“Er zit een beet in het hart. Aan de grootte van de hap te zien is het door een mens gemaakt.

Het hart is gisteren uit een lichaam gehaald, er is meteen een hap uitgenomen, en diegene heeft het opgegeten alsof het een appel was.”

Sofia keek vol walging naar het hart, en hield haar hand nog steeds voor haar mond. Ze was wit weggetrokken en even leek het erop dat ze moest overgeven. Ze stopte het zakje snel terug in het bakje en ze sloot het doosje af. “Afschuwelijk,” kraste ze zachtjes.

De burgemeester knikte somber en zei: “Er zijn al drie vrouwen vermoord en verminkt.

Verschillende ingewanden zijn uit de lichamen verwijderd. Onder andere lever en nieren, en bij de laatste vrouw die vermoord is, ook een hart. Ik neem aan dat dit het betreffende hart is.” Hij wees op het doosje, dat nog voor Sofia lag. “Ik ben bang dat er meer slachtoffers zullen vallen.”

“Zat er ook een briefje bij het doosje?” vroeg Marijn kalmpjes.

De burgemeester stak zijn hand in de binnenkant van zijn jasje en haalde daar een envelop uit, die (waarschijnlijk door hem zelf) al geopend was. Hij gaf het aan Marijn, die het aanpakte.

Sofia zag nog altijd bleek, en Marijn vroeg plagend aan haar: “Wil je deze envelop ook nog open maken?”

Sofia schudde haar hoofd zachtjes en zei schor: “Maak jij die maar open.”

Marijn boog zich naar Sofia en zei: “Je kan je altijd nog terugtrekken.”

Sofia schudde opnieuw haar hoofd, en Marijn ging weer recht zitten en haalde de brief uit de envelop. Hij vouwde de brief open en las de drie woorden hardop voor: “Jack is back.”

“Jack is back,” herhaalde Sofia zachtjes. “Wie is Jack? Heet de moordenaar zo?”

De burgemeester haalde zijn schouders op en zei: “Ik denk het niet, dan zou hij zichzelf verraden. De meeste moordenaars houden wel van een spelletje, en dat zou het wel heel gemakkelijk maken.”

Marijn keek van de brief naar het doosje waar het hart in zat. Hij vouwde de brief dicht en vertelde hardop, zonder eerst na te denken: “Nee. Jack is een geschiedenisnaam. We hebben het hier over een seriemoordenaar. Hij verminkt en vermoordt ook vrouwen. Kennen jullie het verhaal van Jack the Ripper? Natuurlijk niet, dat is ver voor jullie tijd. Jack the Ripper vermoordde in de herfst van 1888 vijf prostituees; deze worden ook wel de canonical five genoemd. Ze waren verkracht, verminkt en vermoord. Kelen waren doorgesneden, baarmoeders vakkundig verwijderd, een nier en een hart waren verwijderd - en nog meer organen. Men vermoedt dat Jack the Ripper niet zijn echte naam was, alleen een zogeheten alias. Het mysterie is nooit opgelost; ze zijn er nooit achter gekomen wie Jack the Ripper nu eigenlijk was. Het ziet er naar uit dat wij het nu met een tweede Jack the Ripper te maken hebben. Als alle drie de vrouwen dezelfde moordenaar hadden, dan gaan we nog afschuwelijke dagen tegemoet.”

Sofia hield nog steeds vol afschuw haar mond open, terwijl ze naar Marijns verhaal luisterde. “Het lijkt wel op een vrouwenslachter of zoiets dergelijks,” mompelde ze zachtjes.

Even was het stil, en Marijn pakte het doosje op. “Ik neem aan dat jij mij wilt inhuren?”

De burgemeester knikte.

Sofia keek naar haar bekertje waar koffie in zat, maar ondertussen was de koffie koud geworden.

“Laat jullie bekers hier maar achter, voordat jullie vertrekken,” zei de burgemeester. “Ik ruim dat wel op.”

Marijn stond op en zei: “Op naar het mortuarium - tenminste, ik neem aan dat de drie lijken nu daar liggen?”

De burgemeester knikte en wuifde ze weg.

“Kom, Sofia, we hebben werk te doen.”

Marijn liep met het doosje naar buiten, waarna hij even later gevolgd werd door Sofia. Weer die klote trappen af. Zucht. Waarom had dit gemeentehuis geen lift? Omdat alle klanten alleen op de begane vloer voor hun klachten en ID-kaartjes hoefden te zijn, zeker?

Marijn liep met grote passen langs de balie, terwijl de vrouw erachter hem pissig na keek.

“Je hebt geluk,” zei hij, “jij mag je baan houden. Al wordt er wel een deel van je maandsalaris ingehouden.”

De schuifdeur van het gemeentehuis ging open, en Marijn en Sofia gingen naar buiten. Sofia had nog steeds niks gezegd.

Hoofdstuk 5: In het mortuarium

Voor haar opleiding had Sofia al een aantal keren met lijken te maken gehad, maar het werd er nooit makkelijker op. Het felle, kille licht van de tl-buizen, de penetrante geur van desinfecterende middelen - het droeg allemaal bij aan haar gevoel van onbehaaglijkheid.

“De burgemeester heeft me al op de hoogte gebracht van uw komst,” vertelde de mortuariummedewerker. “Deze kant op, alstublieft.”

Sofia en Marijn volgden het kleine mannetje, die bijna geheel gekleed was in mintgroene kledij. Zelfs om zijn hoofd en voeten zaten beschermzakjes. Op een naamplaatje op zijn borst stond ‘Gérard de la Fontaine’.

“Hier is het.”

De ene muur zat vol met koude, ijzeren vrieskisten, waarin lades met lijken in geschoven konden worden. Vermoorde vrouw één werd naar buiten getrokken op zo’n plaat, en vervolgens werd het dunne laken dat haar bedekte van haar afgetrokken.

“Mevrouw S. Smid, 29 jaar oud. Kaukasisch, 1.70 meter en 80 kilogram.”

Ze was verminkt - haar gezicht zat vol met snijwonden en het leek wel alsof er prikkeldraad om haar hoofd had gezeten.

Marijn wreef over zijn baardje. “Welke ingewanden mist deze?”

“Beide nieren.”

“Kunt u ons nog iets meer vertellen over haar?” vroeg Sofia. De burgemeester had hen niet veel informatie over de omstandigheden gegeven, en ze konden lastig bij de politie aankloppen. Marijn wist deze dingen ongetwijfeld al wel, maar Sofia had geen idee. Ze had niet veel aandacht besteed aan het nieuws dankzij de stress rondom Marijns rechtszaak.

“Ze is hier in het bos gevonden, door een hond,” zei Gérard. “Een corgi.” Hij knipoogde. “Leuke beesten. Hoe dan ook: ze was woonachtig in Assen, en we hebben tot nu toe geen idee hoe ze hier terecht is gekomen.”

Marijn bekeek het lijk grondig, maar kon er weinig uithalen. Diepe kleine wondjes van een doornenkroon om haar hoofd. Blauwe plekken rondom haar polsen alsof ze veel heeft tegengestribbeld, snijwonden over haar hele gezicht en een grote wond op haar buik die intussen dichtgenaaid is, waarbij haar nieren verwijderd zijn. Waaraan is zij dan overleden? Geen teken van wurging of verstikking of wat dan ook.

Marijn keek naar Gérard en vroeg: ‘’Wat was haar geloof?’’

Gérard keek op zijn klembord met informatie en zei: “Ze heeft geen geloof voor zover ik weet. Waarom is dat belangrijk om te weten?”

Marijn wreef opnieuw over zijn baardje en mompelde: ‘’Hm, dus het heeft niks met haar geloof te maken in ieder geval - waar is het voorwerp dat op haar hoofd was bevestigd?”

Gérard keek Marijn verbaasd aan. ‘’Hoe wist u dat?’’

Marijn schoof een stukje donkerbruin haar opzij en wees op de kleine gaatjes op het voorhoofd. ‘’Die wondjes laten zien dat er iets op haar hoofd heeft gezeten.’’

‘’Dat klopt,’’ zei Gérard, en hij liep weg. Een paar tellen later kwam hij terug met een doornenkroon.

Marijn pakte het aan en Sofia vroeg: ‘’Wat is dat?’’

‘’Oh ja, dat klopt,” zei Marijn. “Jij bent een moslima.” Hij liet de doornenkroon zien en vertelde: “Je kent Jezus Christus wel, hè? Nadat de Romeinen hem aan zijn kruis hadden gehangen zetten ze een doornenkroon op zijn hoofd. Dat was een kroon gemaakt van de takken van een doornstruik. Samen met een mantel die Jezus droeg voordat hij aan de kruis gehangen werd vormde dat een bespotting van zijn 'koningschap'.”

“Dus,” zei Sofia langzaam, terwijl ze een beetje nadacht over wat Marijn had verteld. “Bedoel je dat de moordenaar een doornenkroon op zijn slachtoffers’ hoofden zet ter bespotting? Dan lijkt het er op dat de moordenaar zijn slachtoffers kent, toch?”

Marijn knikte, en zei: “Ja, dat klopt, maar wij weten niet wat ze met de moordenaar gemeen hebben. Het kan zijn dat het exen van hem zijn, maar ook oud-collega's of oude klasgenoten die hem misschien gepest hebben. Wellicht zijn het vrienden of vervelende familieleden, waar hij nog geld van krijgt. Het kan ook nog veel dieper gaan. Mensen die zijn gezin hebben lastig gevallen - of mogelijk heeft hij een zwaar trauma opgelopen, waar hij jaren mee gezeten heeft en waarvoor hij nu wraak wil nemen. Wie weet wat er allemaal afspeelt in dat hoofd van hem, maar we zijn terug bij af - en daarom zijn wij hier in het mortuarium voor eventuele nieuwe aanwijzingen.”

Marijn keek Gérard aan en seinde dat het lichaam terug in de vrieskist mocht. “Volgende, alsjeblieft.”

Gérard knikte en haalde slachtoffer nummer twee uit haar kille, tijdelijke begraafplaats. Deze vrouw was iets ouder, en zat onder de blauwe plekken. Net zoals de eerste vrouw was er gesneden in haar gezicht, en had er een gapend gat gezeten op de plek waar haar lever zou moeten zitten.

“Mevrouw H. Dagelet, 35 jaar. Kaukasisch, 1.65 meter en 60 kilogram.”

Voor haar dood was ze vast erg mooi geweest: haar lippen waren beschilderd met rode lippenstift en haar donkerblonde haren waren gekruld. Nu zag ze er erg zielig uit, als een dood dier in een slachthuis.

“Deze mevrouw lag bij het oud vuil,” aldus Gérard. “Ze was per ongeluk meegenomen door de vuilniswagen, en daardoor is niet zeker te zeggen wat ze op of om haar lichaam had. De politie is nog afval aan het doorzoeken, maar tot nu toe geen doornenkroon.”

Marijn woelde een beetje door het haar van het slachtoffer en vond ook hier kleine afdrukjes in de huid.

“En het derde slachtoffer?” vroeg Marijn.

De volgende lade werd opengeschoven. Deze vrouw had overduidelijk al een tijdje buiten gelegen voordat ze werd gevonden - ze was in een verdere staat van ontbinding.

“Deze is nog niet geïdentificeerd…” zei Gérard droevig. “Gevonden in een steegje achter de bibliotheek.”

Sofia moest haar best doen om niet te kokhalzen. Maden en insecten waren al bezig geweest om de vrouw op te eten. Haar lichaamsdelen waren verkleurd en opgezwollen.

“Welke organen zijn hier weg?” wilde Marijn weten. Hij weigerde om deze vrouw aan te raken.

“Uh,” Gérard bekeek zijn klembord nog eens goed. “Geen. Wel een vinger, maar omdat die duidelijk afgerukt is kan dat ook door een wild dier gedaan zijn.”

Marijns felblauwe ogen spreidden zich verder open. “Verdomme,” siste hij. “Dan is er dus nog een slachtoffer ergens!”

Sofia ademde scherp in. “Het hart! Het volgende slachtoffer is nog niet gevonden!”

“Juist ja.” Marijn draaide zich om en marcheerde richting de uitgang. Hij stak zijn wijs- en middelvinger omhoog in een groet. “Ik weet genoeg, bedankt. Ik zal hier ongetwijfeld wel weer terugkomen.”

“O-oké,” stamelde Gérard. Iets aan Marijn maakte hem erg onzeker.

Sofia rende snel achter Marijn aan en knikte naar Gérard. “Tot ziens.”

“Tot ziens, mevrouw.”

Hoofdstuk 6: Stilte

Dit was het moment waar Marijn de grootste hekel aan had: het wachten op nieuwe aanwijzingen. Er konden levens gered worden, criminelen opgepakt. Maar niemand wist simpelweg genoeg om dit te doen.

Hij stond in een bushokje, tussen twee oude dametjes gepropt. Een van hen had een rollator bij zich, de andere een trolley en paraplu. Wanneer kwam die verrekte bus nu eens?

“Heb je het gehoord?” vroeg de ene dame aan de andere. “Over die moorden hier in de buurt?”

“God, ja. Ik durf de straat bijna niet meer over.”

Marijn rolde met zijn ogen. Alsof die seriemoordenaar achter hen aan zou gaan. Nee, het was wel duidelijk dat hij liever voor jong vlees ging. En waarom hun ingewanden? Waren dat een soort trofeeën voor hem? Of zou hij ze zelfs opeten, a la Hannibal Lector? Hij had overduidelijk redelijke kennis van de menselijke anatomie. Waar zou hij de organen in vervoeren? Het hart dat hij naar de burgemeester had gestuurd zag er perfect uit, ondanks het feit dat het lichaam zelf zo ondertussen weg aan het rotten moest zijn. Waar het ook was.

“Het bos, het vuilnis, de bibliotheek,” mijmerde Marijn hardop. “Hij lijkt geen voorkeur te hebben voor dumpplekken.” De oude vrouwtjes naast hem keken hem met vreemde blikken aan. “Mogelijk heeft hij de lijken achtergelaten op de plek van (of dichtbij) de moorden zelf. Dat zou betekenen dat er mogelijk nog meer aanwijzingen daar te vinden zijn. Heeft de politie weer eens een rommeltje gemaakt van… Taxi!”

Er sjeesde een taxi voorbij, en Marijn ging er plotseling achterna. Hij kon niet zo lang wachten op die strontbus, hij moest nu onderzoek doen. De taxi stopte, en Marijn trok wild de deur open.

“Naar de bibliotheek!” commandeerde hij.

De taxichauffeur gehoorzaamde stilletjes.

De bibliotheek was al een aantal maanden verlaten. Elk dorp wordt sinds jaar en dag getroffen door bezuinigingen; niemand wil natuurlijk nog geld besteden aan krimpregio’s. Uiteindelijk moest ook de bibliotheek in Marijns woonplaats eraan geloven - en in rap tempo werd het gebouw afgetakeld door de natuur en verveelde jongeren. Binnen was het een en al lekkage, buiten was alles bedekt door graffiti.

Desalniettemin was het grote gebouw voor de bewoners nog steeds ‘de bibliotheek’.

Marijn stapte uit de taxi en gooide een stapeltje biljetten naar de chauffeur. “Hou het wisselgeld maar. Wegwezen. Ik heb wat privacy nodig.”

Hij was van plan om in te breken.

Deze keer was Sofia er niet bij. Marijn had haar naar huis gestuurd, omdat ze zich niet goed voelde. Ze stond eerder al op het punt om over te geven, en wie weet wat ze in of om de bibliotheek zouden aantreffen.

Marijn liep om het gebouw heen, dat er nogal zielig en alleen uitzag. Boven waren de ramen kapot geslagen en her en der zaten scheuren in de muren.

Hij kwam bij een klein raampje uit waar hij net doorheen zou kunnen kruipen. Hij bekeek het raam en zijn gedachten maalden: Enkel glas, zwakste plek zit rechtsonder in een hoekje. Het houten kozijn houdt het raam gespannen.

Hij keek om zich heen voor de zekerheid, maar de struiken hielden hem bedekt. Dus hij trapte de ruit in. Met de punt van zijn schoen tikte hij alle scherpe glasscherven weg en kroop vervolgens naar binnen. Het was erg donker binnen. Marijn klopte het stof van zijn colbertje en haalde een lampje tevoorschijn. Hij scheen met het dunne lichtstraaltje in het rond en zag dat hij in een gang uit was gekomen. Met een laatste blik op het raam liep hij verder.

Op de muren hingen prenten en schilderijen van oude mensen. Aan de haarstijl van een vrouw te zien, leek het erop dat ze uit de 50-er jaren stamden. Marijn keek naar boven en zag een aantal wandkandelaars hangen. De bibliotheek was nog niet eens zo lang dicht, maar Jezus - wat hadden ze het interieur laten verloederen. Alles was oud en kitscherig. Zelfs het behang had 1950 all over it.

Marijn bekeek de wandkandelaars aandachtig. Ze waren allemaal stofvrij, dat was wel vreemd. Verder was alles in het gebouw bedekt met een dikke laag stof. Hij liep naar de kandelaars toe en bestudeerde de kaarsen die erin gestoken waren. Het kaarsvet was nog nat. Alsof ze net uitgeblazen waren. Langzaam stak hij zijn vinger in het kaarsvet. Warm. Hij voelde de hitte op zijn vinger. Daar koelde het al snel af en werd hard. Hij veegde het af aan zijn jas. Blijkbaar was er nog kort geleden iemand geweest. Bijzonder.

Marijn liep de gang uit en kwam aan in het hoofdgedeelte van de bibliotheek. Alle boeken waren natuurlijk al lang weg, maar de kasten en stellages stonden er nog. Gebroken tegels knarsten onder zijn voeten.

Een paar meter verder stond een deur op een kier, en Marijn liep er naartoe. Hij hield zijn lampje op de deur gericht. Hij gaf het oude, witte hout een duwtje, en het ging met een krakend geluid open. Het was rot, alsof de houtwormen wekenlang bezig waren geweest. Eenmaal door de deur scheen Marijn in het rond. Torenhoge boekenkasten kwamen boven hem uit. Boeken lagen her en der over de grond verspreid. Sommige lagen open op de grond en bij een aantal boeken lagen de bladzijdes verscheurd op de grond. Een aantal boeken waarvan de kaften los hadden gelaten, lagen nog steeds in de kasten. Hm. Deze ruimte was helemaal niet ontruimd. Misschien waren deze boeken onbelangrijk, of had niemand ze willen kopen. Tragisch.

Marijn speurde de boekenkasten af, en zag aan het einde van de rij een gedaante zitten. Hij scheen op het gezicht van de gedaante, en die kneep zijn ogen dicht - alsof hij niet tegen licht kon. Marijn liep naar hem toe en knielde bij hem neer. Ze keken elkaar aan, en Marijn vroeg: “Ben jij hier alleen?” De gedaante schudde langzaam zijn hoofd, en Marijn ging verder: “Wonen jullie hier illegaal?” De gedaante schudde opnieuw met zijn hoofd.

Pandkrakers of asielzoekers, dacht Marijn, en hij stond op. “Jullie hoeven niet te vrezen. Ik weet niet waar jullie je hebben verstopt, maar ik kom hier niet voor jullie. Ik kom hier voor een oud lijk, dat ze hier een tijdje geleden achter de bibliotheek hebben gevonden. Uiteraard liggen er hier nog een aantal aanwijzingen in de buurt. Blijf op jullie plek zitten als het even kan.” Er klonk zachtjes geroezemoes. “Mijn naam is Marijn Borka, en ik ben een detective.”

Een zacht stemmetje (mogelijk van een kind), zei: “Ik ken jou, jij hebt mijn nichtjes geholpen.”

Sproet en lintjes, dacht Marijn, en hij draaide zich om in de richting waar de stemmen vandaan kwamen. “Bedoel je Roos en Iris?”

“Jij bent de beroemde detective, Marijn Borka.”

Marijn Borka sloeg zijn ogen ten hemel en zei spottend: “Dat valt nog mee, de politie heeft twijfels in mij. Dankzij hen zat ik bijna in de gevangenis.”

Hij tuurde opnieuw in de richting waar de stem vandaan kwam, maar het was te donker. Zelfs als hij met zijn lamp daarheen wees, zag hij niemand zitten.

“Tja,” zei de stem. “De politie is gewoon jaloers dat jij ze sneller af bent, en dat jouw opdrachten meer levens redden.”

“Ja, maar ik heb nu weer een volgende opdracht: om mijn eigen leven te redden,” antwoordde Marijn geïrriteerd.

“Ik heb een hint waar je misschien iets aan hebt.”

Er belande iets kleins voor Marijn zijn voeten op de grond. Marijn scheen met zijn lamp op de grond en pakte het voorwerp op.

“Je hebt momenteel niks aan dit voorwerp, maar ik weet er wel iets meer over.”

Marijn hield het voorwerp op ooghoogte en bekeek het nauwkeurig. Het was een stuk bot van een vinger. Derde dader, dacht hij.

“Het is van een ringvinger en er heeft een ring om gezeten.”

Een nieuw voorwerp viel bij de voet van Marijn neer. Marijn bukte opnieuw en pakte het tweede voorwerp op.

“Deze ring zat om de vinger heen, kijk naar de binnenkant van de ring.”

De gouden ring met een diamanten steen erop glom in het licht van Marijns lampje. Er stond een naam aan de binnenkant van de ring gegraveerd: Billy.

“Hoe kom je hieraan?” vroeg Marijn.

“Ik ben een zakkenroller, moet ik meer zeggen, meneer Borka?”

“Dus jij komt mijn zakken ook rollen.”

“Oh, nee, nee, nee, meneer. Ik heb enorm veel respect voor jou. Je hebt mijn nichtjes geholpen, dus ik help jou. Maar ik wil wel graag de ring terug, eerlijk gestolen.”

“Natuurlijk,” zei Marijn. “Ik leg hem hier neer, goed?” Hij legde de ring op de plank, naast een paar boeken. “In ieder geval, bedankt. Mocht je last krijgen van de politie wegens zakkenrollen, dan zal ik jouw naam zuiveren.”

“Dat zal niet nodig zijn,” zei de stem.

“Prima.” Marijn draaide zich om en liep weg.

Eenmaal terug in zijn appartement zat Marijn op zijn bureaustoel, voorover gebogen op zijn bureau. Diep in zijn gedachten was hij verdwaald geraakt, met de ring als enig bewijs.

Hij wreef een paar keer in zijn ogen en was van plan om wat whisky te pakken - maar opeens ging de telefoon. Hij drukte een paar keer op de verkeerde knop van de dumbphone en nam toen op: “Wat.”

“Marijn Borka?”

“Ja, dat ben ik.”

“Dit is de burgemeester. U kunt maar beter even de televisie aanzetten.”

Met deze boodschap verbrak hij de verbinding weer. Marijn slaakte een diepe zucht. Hij had koppijn en helemaal geen behoefte om nu tv te kijken. Maar goed.

Hij stond op en drukte de aanknop in. Welke zender dan?--Jezus.

Het maakte niet uit op welke zender hij hem zette: Nederland 1, 2 én 3 zonden allemaal hetzelfde uit. Er was opnieuw een vrouw vermoord.

‘... uit onderzoek van de politie is nog een akelig detail naar voren gekomen: het slachtoffer, een 36-jarige vrouw uit Bransof, was zwanger voor haar moord. De dader heeft haar baarmoeder met kindje en al verwijderd. De baby en de baarmoeder zijn niet teruggevonden op plaats delict, maar volgens de politie was hij niet levensvatbaar.’

“Godverdomme,” gromde Marijn. Twee moorden voor de prijs van een. Hoe walgelijk kon je zijn?!

Hij sloeg met zijn hand tegen de muur. “Ik zal je wel krijgen, hufter. Ik zal er voor zorgen dat jij de rest van je leven achter de tralies mag doorbrengen, zonder dat je ooit weer een vrouw of kind voor ogen krijgt!!!”

Hij greep weer naar zijn mobiele telefoon, en belde de burgemeester terug.

“Leuk nieuws zo op de zaterdagavond, niet?” zei de burgemeester sarcastisch.

“Ik heb het gevoel dat ik moet kotsen, en ik heb over het algemeen een hele sterke maag,” antwoordde Marijn boos. “Die klootzak, ik--”

“Geen zorgen, ik heb ook nog wat leuker nieuws. Of… nou ja, het is maar hoe je het bekijkt natuurlijk.”

Get to the point.”

“Het slachtoffer droeg een GoPro.”

Marijn bleef even stil. “Een watte?”

“Een GoPro. Ken je dat niet?”

“Moet dat dan?”

“Ik had al gehoord dat je een beetje digibeet was, maar--”

“Bespaar me dat gezeur a.u.b.. wat is een GoPro?”

“Een bodycam. Ze heeft dus alles gefilmd zonder dat de dader het wist.”

“Oh. Staat er iets bruikbaars op?”

Even klonk er wat papiergeritsel. “Geen gezicht helaas. Hij droeg een lang gewaad en een hoge hoed. De resolutie van de camera was te laag om veel details op te nemen. Wat we wel weten is dat hij lang, grijs haar heeft. Ik stuur je een fax.”

“Bedankt, burgemeester.”

“Geen probleem. Slaap lekker… en happy hunting.”

Hoofdstuk 7: Billy

“Een ring?” vroeg Sofia aan de andere kant van de lijn. Haar stem klonk nog wat slaperig. Het was vroeg. Ze stond op de bus te wachten, die haar naar Marijns appartement zou brengen. Maar het openbaar vervoer in deze regio had haar wel vaker bij deze halte laten staan.

“Yep,” zei Marijn. “Met de inscriptie ‘Billy’. Ik verwacht dat de moordenaar deze ring (inclusief vinger) met een reden heeft verwijderd. Hij wilde niet dat iemand hem zou vinden. Dat zou betekenen dat deze ‘Billy’ iemand dichtbij hem is… of hijzelf.”

“Ah, ik hou van deze momenten,” zong Sofia. “Als we eindelijk weer een breakthrough hebben.”

“En die hebben wij,” viel Marijn haar in de rede. Hij probeerde niet te veel te denken aan de moord van gisteravond. Hij voelde zich nog steeds misselijk.

“Wat? Een breakthrough? Met wat? Die ring? Wij weten misschien wel hoe die moordenaar heet, maar dan nog weten we niet waar hij is.’’

‘’Nee, dat klopt. Maar wij zijn nu wel een stukje verder gekomen. Het is niet zomaar een ring. De ring was van echt goud met een echte diamant erboven op.’’

Even was het stil aan de telefoon, en daarna zei Sofia zachtjes: “Echt goud? Echte diamant? Die ringen kosten honderden euro’s. Ehhh, nou ja, ik heb die ringen in een juwelierszaak gezien laatst en--’’
‘’Rustig, Sofia,” zei Marijn. “Je kwijlt jouw mobiel nog onder. Ik heb de ring zelf niet, ik heb het alleen even in mijn handen gehad en ik heb een beetje informatie erover gekregen, meer niet.”

Opnieuw was Sofia even sprakeloos. Toen vervolgde ze, op een normale toon: ‘’Ja, nou ehhh, hij was van iemand anders toch?’’

‘’Inderdaad. Zover ik kon zien was het een oude trouwring. Dat betekent dat wij nu weten dat de slachtoffers ex-vriendinnen of ex-vrouwen zijn van de moordenaar genaamd Billy.” Marijn schraapte zijn keel. “Om even terug te komen op de doornenkronen die op de hoofden van de slachtoffers hebben gezeten... Billy is een wat oudere man met een katholiek geloof. Wat wij nu gaan doen, is erg simpel. Wij gaan zondag naar de kerk. Als het moet gaan we elke kerkdienst bijwonen. Het is twee keer per zondag, dus het kan best saai worden.”

“Saai?” vroeg Sofia. “Waarom dat?”

“Het is ten eerste koud en stilletjes en ik ben geen persoon die één à twee uur in een stuk door naar een verhaal kan luisteren. Dan krijg ik of slaap, of barstende koppijn.”

“Oké… en hoe weet je dat het een oudere man is?”

“Dat is erg simpel. Hoeveel katholieke jongeren gaan er nog naar de kerk?”

“Geen idee.”

“Geen enkel kind meer, dat is allemaal ouderwets.”

Marijn drukte zonder gedag te zeggen op het rode hoorntje van zijn mobiel, en keek naar de doornenkroon die hij mee had genomen uit het mortuarium. Hij pakte hem op en bekeek hem grondig. De puntjes van de doorntjes zijn bedekt met bloed. De takken zijn van een doornstruik geknipt, netjes ook. Tuinieren als hobby? Ingewanden zijn professioneel verwijderd. Arts of slager van beroep? Wat moet hij dan met de menselijke ingewanden? Verkopen en bijverdienen? Dan kan het geen arts zijn. Die hebben een goed pensioentje. Misschien toch een slager?

Marijn keek door de doornenkroon heen en schrok. Sofia stond naar hem te kijken. Haar twee verschillende gekleurde ogen keken hem doordringend aan en ze haar haar lange zwarte haar gekruld, zodat het leek alsof ze een grotere bos had. Hij legde de doornenkroon op het bureau en keek haar aan. “Waar kom jij plotseling vandaan?”

“Hoezo? Ik sta hier al een kwartiertje,” zei ze. “Je staat al een tijdje naar dat ding te staren met je dromerige ogen.” Ze wees op de doornenkroon.

Ze ging op een stoel tegenover Marijn zitten, en vroeg: “Heb je nog meer ontdekt?”

Marijn bleef haar aankijken en negeerde haar vraag. “Waarom heb je nu deze stijl haren? Heb je een vlammetje?”

Sofia keek Marijn twijfelend aan - alsof ze zo meteen de wind van voren zou krijgen. Ze schudde haar hoofd. “Nee, ik wilde gewoon iets nieuws uitproberen.”

Even was het stil, alsof het elk moment kon gaan stormen in huize Borka.

“Het staat je fantastisch,” zei Marijn, en hij knikte goedkeurend.

Sofia keek even verbaasd en glimlachte. “Dankjewel.” Ze bloosde.

“Maar om nu even terug te komen op je vraag...” Marijn pakte de doornenkroon en stond op.

Hij liep naar het prikbord en hing de doornenkroon bovenaan de rand van de bord; haalde zijn bril van zijn gezicht af en poetste de glazen schoon met een mouw. Hij zette de bril weer op en begon te ijsberen. “Ik neem aan dat het om een slager gaat.”

“Een slager?”

Als dokters met pensioen gaan, dan hebben ze een aardig pensioentje opgebouwd. Een slager daarentegen niet, daar verdienen ze te weinig voor. Ik denk dat als het om Billy gaat en hij verwijdert de ingewanden, dat hij zal moeten bijverdienen voor zijn oude dag.”

“Hoe weet je dat Billy met pensioen is?” vroeg Sofia.

“Simpel: op die mevrouw Smid na zijn alle vrouwen boven de veertig jaar, en omdat hij nog gelooft in Jezus Christus - met die doornenkroon...” Marijn wees naar het stekelige object. “Moet het wel een ouder iemand zijn, die nog de regeltjes volgt.”

“Kan het ook geen Jehova getuige zijn?”

“Ook daar heb ik aan gedacht, maar nee: dan verliest hij een klant om het zomaar even te noemen. Die zijn iets te gelovig, dus zullen zij geen mensen vermoorden en daarbij, zijn de ingewanden professioneel verwijderd, door een arts of slager. Fascinerend is het niet, beste Sofia?”

Sofia leek eerder verward. “Ik vind het nogal ingewikkeld.”

“Voor jou misschien wel ja, maar we weten meer als we eerst naar een kerk gaan aanstaande zondag, en dan naar de slager.”

Sofia dacht nog even na. “Waarom niet omgedraaid? Eerst naar de slager en dan naar de kerk. Op zondag is de slager niet open.”

“Goed opgelet, Sofia, je bent er nog bij. Wat betekent dat je het nog een beetje kan volgen. Kom op.” Marijn stond op en pakte zijn jas van de kapstok af. Sofia was ook opgestaan en liep vlug achter Marijn aan.

“We gaan toch niet nog meer lijken zien, hè,” zei Sofia, terwijl ze het appartement hadden verlaten en naar buiten liepen.

“Nee,” zei Marijn. “Wij gaan de moordenaar zien.”

“Ik weet niet wat ik enger vind… de lijken die roerloos blijven liggen of de moordenaar die nog steeds rondloopt.”

Bij de slager aangekomen haalde Sofia paar keer diep adem --om haar spanning te verminderen-- en wilde eigenlijk direct naar binnen lopen. Maar Marijn hield haar tegen door haar bij haar haardos te pakken en haar terug te trekken.

“Auw!” schreeuwde Sofia uit. Ze pakte Marijn zijn arm en zei boos: “Waar was dat goed voor?”

“Sorry, normale gewoonte. Gewoonlijk pak ik iemand bij zijn kraag als ik achter die persoon loop en ik hem moet tegenhouden. Al moet ik zeggen dat het zo wel beter gaat. Ik kon je makkelijker sturen.”

“Wat ben je soms toch ook een klootzak,” gromde Sofia.

“Je bent niet de eerste vrouw die dat tegen me heeft gezegd, en vast ook niet de laatste!”

‘Brouwer’, stond er op het bord boven de slagerswinkel. Hoewel de voordeur dicht was, kwam er toch de lekkere geur van gebraden vlees naar buiten drijven. Aan de achterkant van het gebouw rook het vast niet zo lekker - want daar was de slachterij, waar arme dieren langzaam in stukjes werden gehakt. Sofia slikte nerveus.

“Gaan we niet naar binnen?”

“Eerst inventariseren,” mompelde Marijn. “Heb je nou niks geleerd in onze tijd samen. Bovendien denk ik niet dat we in de winkel hoeven te zijn… ik ben meer geïnteresseerd in wat zich in de slagerij afspeelt.”

Hij zag een smal tegelpaadje langs de slagerij kronkelen. Hij gaf Sofia een por en wees op het steegje, dat bijna niet zichtbaar was. Iedereen zou zonder op te letten er zo aan voorbij lopen.

Marijn liep naar het steegje toe en ging tegen de muur staan. Hij pakte zijn sigaret en stak die aan. Sofia zag een kleine poster aan het raam van de slagerij hangen en bestudeerde hem aandachtig. Ze tuurde af en toe ook in de winkel zelf, maar ze zag dat er momenteel niemand aanwezig was. “Hier staat: ‘wegens overlijden van de eigenaar (B. Brouwer) is Slagerij Brouwer voor onbepaalde tijd gesloten. Binnenkort in dit pand: IJssalon Fons Letterman’. Zou dat onze Billy kunnen zijn? En hij is dood?” Ze keek terug naar Marijn die aan een sigaret zoog en de vieze rook even later weer uit blies.

“Ik geloof er geen reet van,” antwoordde Marijn. “Zie je niemand?”

Ze knikte als teken dat de kust veilig was, en Marijn observeerde het steegje.

Het zag er verlaten en donker uit, ondanks dat het licht was. Het werd overdekt door takken en bladeren van verscheidene boomsoorten. Aan het einde van de steeg zat een zwarte kat stilletjes op een container om zich heen te kijken, mogelijk op zoek naar restjes afval van de slager.

Marijn draaide zijn hoofd en keek naar Sofia. Hij knikte dat Sofia moest komen en ze liep naar hem toe. Hij gaf zijn sigaret een laatste heisje, drukte hem daarna tegen de muur uit en gooide hem weg.

Ze liepen voorzichtig het smalle steegje in. Hoe verder ze het steegje in gingen, hoe killer het werd. Een koude windvlaag blies door het steegje en er zaten dikke lagen mos op de muren. “Brrrrr,” rilde Sofia. “Ik krijg koude rillingen van dit steegje. Alsof wij de dood tegemoet lopen of iets dergelijks.”

De zwarte kat keek het tweetal aan met zijn donkergroene ogen. Naarmate ze dichterbij kwamen stond de kat langzaam op en sprong op de schutting. Na een laatste blik op Marijn en Sofia sprong de kat van de schutting af en verdween uit het zicht.

Ze stopten bij het einde van het gebouw en keken om de muur heen. De achterdeur van de slager stond open en de slachterij zelf was dicht.

Marijn keek Sofia aan en zei zachtjes: “Hou jij de wacht bij de buitendeur, dan probeer ik de deur van de slachterij te forceren.”

Sofia knikte en liep voorzichtig naar de openstaande deur. Ze gluurde naar binnen en stak haar duim op als teken dat het veilig was.

Marijn liep naar de deur toe en hurkte voor de deur (op slot). Nadat hij het slot aandachtig had bekeken, pakte hij zijn etui uit de binnenkant van zijn jas. Hij haalde er een naald en een paperclip uit, boog de paperclip om en stak de naald en de paperclip in het slot. Na een paar tellen te hebben gerommeld met het slot, klikte het open en opende Marijn de deur. Een muffe lucht kwam uit het gebouw en Marijn keek even naar binnen, maar daar was het donker. Hij stopte de naald en paperclip terug in zijn etui, haalde de lampjes eruit en stopte de etui terug in de binnenkant van zijn jas.

“Sofia” snauwde hij zachtjes, en hij keek op. Hij viel van schrik bijna op de grond maar kon zichzelf nog net opvangen. Sofia stond al achter hem voordat hij zich omgedraaid had. Haar grote bos zwarte haar hing op een halve meter van hem vandaan.

“Laat me niet schrikken,” siste Marijn opnieuw, maar keek toch goedkeurend naar Sofia. “Je begint het al wel te leren om sneller op te letten.” Hij gaf een lampje aan Sofia. “Ga zo door.”

Ze liepen naar binnen en bevonden zich al snel in een pikdonkere ruimte. Ze klikten hun lampjes aan en keken in het rond. Sofia deed de deur achter hen dicht en het werd meteen nog donkerder, ondanks dat er licht uit hun lampjes kwam. De lichtbronnen waren te zwak om de hele ruimte op te vullen.

“Goede techniek, Sofia,” fluisterde Marijn zachtjes. “Zo valt het niet op dat de deur geforceerd is.”

Samen schuifelden ze in het rond, en kwamen al gauw in een ruimte met ijzeren balken aan het plafond. Er hingen haken aan de balken, maar godzijdank waren er op het moment geen karkassen aan bevestigd. Marijn verwachtte dat het vlees dat er wel was allemaal was opgeborgen in de vriezer. Hij vond de vriezer best snel -- de ijzig gekoelde ruimte lag achter een grote stalen deur.

“Moeten we daar echt in?” piepte Sofia. Ze had genoeg griezelfilms gezien waarin slachtoffers in de koelcel opgesloten werden.

“Als jij buiten blijft staan dan moet het oké zijn,” zei Marijn. Ook hij kende de horrorverhalen.

Terwijl Marijn naar binnen ging, scheen Sofia met haar lampje op de grond. De vloer was verre van schoon. Overal zaten bloedvlekken en de overblijfselen van bloedplassen. Er waren zelfs wat spetters op haar witte Allstars gekomen. Die kon ze dus wel weggooien.

“Zie je wat?” vroeg ze ongeduldig.

“Nope,” antwoordde Marijn, die op dat moment weer naar buiten kwam. “Niks bijzonders. Allerlei soorten vlees… karkassen, organen. Maar niets ‘menselijks’.” Hij zuchtte. Misschien liep deze zoektocht toch op niks uit.

“Ik kijk daar wel even,” zei Sofia, en ze wees met haar lichtstraaltje op een zijkamer. Er was vaag de uitlijning van een bureaustoel te zien, waarschijnlijk was dat het administratiehok. Dat leek haar wel een veilige plek om te onderzoeken.

“Goed,” zei Marijn. “Dan ga ik daar kijken.” Hij duidde op een achterkamer met allerlei snijmachines.

“Okiedokie.”

“Als er wat is, zo hard mogelijk gillen.”

“Zal ik doen.”

“Behalve als je een spin ziet, ofzo.”

“Zo’n watje ben ik nu ook weer niet.”

“Ja, ja… ik herinner me nog goed die ene keer…”

Zonder tegen te spreken verdween Sofia in het administratiehok, en Marijn liep met kleine pasjes naar de achterkamer. De ruimte was groter dan hij had gedacht, maar dat moest ook wel met al die machines. Zijn voet kwam tegen iets zachts aan, en hij scheen snel naar beneden. Geen rat alsjeblieft geen rat geen rat… oh. Het was een paar fietstassen.

Marijn zuchtte en woelde vlug door de tassen. Er zat plastic binnenin en een koelbox, maar verder vond hij niks bijzonders.

“Hoe gaat het daar, Sofia?” riep hij zacht.

“Prima hoor,” zei ze terug. Haar stem klonk zwak in de verte. “Geen spinnen. Ook niks bijzonders in de administratie, maar ik zoek nog even verder.”

Marijns lampje begon opeens te flikkeren. Hij sloeg een paar keer tegen het ding maar daardoor ging hij helemaal uit. “Verdomme.” Hij was nu helemaal omringd door duisternis. En in een ruimte met scherpe apparaten was dat niet echt handig.

“Sofia?” riep hij weer. Maar deze keer geen antwoord. Wellicht was hij nu te ver gelopen om haar te horen. Hij haalde diep adem en spreidde zijn beide armen uit in de hoop om iets te vinden. Rechts was niks, maar aan de linkerkant was een tafel. Met de tafel als houvast slofte hij langzaam verder.

En toen hoorde hij iets.

Klang…

Heel zachtjes.

Kletter-etter-ter.

Alsof er een aantal voorwerpen omgeduwd waren door een haastig iemand.

Uh oh.

Hoofdstuk 8: De Slager

Alsof hij niet meer verblind in de duisternis stond, sprong Marijn naar voren. Hij vond binnen een paar tellen een achterdeur, en trok hem met al zijn kracht open. Au! Het licht buiten was te fel voor zijn ogen, die ondertussen gewend waren aan donker. Maar het duurde niet lang voordat ze zich aanpasten en focusten op een man met een opvallend grote zwarte hoed, die haastig op zijn fiets probeerde te springen. Het was een chopper-fiets, zo gemaakt dat hij op een stoere motor leek. Voorop de chopper zat een doodshoofd.

“Hey!” schreeuwde Marijn. “Staan blijven!”

Hij sprong in het schouderhoge gras van de overwoekerde achtertuin, en de man probeerde snel weg te fietsen. Maar het gras kwam tussen zijn raderen te zitten, dus in plaats daarvan ging hij het voertuig duwen, alsof het niet veel sneller was om gewoon weg te rennen. Domme zet.

“Klootzak!” riep Marijn. “Nu heb ik je!”

Met een grote sprong die zo in een kungfu film kon, landde Marijn bovenop de man en zijn chopper. De chopper kletterde op de grond en de man rolde er vanaf, terwijl hij zich hevig verzette tegen Marijn. Met z’n tweeën kropen ze door het gras, totdat de man een vlindermes tevoorschijn haalde.

“Daar blijven,” hijgde de man. Marijn was genoodzaakt om afstand te nemen en achteruit te krabbelen.

“Jij bent het,” zei Marijn. “Billy.”

“Nou,” grinnikte Billy. “Ik heb liever Binky. Wie maakt hier de dienst uit?” Hij zwaaide met zijn mes.

“Oké,” suste Marijn. “Binky. Aangenaam, Binky. Ik ben Marijn.”

‘’Marijn Borka,’’ zei Binky, en hij keek Marijn vals glimlachend aan. Zijn tanden waren bijna zwart van het jarenlange roken en hij was (dacht Marijn) al jaren niet meer bij de tandarts geweest. De zwarte hoge hoed was van zijn hoofd af gevallen en zijn grijze vettige haar hing in de war voor zijn ogen. Zijn chopper lag een eindje verderop. De schedel die voorop zijn fiets had gehangen als een lamp lag nu opengebarsten op de grond.

Binky hoestte een paar keer goed hard. “Ik heb je bekeken, Marijn. Jij en je vrouwtje. Lekker ding, wel.” Hij likte het glimmende lemmet van zijn mes.

Marijn stond op, stofte wat zand van zijn knieën af en zei: ‘’Ik heb je eindelijk te pakken.’’

Binky keek hem aan, begon te lachen en spuugde voor Marijns voeten op de grond. ‘’Oh, ja? Je hebt geen enkel bewijs om mij te laten arresteren.’’

Marijn pakte hem met grof geweld bij de voorkant van zijn gewaad, het mes negerend, en tilde hem op. Hij duwde hem tegen de bakstenen muur aan en Binky stootte hard zijn hoofd.

‘’Ik heb het nogal lastig voor jou gemaakt, hè?’’ zei Binky triomfantelijk.

‘’Jij bent deze keer onhandig geweest,’’ gromde Marijn. “Je had bij jou laatste slachtoffer één ding over het hoofd gezien, wat tegenwoordig nogal in is blijkbaar. Je laatste slachtoffer droeg een bodycam, want ze stond op het punt om te gaan mountainbiken met haar vriendinnen en je bent gefilmd.’’

Binky glimlachte, en zei: ‘’Dat bewijst nog niks. Ik verhul mijn gezicht altijd.’’

Maar Marijn, die Binky nog bij de voorkant van zijn gewaad beet had, trok Binky een halve meter van de muur af. Hij ramde hem terug tegen de muur aan, waarbij Binky opnieuw zijn hoofd stootte. “Die hele slachtpartij van jou is gefilmd en je hebt de baarmoeder verwijderd, ze was zwanger, Binky, ZWANGER.”

Binky stond op het punt om opnieuw te lachen, maar Marijn maakte een vuist en sloeg Binky zo hard in zijn gezicht dat hij voor de derde keer zijn hoofd tegen de muur stootte en bewusteloos onderuit op de grond viel. Voor de tweede keer lag Binky in elkaar gezakt op de grond.

Even later kwam er een politiebusje met luide sirenes de hoek om. Hij stopte vlak voor het tweetal. Twee vernuftige agenten stapten uit het busje en liepen naar Marijn en Binky toe.

De schuifdeur van het busje ging ook open, en een teleurgestelde Inspecteur Zwart kwam eruit. Ze werd gevolgd door een streng uitziende man. Het was diezelfde hoofdcommissaris die Marijn ook op het gemeentehuis had gezien.

“We werden net gebeld door ene Sofia Saqqaf,” zei Inspecteur Zwart. “En als ik het goed heb is dat jouw hulpje. Wat leuk om je weer te zien, Marijn. En op een crimescene, nog wel. Ik dacht dat de vorige keer wel de laatste keer zou zijn.”

“Onkruid vergaat niet,” zei Marijn. “Zoals je kunt zien aan deze tuin.”

Sofia kwam ook aanrennen. “Ah, gelukkig,” riep ze opgelucht. “Je bent in orde.”

“Natuurlijk ben ik in orde.”

“We kunnen niet hetzelfde zeggen van onze verdachte?” zei de hoofdcommissaris, die naar Binky keek. “Sla hem in de boeien.”

De twee agenten legden handboeien om de polsen van Binky, en tilden hem daarna --hij was nog steeds bewusteloos-- in het busje.

“Eh…” De commissaris keek naar Marijn. “Goed werk, Borka. De burgemeester had ons al op de hoogte gebracht van je vooruitgang in deze zaak. Ik waardeer je hulp ten zeerste.”

“Leuk,” zei Marijn, terwijl hij beduidend naar Inspecteur Zwart keek. “Wanneer kan ik mijn lintje verwachten?”

Hoofdstuk 9: Harteloos

“Waarom zijn we nu alsnog in de kerk?” zeurde Sofia.

Ze zaten op een lange, houten bank met als enige uitzicht een orgel en een beeld van Jezus aan het kruis.

“We hebben hem toch al?”

“Ja, we hebben hem… maar je moet bedenken dat hij slechts een verdachte is voor de wet. Een hoofdverdachte, dat wel. Maar het is altijd handig om extra bewijs te vinden. Bovendien is er nog een slachtoffer vermist… de vrouw zonder hart. En we moesten sowieso nog naar de kerk.”

“Wegens die doornenkronen.”

“Wegens de doornenkronen.”

Er kwam een priester op ze af. Zijn handen zaten netjes in zijn mouwen gestoken, als een monnik. Misschien had hij het koud. Er was geen verwarming hier.

“Meneer Borka?” vroeg de priester voorzichtig.

“Klopt,” zei Marijn. “Fijn dat u ons wilde spreken. Dit is de kerk waar Billy Brouwer regelmatig kwam?”

“Juist,” zei de priester. “Hij was zelfs een van onze meest belangrijke sponsoren. Zie hier.”

Hij leidde hen naar de wand, waar meerdere fotolijstjes hingen. Op een van de foto’s stond Billy, grijzend en tevreden. Hij droeg een net pak, maar de rest van hem was alsnog goor.

“Hij was erg vroom,” ging de priester verder. “Bijna… geobsedeerd door het geloof. Hij wilde alles tot in de details weten. Hij was vooral geïnteresseerd in de lijdensweg van Jezus Christus.”

“De kruisiging?” vroeg Sofia.

“Onder andere. Naar mijn mening was hij ervan overtuigd dat hij zelf Jezus Christus was, teruggekomen op aarde. Hij sprak altijd erg hoogachtend tegen de andere bezoekers, verlangde naar hun respect. Ik heb een paar keer bijna ruzie met hem gehad omdat hij vond dat ik iets niet juist vertelde.”

“Waarom zou hij de doornenkronen op de hoofden van zijn slachtoffers zetten?” peinsde Sofia.

“Ik citeer: uit Genesis 3.17,” sprak de priester met een soort geprogrammeerde toon. “‘En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen.’ Doornen waren een symbool voor de zonde.”

“Dus daarom,” mompelde Marijn. “In zijn ogen hebben zijn ex-vriendinnen en ex-vrouwen een grote zonde begaan door van hem te scheiden. Het was een manier voor de Romeinen om Jezus te bespotten, en Billy of Binky of hoe de man ook heet deed het als wraak, om de vrouwen aan de schandpaal te nagelen. Scheiden was en is natuurlijk not done volgens het strenge geloof.”

De priester knikte minzaam.

Een paar minuten later stonden Marijn en Sofia weer buiten in de frisse lucht, en ze voelden beiden een gevoel van verlichting over zich heen komen. Weer een stuk van de puzzel opgelost.

“Maar nu moeten we dus nog die laatste vrouw vinden,” zei Sofia, terwijl ze constant haar krullen uit haar gezicht moest wrijven. Het waaide best hard. “Tenminste, we hopen maar dat zij de laatste is.”

“Het is lastig te zeggen,” gaf Marijn toe. “Billy was in de unieke positie om zich makkelijk te ontdoen van zijn slachtoffers. Als hij gewild had, had hij hun lichamen compleet kunnen laten verdwijnen in zijn slachterij. Maar hij koos daar niet voor. Hij wilde liever de spot drijven met ze, en ze naakt en bewerkt achterlaten in de wereld. Dus ik neem aan dat dat voor al zijn slachtoffers gold. Toch blijft het een raadsel waar dan die laatste vrouw is.”

“De politie zal hem nu wel aan het ondervragen zijn,” zei Sofia. “Denk je dat ze succes zullen hebben?”

“Ik weet het niet. Maar wij mogen toekijken.”

“Echt?!”

Het was de kamer waar Marijn eerder ook in had gezeten. Maar nu stonden hij en Sofia aan de andere kant van de neppe spiegel, en konden ze zien hoe Binky verveeld aan tafel zat tegenover Inspecteur Zwart.

“De slachterij is niet eens meer in gebruik,” draalde Binky tegen de inspecteur. Het klonk alsof hij half dronken was. “Het wordt een ijssalon… een ijssalon.

“Dus jij hebt illegaal organen verkocht om je schulden af te betalen,” zei Inspecteur Zwart. “Waarom dan die hele poppenkast eromheen? Waarom heb je je slachtoffers zo bewerkt en laten lijden? Was daar een reden voor?”

Binky haalde zijn schouders op. Hij leek nog het meest op een onverschillige scholier die echt geen zin had om zijn best te doen op school. “Vond ik leuk.”

Inspecteur Zwart had duidelijk moeite met zichzelf beheersen. Haar handen trilden van weggestopte boosheid. “En de doornenkronen? Waarom die?”

“Ach… stond ze goed, toch?”

Inspecteur Zwart zuchtte. Binky leek niet van plan te zijn om heel erg uit te wijden over de moorden zelf. Dat hij zijn eigen dood had geënsceneerd om onder zijn torenhoge hypotheekschulden uit te komen, daar had hij geen problemen mee. Dat hij menselijke organen verkocht? De enige manier die hij zag om geld te verdienen. Maar zijn slachtoffers en wrede daden? Pfft.

Marijn friemelde met zijn sikje. Dat was vreemd. Het leek eigenlijk niet of Binky loog of iets verborg. Het was bijna alsof hij geen woorden kon bedenken voor zijn misdaden.

Inspecteur Zwart duwde een briefje naar voren. Het was het papiertje dat bij het hart had gezeten, met ‘Jack is Back’ erop.

“Dit hart behoort overduidelijk niet toe aan een varken,” zei ze. “Wie heb je hier voor vermoord?”

Binky schudde opnieuw zijn slappe schouders. “Zo goed is mijn geheugen niet meer, inspecteur… hehe… he… he…”

Opeens gebeurde er iets vreemds. Binky praatte tijdens het hele gesprek al moeizaam, maar nu leek het net alsof hij werd bediend door een onzichtbare poppenspeler. Zijn lichaamsdelen begonnen te schokken, eerst lichtjes, en toen hevig, en zijn ogen draaiden terug in de kassen.

“Molenaar!” gilde Inspecteur Zwart naar een agent die buiten de deur stond te waken. “Een ambulance, nu!”

“Wat gebeurt er?!” riep Sofia, die Marijn bij de mouw greep. “Heeft hij een hartinfarct? Of epilepsie?”

“Godverdomme,” vloekte Marijn, maar hij deed niks. Er was niks te doen. Wit schuim kwam uit Binky’s mond stromen, en toen was hij stil - doodstil. “Die vent heeft zichzelf vergiftigd ofzo.”

“Wat?”

Het was chaos in de kamer. Meerdere agenten zaten opeens om Binky heen, die levenloos op de vloer lag. Inspecteur Zwart drukte snel op een knopje, waardoor het beeld voor Marijn en Sofia verdween. Ze mochten niet meer toekijken.

“Hoe-hoe kwam hij aan gif?” zei Sofia met een bibberstem. “Weet je zeker dat het niet gewoon iets medisch was?”

“Nee. Daar was zijn gedrag te typisch voor.”

Marijn draaide zich om en begon het politiebureau te verlaten. Sofia trippelde achter hem aan.

“Maar hoe kan hij dan aan gif zijn gekomen? Hij stond de hele tijd onder bewaking, mocht geen bezoekers hebben. Daarnaast is hij grondig gefouilleerd. Hij had zelfs niet iets in zijn rectum kunnen verbergen, bij wijze van spreken!”

“Zo-zo,” zei Marijn. “Jij weet er wel wat van, hè?”

Sofia bloosde. “Ik heb wat met die ene agent staan praten.” Hij was nogal knap geweest.

“En daar zit nu net het probleem.”

“Wat bedoel je? Die agent?”

“Misschien niet die ene.”

Sofia fronste haar wenkbrauwen. “Huh?”

“Als wat jij zegt klopt --en ik neem aan dat het zo is-- dan blijft er dus nog maar een enkele mogelijkheid over.”

“En dat is?”

“Een politiemol.”

Hoofdstuk 10: De handlanger

Om wat tot bedaren te komen bezochten Marijn en Sofia een familierestaurant dichtbij het gemeentehuis. Het was er gezellig en de lucht was gevuld met prettig geroezemoes, maar toch konden Marijn en Sofia beiden niet echt kalmeren.

“Een handlanger…” mijmerde Marijn terwijl hij op zijn steak kauwde. “Beetje vreemd, niet?”

“Waarom is dat vreemd?” vroeg Sofia, die een smoothie zat te drinken. “Kunnen moordenaars geen handlangers hebben?”

“Op zich wel, hoewel het niet vaak voorkomt bij seriemoordenaars. Maar ik heb tot nu toe helemaal niet over die mogelijkheid gedacht. Het is ook niet logisch. Binky was constant in beeld. Binky Binky Binky. Hij paste gewoon voor 100% in het motief. Ik was er compleet zeker van dat hij de dader was.”

“Denk je dan dat hij dat niet is?!”

“Oh, zeker wel. Maar er is nog iemand anders bij betrokken geweest. Iemand die wist van Binky’s praktijken. Die er misschien wel voornamelijk verantwoordelijk voor was.”

“Hoe dat?”

“Nou, viel het je niet op hoe vaag Binky was tijdens de interrogatie?”

“Tuurlijk. Dat zou ik ook doen, als ik een moordenaar was.”

“Sofia…”

“Wat? Jij niet dan?”

“Dit is geen rollenspel, mevrouwtje.” Marijn duwde zijn lege bord van zich af en droogde zijn vettige lippen met een servetje. “Ik kreeg het idee dat Binky helemaal niet zoveel afwist van de details van de moorden. Zijn schulden, de verkoop van de organen van de slachtoffers. Ze waren zijn ex-vriendinnen en -vrouwen, het religieuze aspect… hij vertelde er bijna op trotse manier over. Maar als het over de moorden zelf ging? Stond hij me daar niet met een mond vol tanden?”

Sofia dronk haar glas leeg en ging toen verder met haar Caesar Salade. “Dat viel mij niet op.”

“Natuurlijk, jij was met je gedachten nog bij agentje Loverboy.”

Ze rolde met haar ogen. Omdat haar ene oog bruin was en de andere blauw, zag dat er bijna komisch uit.

“Wat ik bedoel is… is het niet alsof hij daar niet zoveel over wist? Alsof hij zelf die moorden niet heeft gepleegd? Ze simpel alleen heeft… geplunderd en gedecoreerd? Niet om met ze te spotten… maar om ze op de een of andere manier te redden?”

Sofia snoof. “Redden? Hij heeft hun organen eruit gesneden.”

“Nou, ja, redden is misschien niet het goede woord hier. Ik heb ooit een documentaire gezien over jagers, en die gebruikten echt elk onderdeel van hun prooien. Geen botje gooiden ze weg. Want dat is zonde. Iets wat je nog kunt gebruiken, laat je niet verrotten.”

“Oké… ik weet niet hoe ik daarover denk, maar het is een theorie.”

Marijn haalde zijn schouders op. “Ja, ik ben daar ook nog niet helemaal zeker van. Maar ja, als je terug kijkt naar de ondervraging, en het moment waarop Binky zichzelf van kant maakte: kreeg je niet ook de indruk dat hij iemand probeerde te beschermen? De persoon die het briefje echt gestuurd heeft, bijvoorbeeld?”

“Je bedoelt Jack.”

“Yep… Jack. Jack The Ripper. De echte Ripper.”

Sofia moest onbedoeld rillen. Wat een enge naam ook. Was de echte moordenaar ook van plan om te verdwijnen zoals de Jack The Ripper uit de 19de eeuw, zonder dat iemand ooit zijn echte identiteit zou vinden?

“Jack is dus iemand die hij goed kent…”

“Ongetwijfeld.”

Ze waren al snel klaar met hun eten. Marijn bestelde nog wat koffie. De avond was al gevallen, en het werd snel kouder. Sofia wilde niet alleen zijn deze avond. Ze voelde zich bang. De moordenaar liep daar buiten nog rond - misschien had hij het nu wel op hen voorzien.

Marijn schonk een beetje melk in zijn koffie en liet de beker daarna onaangeroerd staan. “We moeten uitzoeken wie allemaal een connectie hadden met Binky. Zijn familie, vrienden, buren, kennissen… vaste klanten. De mensen in de kerk.”

“Die zouden er toch niks mee te maken hebben?”

“Waarschijnlijk niet. Ik denk dat alleen Binky erg religieus was, de andere kerel deed het meer uit wraakgevoelens neem ik aan.”

“Dus iemand met een wrok tegen Binky?”

“Of iemand die juist heel veel van Binky houdt, en niet kon toe zien hoe hij keer op keer gedumpt werd.”

“Ik begin wel met geliefden dan…”

“Ja. Grote kans dat het laatste slachtoffer ook een ex-vriendin is van Binky. Gek dat ik daar nog niet eerder aan heb gedacht. Ik zal wel oud worden ofzo.”

Sofia haalde haar smartphone uit haar handtas en ging als eerste naar Facebook. Daar zocht ze op Billy Brouwer. Maar zonder resultaat. “Hij heeft geen Facebook.”

“Zag hij eruit als iemand die Facebook had? Sofia, je stelt mij teleur.”

Sofia keek Marijn verbaasd aan.

“Als alle moordenaars een eigen Facebook account hadden, dan waren ze allemaal heel makkelijk op te sporen. Tenzij ze een account aanmaken onder een andere naam. Daarbij is hij te ouderwets voor dat soort onzin. Hij moet een handlanger hebben. Geen grote, want dat valt op, maar een kleine. Één persoon, iemand die erg close is.” Marijn begon een beetje vooruit naar Sofia te staren alsof hij haar niet meer zag. “Iemand die net zo glibberig is als Binky. Iemand die op hem lijkt. Een kennis kan het niet zijn. Een goede vriend kan wel, maar is niet close genoeg. Een vriendin, misschien? Nee kan ook niet. Hij heeft er genoeg van, wie wil nog zo’n oud stuk verdriet? Een zoon…?”

“Marijn? Wat zit je in jezelf te praten?”

Marijn ontwaakte en keek om zich heen. Hij zag dat alle mensen in het restaurant hem aankeken. Na een paar tellen ontstond er wat geroezemoes en Marijn hoorde een paar zinnen zoals: “Dat is Marijn Borka... Hij is een nieuwe detective... Ontkwam aan een rechtszaak... De burgemeester vertrouwt hem... Is hij gestoord?”

Marijn stond plotseling op en beval: “Meekomen.”

Voordat Sofia besefte wat Marijn zei was hij al bij de deur, de betaalde rekening en een kleine fooi op de tafel achterlatend, en iemand hield Sofia tegen. Sofia draaide zich om en een oudere vrouw zei tegen haar: “Laat je niet commanderen door je vriendje, liefje.” Ze deed een paar stappen terug en keek naar Marijn, die inmiddels buiten stond.

“Ik ben zijn collega. We zijn met een moordzaak bezig en als ik u was, zou ik mijn mond houden want hij zit een seriemoordenaar op de hielen. Als je hem stoort dan wordt hij zo pissig dat je tien kleuren stront schijt. Goedendag.”

Ze liet de vrouw --die geschrokken van haar was-- achter en ze liep met grote passen naar de deur. Er klonk opnieuw gepraat. Ze draaide zich om voordat ze naar buiten ging en riep: “Ja de burgemeester is te vertrouwen. Marijn probeert ervoor te zorgen dat de seriemoordenaar die achter alle vrouwen aan zit, levenslang achter de tralies komt te zitten. Geniet van deze gelegenheid dames, want misschien is dit wel je laatste etentje. Zolang de moordenaar nog rondsluipt in deze donkere nachten...”

Ze draaide zich om en liep naar buiten.

Marijn, die intussen een sigaret aan had gestoken, stond nog met zijn rug naar de deur van het restaurant gericht. “Je weet dat Binky dood is.”

Sofia keek hem aan en zei: “Ja, weet ik, maar dit noem ik een leugentje om eigen bestwil.”

Marijn grinnikte en schudde zachtjes zijn hoofd.

“En dat moet ook eens afgelopen zijn,” zei Sofia, en ze haalde de sigaret uit Marijn zijn mond.

“Wat krijgen…”

“Nee,” viel Sofia hem in de rede, en ze gooide de sigaret op de grond en trapte hem uit met haar voet. “Koop maar een elektrische sigaret, dat is veel gezonder en tegenwoordig rookt er bijna niemand meer. Veel mensen stappen over naar elektrische sigaret omdat het veel geld scheelt. Je kunt er twee dingen tegelijk mee doen: je stoort de niet-rokers niet omdat het niet stinkt en je blijft gewoon roken. Daarbij: in je huis hangt ook al een flinke stank en het slaat op je longen als je een niet-roker bent, geloof me.”

“Tot nu toe heb ik er geen last van gehad,” zei Marijn boos.

“Klopt,” zei Sofia. “De enige mensen die in je appartement zijn geweest waren gewend aan roken. Iris en Roos hun ouders rookten binnen. Bram en zijn vrouw zijn niet-rokers maar zij deden er alles voor om hun dochter te redden. De politie maakt al de raarste dingen mee qua stank, dus die zijn veel gewend. Volgens mij waren wij met een zaak bezig.”

“Goed, goed,” zei Marijn, en ze liepen samen verder door de donkere straten.

“Waarom moest ik nou meekomen?” vroeg Sofia, en ze bleef Marijn doordringend aankijken.

“Zijn zoon,” zei Marijn kortaf.

Sofia bleef hem aankijken en wachtte af. Nadat er niks meer kwam vroeg ze: “Wat is er met zijn zoon?”

Marijn keek in het rond en zei: “Hij is Binky zijn handlanger, dat kan niet anders. Iemand die zo close met hem kan zijn. Die niet wil dat zijn diegene iets overkomt, bijvoorbeeld dat hij in de gevangenis zit. Iemand die hem uit de gevangenis kan houden… ohhh.“

Sofia keek hem verbaasd aan. “Wat is er?”

Marijn stak zijn hand op naar een tegemoet rijdende taxi. De taxi verminderde geen vaart en Marijn ging op de weg staan - voor de felle en waarschuwende lichten van de taxi.

Sofia gilde het uit van schrik. Met piepende banden kwam de taxi tot stilstand.

“Kom mee,” zei Marijn, en hij stapte de taxi in.

“Wat maak jij me nou, gek!” zei de taxichauffeur boos.

“Kop dicht, wij moeten met spoed naar het politiebureau,” zei Marijn kwaad.

Het politiebureau lag er rond deze tijd eenzaam bij. Er stond slechts één politiewagen op het parkeerterrein - misschien waren ze allemaal aan het patrouilleren, criminelen aan het opsporen. Binnen zat geen receptioniste, maar wel een agent, achterin het aanmeldhokje een donut te eten. Zijn mond zat vol met chocola toen hij opkeek naar wie er binnen kwamen.

“Ik moet Inspecteur Zwart spreken,” blafte Marijn. “En wel nu.”

De agent schudde zijn hoofd, hield toen een wijsvinger omhoog om zichzelf een tel te gunnen om zijn donut door te slikken, en zei toen: “Inspecteur Zwart is naar huis voor vandaag. Morgen is ze weer terug.”

“Dan moet ik haar adres weten.”

“Dat kan niet. Persoonsgegevens van medewerkers zijn strict confidentieel.”

Een andere agent verscheen achter hen. Hij zag er nogal vermoeid uit en leek een beetje te dik voor zijn kostuum. “Wat is er aan de hand?” vroeg hij met een gaap.

“Ik heb belangrijke informatie over een moordzaak,” vertelde Marijn ongeduldig. “Ik moet Inspecteur Zwart zien.”

“Dat kunt u ook aan mij vertellen, als u wilt?”

“Nee, dat wil ik niet,” antwoordde Marijn.

“Dan zult u morgen terug moeten komen.”

De agent duwde Marijn en Sofia nog net niet de deur uit.

“Waarom doe je zo geheimzinnig?” vroeg Sofia. “Ik ben toch je partner, vertel het mij.”

Marijn zuchtte en stak zijn handen in zijn zakken. “Het is heel simpel. Als je alles bij elkaar optelt is er maar een oplossing.”

“En dat is?”

“Eerst moeten we naar het mortuarium om mijn theorie te bevestigen.”

Het mortuarium stond gelukkig redelijk dichtbij het politiebureau. Ze hoefden maar een kilometer te lopen, al was dat niet makkelijk voor Sofia, die helaas hoge hakken had aangedaan vandaag. Bij aankomst had ze blaren onder haar tenen.

“Goedenavond,” zei Marijn tegen Gérard, die net een liedje van Lady Gaga zat te fluiten.

Gérard schrok zich nog net niet dood. Hij leunde met een hand tegen de muur om zichzelf tot rust te manen. “Dat hebben jullie niet gehoord.”

“Lady Gaga?” zei Sofia. “Niks mis mee, toch?”

Gérard kuchte. “Ik neem aan dat jullie voor Billy Brouwer komen, aangezien zijn laatste slachtoffer nog steeds niet gevonden is.”

“Dat klopt,” zei Marijn zelfgenoegzaam. “Als hij hier nog is, tenminste.”

“Oh, zo snel worden moordverdachten niet overgedragen aan familie.”

“Dus hij had wel familie?” vroeg Sofia, een tikkeltje verbaasd.

“Ja, hij heeft een zoon. Maar omdat ze geen contact meer met elkaar hadden kan ik daar verder niet zoveel over uitwijden.”

“Natuurlijk niet,” mompelde Marijn met een sarcastische stem.

Sofia keek hem een beetje vreemd aan.

Ze bewandelden dezelfde weg als eerder, naar de koelcellenwand met de vele stalen deuren waar de lijken in werden bewaard.

“We hebben nog geen officiele autopsie op hem kunnen uitvoeren,” zei Gérard. “Dat gebeurt morgen pas, als onze hoofdanatoom-patholoog er is. Die kon vandaag door een ander spoedgeval niet aanwezig zijn en we konden zo een-twee-drie geen vervanger regelen.”

“Kan me niet schelen,” zei Marijn. “Doe die kast nu maar open.”

“Oh, oké.” Gérard legde zijn hand op de hendel en begon met trekken. “Ik neem aan dat jullie ook bewijzen kunnen vinden zonder autopsie… al moet ik jullie waarschuwen, jullie mogen hem niet aanraken. Dat mag alleen de--what the fuck.”

De ijzeren lade schoof open. Maar onder het witte laken dat gewoonlijk een dood lichaam moest bedekken, waren geen menselijke vormen te herkennen. De lade was leeg.

“Ik wist het,” riep Marijn.

“Ya 'iilhi,” vloekte Sofia in het Arabisch.

Gérard greep naar zijn haar. “Dat is onmogelijk, ik, ik.” Hij keek van Marijn naar Sofia, alsof het zijn schuld was dat Binky niet in de koelcel lag.

Marijn besteedde geen aandacht meer aan Gérard en zijn paniekaanval, en stevende in plaats daarvan weer af op de uitgang.

“Marijn!” zei Sofia. “Wat is er allemaal aan de hand? Waar is Binky?”

Marijn stopte en zag er voor het eerst sinds Sofia hem kende erg enthousiast uit. “Ik weet wie de dader is,” zei hij. “Of in ieder geval, ik weet waar wij hem kunnen vinden.”

“Wat?” Sofia deed haar armen over elkaar. “Wie is het?”

Marijn grijnsde van oor tot oor. “De handlanger is een agent.”

Hij fluisterde zijn woorden, en een rilling kroop over Sofia’s rug naar beneden. Natuurlijk. Alleen een agent had het gif aan Binky kunnen geven. Alleen een agent had hem uit de gevangenis kunnen houden. Alleen een agent had hem uit het mortuarium kunnen halen.

“Maar waar is Binky nu dan?” vroeg ze. “En is hij dood of levend?”

“Kan allebei. Maar we moeten Binky--en het laatste slachtoffer ongetwijfeld bij een van de agenten zoeken. En ik neem aan dat die agent heel toevallig zijn zoon is.”

Hoofdstuk 11: Onze Vader

Inspecteur Zwart was niet geamuseerd toen ze Marijns theorie hoorde. Eerst wilde ze het totaal niet geloven en deed ze het af als een van zijn wilde hersenspinsels, maar later realiseerde ze zich toch dat er een grote mogelijkheid was dat het waar was, vooral toen ze de beelden van de beveilingscamera’s van het mortuarium had bekeken. Een man had ‘s avonds rond 20:00 uur een lijk op een brancard weggereden, op een moment dat Gérard pauze had genomen bij MacDonalds.

“Fantastisch,” zei ze moedeloos. “Een mol in mijn strijdmacht. Ik zal het uitzoeken, Marijn. Je hoort ongetwijfeld nog van mij.”

Met die woorden hing ze de telefoon op. Marijn lag nog in bed, maar dat betekende niet dat hij ook maar één oog dicht had gedaan vannacht. Ideeën spookten door zijn hoofd, hij moest iets doen, maar momenteel was er eigenlijk niet echt iets wat hij kon doen. Onderzoek naar politieagenten was nu eenmaal iets waar hij niks mee te maken had of kon hebben. Hij moest dus afwachten wat Inspecteur Zwarts ontdekkingen waren.

De volgende die hij belde was Sofia. Vreemd genoeg was zij ook al wakker (het was slechts 7:00).

“Ik voel me naar,” gaf Sofia eerlijk toe. “Ik wil dat dit opgelost is, dat we ons geen zorgen meer hoeven te maken. Dat Binky in de gevangenis komt --of in het graf-- en dat zijn zoon ook opgepakt wordt. Dat we het laatste slachtoffer vinden.’’

“Luister Sofia,” zei Marijn met een kalme stem. “Hoe erg Binky ook is, hoe heftig de situatie ook is omdat hij een seriemoordenaar is - laat één ding duidelijk voor je zijn. Verlaag je niet tot het niveau van Binky zelf - of nog lager. Het is geen wedstrijd. Niemand verdient om in het graf te belanden. Zo worden mensen door anderen beïnvloed. Iedereen wordt nu al reuze beïnvloed door de films op de televisie, en als het niet de televisie is dan is het wel de muziek waar je naar luistert. Zie het maar als ‘aapje ziet, aapje doet’. Mensen worden onschuldig geboren, maar worden beïnvloed door anderen. Als iemand zegt het onmogelijk is om iemand te veranderen, wanneer ze het verkeerde pad hebben gevolgd - dan hebben ze het mis. Mensen kunnen altijd veranderen. Als mensen slecht kunnen zijn, dan kunnen ze ook goed worden. Ze hebben gewoon een lange weg te gaan.”

“Begin nu geen medelijden te krijgen met Binky!” zei Sofia boos. “Hij verdient straf.”

“Dat ben ik met je eens,” zei Marijn. “Als een klein kind iets verkeerds doet dan verdient hij ook straf.” Hij begon te lachen.

Sofia was even stil, mogelijk verbaasd omdat Marijn begon te lachen, maar toen drong het ook tot haar door en ze giechelde mee.

“Hij is dus net als een klein kind,” lachte ze.

“Precies,” zei Marijn, plotseling weer kortaf. “En eigenlijk mogen wij er niet om lachen, dat is niet zo netjes.”

“Ik weet het,” grinnikte Sofia, maar het klopte wel. Even was het stil en toen ze zei langzaam: “Ik kan het niet geloven dat Binky ontsnapt is. We hebben zoveel moeite gedaan om hem op te sporen en nu is hij de dans weer ontsprongen.”

“We vinden hem wel,” zei Marijn. “En ik denk zelfs dat we hem deze keer eerder hebben dan je denkt.”

“Hoe weet jij dat?”

“Als die zogenaamde politiemol hem heeft geholpen te ontsnappen, dan geloof ik niet dat hij nog terug komt naar zijn werk. Als inspecteur Zwart erachter kan komen wie die politiemol is, dan zal hij eerder wegblijven of samen met Binky ontsnappen. Maar in alle haast zal hij heel erg onvoorzichtig zijn, want dan zal heel Nederland achter hem aan zitten.”

Marijn sprong plotseling uit zijn bed en dacht even na. Hij liet zijn hand waarmee hij zijn mobiel vasthield zakken en er klonk alleen heel zachtjes: Hallo? Marijn? Ben je er nog? Wat is er gebeurd?

Marijn staarde vooruit en mompelde: “Natuurlijk.” Hij hield zijn mobiel tegen zijn oor en zei: “We moeten naar het vliegveld, schiet op.”

“Marijn, wat…”

Maar Marijn had al opgehangen. Hij pakte zijn jas met zijn spullen erin en liep haastig naar buiten. Eenmaal buiten zag hij de overbuurman net op zijn motor springen, en Marijn hield hem aan. “Kom jij langs het vliegveld?” De man knikte. “Ik heb haast, kan ik met je meerijden?”

De man knikte opnieuw en wees naar de schuur naast zijn huis. “Binnen ligt wel een helm voor jou.”

Marijn rende de schuur van de motorrijder binnen en kwam terug met een helm, die hij op zijn hoofd zette. Hij klom achterop de motor en ze reden weg.

Eenmaal op het vliegveld aangekomen gaf Marijn de helm terug aan de motorrijder en bedankte hem. Hij keek om zich heen en liep naar binnen. Zoals gewoonlijk was het hier een drukte van jewelste.

Maar ja, dacht Marijn. Binky en zijn handlanger zijn wel op de vlucht en als ze het goed doen, dan ontsnappen ze per vliegtuig. Het beste naar Amerika en niet in Europa blijven, want als ze erachter komen dat ze gezocht worden dan zal denk ik bijna heel Europa het weten. Azië bijvoorbeeld zal niet gaan, ik neem aan dat ze niet de talen spreken.

Marijn begon vloekend te ijsberen en dacht diep na. Na tien minuten besloot hij bij de ingang van het vliegveld op een bankje te gaan zitten in de hoop dat ze langs hem kwamen. Elk moment kon het opsporingsbevel op de televisie verschijnen, en er waren genoeg schermen in de aankomst- en vertrekhallen om Binky het leven zuur te maken. Hij hoopte dat de mensenmassa daarom geen probleem zou zijn. Iemand moest Binky toch herkennen. Hij was immers nogal een vreemde snuiter.

Sofia kwam een half uur later het vliegveld binnen en keek om zich heen. Marijn stak zijn hand op en toen Sofia hem zag zitten liep ze naar hem toe. “Jeetje, Marijn. Ik…”

Maar Marijn viel haar in de rede, terwijl zijn ogen gefixeerd bleven op de ingang. “Wen er nou maar aan en ga zitten,” commandeerde hij haar.

“Marijn, wat…”

Maar Marijn siste nog een keer dat ze stil moest zijn.

Een klein en vrij jong uitziend gezin kwam de entree binnen, op de voet gevolgd door een oude bejaarde man die een rollator vooruit duwde.

“Kijk daar,” zei Sofia dromerig, “ik hoop dat ik in de toekomst ook zo gelukkig word als dat gezinnetje.” Ze keek tevreden naar hen terwijl ze vol vakantiespanning naar de balie liepen.

Marijn had niet geluisterd naar wat ze aan het vertellen was. Hij had enkel oog voor de bejaarde man, die nog steeds voorzichtig met zijn rollator schuifelde. Hij volgde het jonge gezinnetje richting de balie.

Het gezin was in gesprek met de receptioniste en het duurde een tijdje voordat ze de balie verlieten. Tijdens het gesprek keek de jonge vrouw van het gezin achter zich naar de bejaarde man.  Ze keek weer terug naar de receptioniste en schudde haar hoofd.

De oude man had waarschijnlijk niks door gehad, want hij was druk bezig met het in de gaten houden van de entree. Mogelijk was het omdat hij nog nooit op een vliegveld was geweest, laat staan in een vliegtuig. De bejaarde mompelde iets, en deze keer keek de jonge man om naar hem en schudde ook zijn hoofd.

Op de achtergrond hoorde Marijn Sofia zachtjes praten over hoeveel kinderen ze wilde maar dat ze eerst haar school af wilde maken. Marijn was zo erg in trance dat hij alleen een heel zacht gebrom hoorde. “Er klopt iets niet aan dit gezinnetje.”

Het gezin liep naar een bankje, dat verlaten langs een grote palmboom stond. De bejaarde man volgde het gezin naar de bank.

“Ik ga even naar het toilet, schatje,” zei de vrouw, en ze kuste haar man op zijn mond.

“Oké,” zei haar man, wij wachten hier even.”

De oude man mompelde iets en de vrouw keek hem opnieuw aan. Ze haalde haar schouders op en liep richting het toilet. De bejaarde volgde haar voorbeeld en liep achter haar aan, en ze waren uit zicht verdwenen.

“Binky,” fluisterde Marijn.

“Hè, wat?” zei Sofia, die uit haar dagdroom ontwaakte.

“Die bejaarde man met de rollator is Binky.”

“Ach, kom nou toch,” zei Sofia verschrikt. “Dat meen je niet.” Ze keek angstig om zich heen.

Marijn stond vlug op en rende naar de toiletten, op de voet gevolgd door Sofia.

“Ontferm je over de vrouw!” riep Marijn. “Ik grijp Binky.”

“Ik heb geen EHBO spullen bij me,” riep Sofia hem na.

“Gebruik dan je kleren!”

“Wat? Dit zijn mijn nieuwe kleren!”

“Kleren kunnen vervangen worden, mensen niet. Scheur ze in stukjes en gebruik het als verband.”

Marijn en Sofia renden door de klapdeuren heen en de bocht om. Links van de gang was de heren wc, stond er op het bordje boven de deur, en rechts was de dames wc. De rollator van de oude man stond bij de heren wc.

“Misschien zit hij toch op het herentoilet,” zei Sofia. Ze liep naar de rollator en zag een zwarte leren zak in het mandje liggen. “Oh oh!” zei ze een beetje paniekerig, en ze hield vlug haar hand op haar mond.

“Kom terug,” zei Marijn zachtjes.

Sofia liep naar Marijn met haar hand nog voor haar mond. “Dat is zo’n zelfde leren tas als die aan zijn fiets hing.”

“Zat er iets in?”

“Weet ik niet, hij was dicht.”

Een korte gil klonk uit het toilet, en meteen was het stil. Marijn trapte de deur open en zag de jonge vrouw op de grond liggen. Er zat een kleine steekwond in haar buik. De oude man keek Marijn verbaasd aan, en hij had een mes in zijn hand. Waarschijnlijk had hij een poging gedaan om ingewanden uit haar lichaam te halen.

Marijn rende op de bejaarde man af en schopte het mes uit zijn hand. Het mes belandde met een boog in een wastafel. Marijn dook bovenop de man en er volgde een worsteling.

Sofia liep voorzichtig maar gehaast naar de vrouw toe en ging op haar knieën zitten. Ze keek achterom naar Marijn, die nog steeds met de oude man aan het worstelen was. Zo te zien was Binky aan het winnen. Ze twijfelde even, maar focuste zich toen op de jonge vrouw. Ze trok een reep van haar shirt af en maakte er een soort verbandje van om op de wond te drukken. Hopelijk was hij steriel genoeg. Ze voelde aan de vrouw haar pols en hield haar ademhaling in de gaten.

Ze leeft gelukkig nog en alles is normaal, dacht Sofia. Haar steekwond was oppervlakkig en er was maar weinig bloedverlies.

Sofia keek naar een witte doek die naast de vrouw lag en pakte hem op. Ze rook iets lichts, alsof het van de doek af kwam. Ze hield hem dichterbij en meende diethyl ether te ruiken. Ze dacht even na en draaide zich om.

Marijn was nog steeds met de oude man aan het worstelen. “Geef je over Binky. Ik weet dat jij het bent. Ik ruik jouw adem op afstand al.”

“Ik ben Binky niet!” riep de oude man. “Ik weet niet waar je het over hebt.”

Marijn begon uitgeput te raken, maar gaf zich nog niet gewonnen. Sofia sloop op Marijn en Binky af en greep de oude man van achteren met een wurggreep. Ze hield het doekje met ether tegen zijn neus en mond gedrukt. Spartelend probeerde de oude man Sofia weg te duwen, maar het had geen zin meer. Ze had haar hele gewicht in de strijd gezet en hij zakte langzaam onderuit.

Sofia keek Marijn aan terwijl Marijn haar verbaasd aankeek.

“Bedankt,” zei hij, en ze staarden beiden naar de verdoofde oude man. “We moeten hem ergens mee vastbinden. De effecten van ether duren slechts vijf tot tien minuten.”

Ze zochten snel naar een oplossing, en vonden uiteindelijk in de hal een stapel dozen van PostNL met plastic touw erom. Marijn stal deze en begon met het vastbinden van Binky’s polsen en enkels.

“Bel jij de politie ondertussen even?” hijgde hij naar Sofia. “En een ambulance voor madam. Het heeft geen nut om daar te staan apegapen.”

“Kan ik jouw telefoon gebruiken?” vroeg ze. “Mijn beltegoed is op.”

“Zeker te veel met je vriendjes gebeld, hè. Hij zit in mijn achterzak.”

Met een walgend gezicht viste Sofia de telefoon uit Marijns kontzak. Voordat ze 112 kon bellen kwam er echter een andere oproep binnen. “Hallo?”

“Marijn Borka?”

“Nee, Sofia.” Ze herkende de stem wel. Het was Inspecteur Zwart. “Hulpje van. Weet u nog? Marijn staat naast me. Is even bezig. Maar nu u toch belt… we hebben Billy Brouwer gevangen op het vliegveld.”

Even was het stil, alsof de inspecteur die informatie moest verwerken. Toen zei ze: “Billy Brouwer? Binky? De Binky?”

“Ja, wie anders?” Sofia vond Inspecteur Zwart niet aardig en sprak met scherpe stem. “Dus kunt u iemand sturen om hem op te pakken? En ook een ambulance a.u.b., we hebben hier een slachtoffer met een lichte steekwond.”

“Komt eraan,” antwoordde de inspecteur zakelijk. “Kun je me even aan Marijn geven? Ik moet hem iets vertellen.”

Sofia duwde de mobiel tegen Marijns arm. Hij was net klaar met het vastbinden van Binky, die nog steeds knock-out was.

“Met Marijn Borka,” zei Marijn in de telefoon. “Jullie komen eraan?”

“Er zal binnen enkele minuten een politie-unit ter plekke zijn,” zei Inspecteur Zwart. “Luister, Marijn: je had gelijk. Er zat inderdaad een mol tussen mijn mannen.”

“Je weet wie het is?”

“Ongetwijfeld. Er is vandaag één iemand niet op zijn werk verschenen… Het probleem is dat hij spoorloos verdwenen is. We hebben zijn huis onderzocht en de slagerij van zijn vader, maar tot nu toe niks.”

“Dus de zoektocht is nog niet ten einde gekomen. Die klootzak is nog op vrije voeten en hij kan gewoon verder met moorden.”

“We geven het niet op en hopelijk hebben wij hem net zo snel te pakken.”

Inspecteur Zwart hing op, en in de verte klonk al geschreeuw van politieagenten.

Op dat moment werd Binky weer wakker uit zijn roesje, en hij spartelde even tegen voordat hij zich realiseerde dat hij vastgebonden was. Hij keek naar Marijn en spuugde: “Goed gedaan, Borka. Precies volgens plan.”

Marijn keek naar Binky en zette zijn schoen tegen de borst van de oude man. “Wat bedoel je, kerel? Het is voorbij voor jou. Jij gaat de rest van je leven in een zwaar beveiligde gevangenis verrotten.”

“Maar mijn zoon is ontsnapt,” zei Binky met een valse glimlach. “Omdat jij alleen maar aandacht had voor deze arme oude man…”

“We vinden hem wel,” zei Sofia. Ze was niet onder de indruk van Binky.

“Weet je dat zeker…?”

Hoofdstuk 12: Quid pro quo

De dagen na Binky’s arrestatie stonden de kranten vol met Marijn en Sofia’s spectaculaire acties. Ze waren te bewonderen op elke televisiezender, en Marijns telefoon stond constant roodgloeiend. Niet alleen door journalisten, maar ook door mensen die wilden dat hun zaken opgelost werden door Nederlands nieuwste topdetective. Marijn beantwoordde echter geen van hun vragen.

Binky had alles bekend. Zijn zoon, Rolly Brouwer, was inderdaad degene geweest die zijn ex-vriendinnen en -vrouwen had vermoord, omdat ze zijn vader niet respecteerden - en omdat Rolly natuurlijk gewoon een doorgedraaide psychopaat was die als klein kind al graag babydieren vilde. Binky had vervolgens de organen uit de lichamen gehaald en verkocht om van zijn schulden af te komen. En aangezien Rolly politieagent was, was het voor hem heel makkelijk geweest om de detectives op het verkeerde spoor te zetten. De enige reden waarom Binky op het vliegveld achter die vrouw aan was gegaan was om zijn zoon de kans te geven te ontsnappen…

De zaak was dus eigenlijk verre van opgelost. Maar dat wist de media niet. De mensen dachten dat het allemaal klaar was nu dat Billy de Slachter achter slot en grendel zat. Ze moesten eens weten…

Sofia zat naast Marijn op de bank, en samen zaten ze als zombies naar NPO1 te kijken. Het nieuws van 19:00 uur stond op. Binky dit, Binky dat.

“Het lijkt wel alsof ze zijn vergeten dat het laatste slachtoffer ook nog niet gevonden is,” zei Sofia emotieloos.

“Vast weer een vriendin van Binky,” zei Marijn. “Maar ik moet toegeven dat ik op het moment een beetje Binky-moe ben. Laat de politie hun werk maar wat beter doen. Ze hebben de beste agenten met de beste salarissen, terwijl ik alles gratis doe en nog beter werk verricht.”

“Ik ben ook moe…” Sofia gaapte. “Ik ben een beetje ontmoedigd om eerlijk te zijn. Binky was ons te slim af.” Ze ging even anders zitten. “Wat zat er nou eigenlijk in die leren tas in de rollator?” vroeg ze toen.

Marijn keek haar aan en zei: “De baarmoeder van de vrouw die we een kwijt waren.”

Sofia keek Marijn met open mond vol walging aan. “Bah,” zei ze. “Hoe zit het met de lijk van het hart die wij op het gemeentehuis hebben gekregen?”

“Dat zal waarschijnlijk onopgelost blijven zolang Rolly op de vlucht is, maar ja, of Rolly ook echt zijn naam is… Je kent zijn vader… Weet je wat het is? We hebben Binky toch? Dus we zijn al een heel eind gekomen en de politie laat ons nu ook met rust. Voor wat, hoort wat.” Marijn knipoogde naar Sofia.

Even was het stil, en toen vroeg ze opeens: “Ben jij wel eens getrouwd geweest, Marijn?”

Marijn knikte. “Ik ben getrouwd met mijn werk.”

Sofia rolde met haar ogen, en zei: “Ik bedoelde met een vrouw.”

Marijn schudde zijn hoofd en zei: “Ik heb wel eens een vriendin gehad, maar dat was altijd kort. De vrouwen wisten niet hoe ze met mij moesten omgaan, omdat ik zo mysterieus ben. Blijkbaar houden vrouwen daar niet van.” Of wel, kijk maar naar Binky’s harem. “Ik beleef tenminste echte avonturen en misschien gaan we wel naar het buitenland om opdrachten te doen, wie weet… ooit eens.” Amerika klonk wel leuk.

Marijn keek Sofia aan en vroeg: “En jij dan, is het nog wat geworden met die agent van je?”

Sofia werd rood, en zei: “Ik wil eerst mijn studie afmaken en dan kijk ik verder wel.” Ze durfde niet toe te geven dat de agent in kwestie Rolly was geweest.

Marijn knikte. Hij sloot zijn ogen en was verzonken in zijn dromen. “Komt allemaal nog wel een keer… komt wel weer.”

En ik kom voor jou, Rolly Brouwer.

Einde