Marijn Borka & De Bloeddorstige Konijnen

Proloog

 

Het was een zachte zaterdagochtend, en Marijn stond uit het raam naar buiten te kijken. Hij hield een kop stomende koffie in zijn ene hand, en de andere hand zat verstopt in zijn broekzak. De zon scheen - de lente was stilletjes begonnen. Buiten groeiden er knoppen in de bomen, en de eerste bloemen kwamen langzaam uit de grond tevoorschijn. Sneeuwklokjes, krokusjes. Wit, paars, geel. Als je diep ademhaalde dan rook je al een beetje die frisse geur van het nieuwe seizoen - een mengsel van stuifmeel en zonneschijn.

Twee pimpelmeesjes vlogen vrolijk van tak naar tak. Paringsdans, waarschijnlijk. Hoe romantisch. Kuch.

De postbode arriveerde en zette haar fiets tegen de muur aan. Ze bukte zich voorover om in  haar veel te zware fietstassen te kijken. Ze stopte een aantal enveloppen in verschillende brievenbussen en reed weer weg.

Even later liepen er twee kleine meisjes de hoek om, en ze stopten bij de brievenbus. Marijn draaide zich om, liep naar zijn intercom toe en pakte de hoorn op.

“Kom maar binnen meisjes, rechts van jullie is een trap en daar moeten jullie naar boven.”

Hij hing de hoorn terug en drukte vervolgens op het knopje. Er klonk in de verte een klik en vervolgens hoorde hij de deur open en dicht gaan. Marijn liep naar zijn voordeur en deed die open. De twee meisjes die hij net buiten zag, stonden nu voor zijn neus, en ze keken hem wantrouwig aan. Bij één van de meisjes stond het huilen haar nader dan het lachen.

Marijn ging aan de kant om de meisjes binnen te laten. Ze waren nog jong; basisschoolleeftijd. De ene had sproetjes, de andere lintjes in haar bruine haren. Sproet was ongetwijfeld het jongensmeisje, terwijl Lintjes vooral schattig en Barbie was.

“Neem maar plaats in mijn werkkamer,” zei Marijn, en hij wees ze richting zijn werkkamer.

De meisjes liepen zonder iets te zeggen naar de werkkamer, en gingen op een stoel zitten.

Marijn ging op zijn oude vertrouwde bureaustoel zitten (met de nadruk op oud). Zijn bureau was deze keer warempel opgeruimd, en er stond een doosje tissues op zijn bureau. Het doosje was gemaakt van karton met een kattenprentje. Hij kwam ongetwijfeld uit Sofia’s repertoire.

Martijn schoof de tissues richting de meisjes. Het ene meisje (Sproet, die druk bezig was met snikken en snot opsnuiven) pakte een tissue, en het andere meisje (Lintjes) begon te praten.

“Wij zijn hier naartoe gekomen omdat wij rare dingen hebben gezien.” Haar manier van praten klonk vreemd, alsof ze veel ouder was dan haar kalenderleeftijd.

Marijn wuifde haar verhaal weg en vroeg: “Hoe oud zijn jullie eigenlijk?”

“Acht en tien jaar,” zei Lintjes. “Mijn naam is Iris, en dit is mijn zusje Roos.” Ze wees op haar kleine zusje, dat nog steeds aan het huilen was.

“Jullie zijn nog jong, en wat jullie hebben gezien is vast jullie fantasie,” zei Marijn droog.

Iris keek hem aan en zei, lichtelijk gepikeerd: “Hoe weet jij wat wij hebben gezien?”

“Ik heb geen zin in jullie spelletjes,” zei Marijn.

“Maar dit zijn geen spelletjes, dat dacht ik eerst ook maar dat is het niet. Je moet ons geloven,” zei Iris.

“Waarom zijn jullie niet naar jullie ouders gegaan? Waar zijn jullie ouders? Weten ze dat jullie hier zijn?”

“Ze geloven ons niet en als we iets zeggen, dan zeggen ze: ‘Het is jullie verbeelding’. En wat onze ouders betreft, ze zijn thuis en weten niet dat we hier zijn. Ze helpen ons niet.”

Marijn bleef hun aankijken en het meisje zei: “Jij hebt vorige maand onze beste vriendin Emma gered, en ze heeft ons veel verteld over jou, meneer Borka.”

“Ja, maar jullie zijn nog maar kinderen. Jullie zijn minderjarig en mogen mij niet inhuren. Sorry, maar ik mag jullie niet helpen.”

Marijn stond op en wilde de meisjes eigenlijk met strenge hand wegsturen, maar Roos jammerde: “Wij zien enge konijntjes.”

“Dat zal best,” zei Marijn, die naar de deur liep. Wegwezen nu, koters.

“Ze eten elkaar op,” zei Roos, die Marijn angstig met een betraand gezicht aankeek. “Help ons alsjeblieft, ze hebben mijn lievelingskonijn ook al opgegeten.”

Marijn had de klink nog vast en keek de meisjes aan. “Konijnen die elkaar opeten?” Hij liet de klink van de deur los en liep terug. Hij ging bij het bureau staan. “Konijnen zijn planteneters en geen vleeseters, hoe lang zien jullie dat al gebeuren?” vroeg Marijn, en hij keek van Roos naar Iris.

“Een week lang al,” zei Iris.

“Fascinerend,” zei Marijn. “Goed dan, ik neem jullie opdracht aan. En omdat morgen Pasen is en jullie nogal… baby zijn, zal ik het gratis voor jullie doen. Afgesproken?”

Iris keek fronsend naar Roos, en Roos knikte zachtjes.

“Goed dan,” zei Marijn.

De meisjes stonden op, en Marijn liet ze naar buiten gaan.

 

Hoofdstuk 1: Pasen

 

Een kwartiertje later kwam Sofia binnen waggelen met twee volle tassen.

Marijn zat achter zijn bureau aan zijn computer te werken, en keek met een gekreukeld voorhoofd op. “Wat heb jij toch allemaal bij je? Mijn werkkamer is net opgeruimd.”

Sofia liep door naar de woonkamer en zei: “Maak je geen zorgen. Ik wil je huis wat opvrolijken met paasversiering. Het is maar tijdelijk en ik ga vanavond en morgen voor je koken. We gaan morgen paasbrunch eten.”

“Ik hoop dat we er genoeg tijd voor hebben, want we hebben eindelijk weer een opdracht,” zei Marijn.

Sofia kwam de werkkamer binnen en zei: “Voor hoeveel euro deze keer?”

“Gratis,” zei Marijn, en Sofia keek hem verbaasd aan. “Er waren hier net twee kinderen met een verhaaltje over konijntjes die elkaar opeten.”

Sofia bleef hem aankijken en zei: “Hoe weet je dat ze niet liegen? Het kan ook fantasie zijn.”

“Kinderen horen die etende konijnen niet te zien, ook al zou het fantasie zijn. Er is ook een andere konijn verdwenen en nu denken ze dat die etende konijnen die ze zien, hun konijn hebben opgegeten.”

Sofia keek naar de grond en schudde haar hoofd. “Arme mopjes,” zei ze. “Heb je al enige aanwijzingen of een idee?”

Marijn schudde zijn hoofd en tuurde naar zijn computerscherm. ‘’Nee, helaas, nog niet.

Ik ben nu bezig met informatie zoeken over het gedrag van konijnen in het algemeen.’’

Sofia liep terug naar de keuken en kwam even later terug met een schaaltje vol chocolade-eitjes. Ze zette het op het bureau waar Marijn achter zat. Ze zag hem in zijn ooghoeken naar de chocolade-eitjes gluren en zei: ‘’Neem er eentje als je wilt.’’

‘’Dat bepaal ik zelf wel, oké?’’

‘’Wat jij wilt,’’ zei Sofia, en ze liep weer naar de keuken.

Marijn keek weer op zijn beeldscherm en zocht verder naar informatie over konijnen.

Sofia kwam even later de werkkamer weer binnen lopen met een bosje paastakken in een doorzichtige vaas, en zette die achter het beeldscherm.

Marijn keek naar Sofia en zei: “Wat doe je?”

“Jouw werkkamer versieren. Het maakt alles wat vrolijker, en het hangt niet in zicht als je cliënten komen. Het geeft ook een warm gebaar dat mensen welkom bij je zijn. Het geeft een heel erg goed gevoel.”

“Goed, goed,” zei Marijn en hij browsete verder.

“Heb je al iets gevonden over waarom konijnen elkaar opeten?” zei Sofia.

“Ik heb verschillende redenen gevonden waarom de moederkonijnen hun jongen opeten, maar niks over volwassen konijnen die elkaar opeten.”

“Zullen we dan maar,” zei Sofia.

Marijn keek haar aan en streek over zijn sikje. “Ja,” zei hij na een tijdje. “Ik heb hier te weinig informatie over het bloeddorstige gedrag van de konijnen.”

Hij zette zijn computer uit, zijn leesbril af, en trok zijn lange leren jas aan. Sofia pakte haar leren jack en ze liepen naar buiten.

“Is het ver lopen?” vroeg Sofia.

Marijn mompelde: “Een kwartiertje hooguit, mits we flink doorlopen.”

Ze liepen de hoek om en gingen onderweg naar de woning waar de kinderen woonden.

 

Hoofdstuk 2: D’n Springer

 

Bij het juiste adres aangekomen zagen ze een oude boerderij staan. Er stond een groot bord in de tuin met de tekst: ‘Paardenhouderij D’n Springer’.

Marijn keek vanuit zijn ooghoeken naar Sofia, die haar hoofd schudde.

‘’Wat is er?’’ vroeg Marijn.
‘’Dit is een paardenfokkerij,’’ zei Sofia. “Het lijkt me sterk dat hier iets gaat gebeuren, zulke mensen zijn overal voor verzekerd.’’

‘’Precies,” zei Marijn, “en daarom kan er juist van alles gebeuren, al verwacht ik vandaag niet zoveel. Een kleine opdracht die wellicht nog groot kan uitpakken.’’

Ze liepen het erf op en keken goed om zich heen. Er waren natuurlijk stallen, behoorlijk veel zelfs. Niet veel van deze waren bezet - de meeste paarden stonden waarschijnlijk in de wei. De penetrante geur van mest en hooi was overal aanwezig.

Sofia liep naar een van de paarden toe, een schimmel, om hem te aaien.

Marijn liep door en richting een stal met een konijnenhok. Het hok stond er verlaten bij. Het bestond uit twee verdiepingen en een buitenren. Het zag er nogal gammel uit, alsof het al jaren niet meer gebruikt werd.

Marijn ging op zijn knieën voor het konijnenhok zitten, pakte zijn etui uit de binnenzak van zijn jas en legde het op de grond naast hem neer. Hij haalde net zijn vergrootglas tevoorschijn toen hij een stem achter zich hoorde: ‘’Wat ben je aan het doen?’’

Marijn sloot zijn ogen en dacht na: Jongere boer rond de dertig jaar. Korte baard, krulharen. Rode trui met groene tuinbroek eroverheen. In zijn hand een riek. Angstig maar genoeg moed als hij de riek vasthoudt.

Marijn keek omhoog en naar de boer. Verbaasd kijkende ogen, toch beetje alert. Licht gefrustreerd.

Marijn opende zijn mond en zei: ‘’Ik wilde een paard kopen voor mijn dochter’’, en hij wees naar Sofia.

De boer keek naar Sofia, die nog hetzelfde paard stond te aaien.

‘’Ik heb niet zoveel verstand van paarden, en waar kan ik het nu beter vragen dan bij een paardenhouderij. Ik wil zoveel mogelijk informatie verzamelen over paarden, zodat ik weet hoe het is om op een paard te rijden en ga zo maar door, je kent dat wel. Voor de veiligheid van mijn prinsesje.’’

De boer keek hem aan terwijl hij de riek nog stevig in zijn handen vasthield, en antwoordde: ‘’Ja, dat snap ik, maar waarom zit je dan geknield bij ons konijnenhok?’’

Marijn bewoog zich een beetje naar rechts - zodat hij met zijn knie op de etui ging zitten, en zei: ‘’Als het teveel geld kost om een paard om te onderhouden enzovoort, dan willen wij ook wel voor een konijntje gaan. Ik was aan het bekijken hoe zo’n hokje gemaakt moet worden.’’

De boer liet de riek eindelijk zakken. “Uiteraard.”

Met een laatste blik op het konijnenhok stopte hij zijn etui in de zak van zijn jas en stond op.

Hij gaf de boer een hand en zei: ‘’Mijn naam is Marijn Borka. Sofia lieverd, wil je even hierheen komen?”

Sofia keek verbaasd richting Marijn, en ze liep naar hen toe. Marijn knipoogde naar Sofia als teken dat ze mee moest werken. ‘’Deze mooie meid is mijn dochter: zij wil dolgraag een paard hebben, is het niet lieverd?’’ Marijn gaf Sofia een klein stootje in haar zij.

‘’Ehhh, ja, dat ben ik.’’ Ze glimlachte van oor tot oor naar de boer, en stak haar hand uit.

De boer twijfelde eventjes maar gaf Sofia alsnog een hand. ‘’Ze lijkt niet echt op jou he?’’ zei hij.

Marijn keek van de boer naar Sofia en zei: ‘’Ze lijkt meer op haar moeder, omdat haar moeder Arabisch is.’’

De boer keek hem twijfelend aan en zei: ‘’Nou goed dan. Oh ja. Mijn naam is trouwens Frank. Ik ben de eigenaar van deze boerderij. Deze paardenhouderij is de grootste in heel Europa.

Hier worden voornamelijk paarden gefokt, maar er worden hier ook rijlessen gegeven en wedstrijden gehouden.’’

Marijn keek even in het rond en zei: ‘’Ja, ja dat zal allemaal best, maar ik wil meer weten, wat er allemaal bij komt kijken om een paard te houden.’’

Boer Frank keek hem aan en vertelde: ‘’Er komt heel veel bij kijken, meneer Borka. Het is niet zo simpel als een hond of een kat, of wat je net zei, een konijn. Bij paarden komt veel en veel meer kijken dan alleen eten en drinken geven en de stal uitmesten. Paarden moeten ook genoeg ruimte krijgen en goede conditie hebben. Ze moeten dagelijks veel lopen en getraind worden, anders worden ze veel te lui, dik en onhandelbaar.’’

Marijn dacht even na en draaide met zijn vinger om zijn sik. ‘’Weet je wat?” Hij keek Sofia aan. “Waarom ga jij niet met boer Frank mee, zodat je zoveel mogelijk informatie kan krijgen - dan kijk ik een beetje hier rond. Tenslotte ben jij degene die een paard wil, lieverd.”

Hij tikte op zijn jaszak, waar zijn etui in verstopt zat.

‘’Een uitstekend idee,’’ zei boer Frank.

Sofia keek naar Marijn zijn jaszak en begreep zijn hint.

‘’Volg mij maar, Sofia, dan laat ik hier alles zien.’’

 

Hoofdstuk 3: Het konijnenspoor

 

Ze liepen samen weg, en Marijn bleef achter bij het konijnenhok. Hij ging weer op zijn knieën zitten om sporen te zoeken. Hij haalde opnieuw de etui uit zijn jaszak en legde deze naast zich neer. Hij pakte zijn vergrootglas en lampje eruit. Daarna opende hij het deurtje van het konijnenhok, en ontdekte dat hij helemaal leeg was. Hij deed het lampje aan, stak zijn hoofd in het hok en scheen met de lamp in het rond. Er zat één konijnenkeutel in een hoekje gedrukt, alsof die achter was gebleven tijdens het uitmesten van het hok.

Marijn trok zijn hoofd uit het konijnenhok en haalde uit zijn etui een paar wegwerphandschoenen, die hij vervolgens aandeed. Hij pakte de konijnenkeutel hem onder het vergrootglas. Hij draaide de keutel in het rond.

De keutel is zeker vier weken oud, en het konijn zelf is maar een á twee weken weg.

Mensen kunnen zo wanhopig zijn als ze bewijs gaan verwijderen; negen van de tien keer mislukt het. Om zo snel mogelijk van het bewijs af te komen, gaan ze vaak te snel te werk. Al lijkt het nog zo netjes, dan nog laten ze sporen achter. Mensen zijn zo erg blind, dat ze het niet in de gaten hebben dat ze nog iets kleins achterlaten. Het zijn de kleine dingen die het doen.

Marijn haalde uit zijn bruine etui een ziplock tasje tevoorschijn, en stopte de konijnenkeutel hierin. Hij sloot het zakje af en ging verder met zoeken.

Na een tijdje pakte hij een spiegeltje om de achterwand van de binnenkant van het hok te bestuderen. Hij zag een donkere vlek zitten, en toen hij met een blauw lampje erop scheen, merkte hij dat het een uitgedroogde bloedvlek was.

Marijn spuugde op zijn vinger en ging over de vlek heen. Hij bekeek zijn vinger en zag een rode vlek op de latex handschoen zitten. Bloed. En niet van vechtende konijnen. Toch is het konijn met geweld gedood, en daarna opgepakt.

Marijn scheen nog een keer over de achterwand, en haalde deze keer ook zijn vergrootglas erbij. Hij zag een klein, dun sneetje in het hout zitten dat bijna niet te zien was, alsof ze het weg hadden geschaafd of geschuurd.

Iets scherps moet het konijn fataal zijn geworden, een mes? Nee, dan moet je een punt kunnen zien.

Marijn haalde zijn hoofd uit het konijnenhok en dacht na. Een schep? Hij keek in het rond en zag een steekschop tegen een stal staan.

Hij stopte vlug alle spullen in de etui, en verborg de ziplock in de binnenkant van zijn jas. Hij pakte de etui op en ging rechtop staan. Hij keek nog een keer in het rond voordat hij naar de steekschop liep, en pakte hem op. Hij hield de ijzeren schep voor zijn ogen en zag duidelijk vlekjes van opgedroogd bloed zitten.

Opgelost, dacht Marijn. Het konijn is gedood door deze steekschop, terwijl het dier nog in zijn hokje zat. Zo dom zeg, maar waarom hebben de kinderen konijntjes gezien die elkaar opaten?’

Hij zette de steekschop weer terug tegen de stal aan, en zag dat Sofia en boer Frank in de verte druk kletsend aan kwamen lopen. Marijn rende vlug naar de dichtstbijzijnde omheining met paarden, en leunde op het hek.

 

Hoofdstuk 4: Een vreemde lucht

 

Sofia was een dierenliefhebster, maar ze kwam toch ietwat verveeld terug van de rondleiding. Boer Frank kon honderduit praten over zijn vak, en met zo’n typisch, plat accent ook nog, iets wat ze eerlijk gezegd niet altijd even goed kon verstaan. Ze had zin om Marijn even goed terug te pakken.

“Hey, papa. Hey,” zei ze plagerig, toen ze weer terug kwamen bij de stallen. “Boer Frank heeft ons uitgenodigd voor de thee.”

“Ja, klopt,” beaamde boer Frank, die zijn handen alvast afstofte. “Kom maar mee naar binnen, dan kunnen jullie mijn vrouw ook ontmoeten. Oh en, mijn kinderen. Die komen als het goed is zo terug van een feestje.”

Het was Sofia’s bedoeling dat Marijn dit niet leuk zou vinden - op theekransje gaan bij wat vervelende zeikmensen. Maar hij reageerde juist enthousiast.

“Graag, ik ben helemaal uitgedroogd,” zei hij. “Goed idee, prinsesje.”

Zo kon hij ook even vrij rond kijken binnen. Wie weet wat voor aanwijzingen daar nog te vinden waren.

Het interieur van de boerderij was ouderwets, alsof er sinds de oorlog niet veel aan veranderd was. Typisch Nederlands: met veel Delfts Blauw, rood met wit gestreepte tafelkleedjes en klompen naast de deurmat. Harige zwarte hond op de plavuizen keukenvloer, koffiepot op de tafel. Een oud fornuis, een vaas met rood en gele tulpen. Marijn moest zich zelfs een beetje vooroverbuigen om zijn hoofd niet tegen de lage deuropeningen te stoten. De plafonds waren ook lager dan gewoonlijk, maar daar paste hij nog net. Sofia en boer Frank hadden er beide geen problemen mee.

“Ga maar alvast zitten,” zei boer Frank, en hij wees naar de voorkamer. “Dan roep ik mijn vrouw.” Hij ging onder de trap staan en schreeuwde: “RIIIIIIIIIIIIIITAAAAAAAAAAAAAAAA.”

“Wat!” gilde een vrouwenstem geagiteerd terug.

“Bezoek!”

Er volgde wat gemopper wat net zo goed scheldwoorden kon zijn.

Marijn en Sofia gingen ondertussen de voorkamer binnen. Opnieuw veel oude meubelen. Stoffig. Oude Friese staartklok en een dikke stapel Libelle’s van jaren geleden.

Marijn snoof een paar keer diep. Hm. Het rook hier niet bepaald fris. Sofia volgde zijn voorbeeld, maar nam aan dat het de hond was.

“Ga zitten,” zei boer Frank opnieuw, nu hij de voorkamer ook binnen kwam. “Mijn vrouw maakt zo even wat thee.”

Er was alleen niet veel plek om te zitten. Aangenomen dat boer Frank en zijn vrouw beide op een van de leunstoelen gingen zitten, moesten Marijn en Sofia wel opgepropt naast elkaar op de bank plaatsnemen. Ze zetten zich krampachtig naast elkaar neer.

“Ugh,” zei Sofia. “Je stinkt.”

Marijn grijnsde een beetje. “Dit is hoe echte mannen ruiken.”

De vrouw van boer Frank kwam eindelijk in beeld. Ze was overduidelijk van het type sloeber. Slordig, vele malen geverfd haar, wat waarschijnlijk niet lang genoeg in de krulspelden had gezeten. Ze kon niet zo heel oud zijn gezien de leeftijd van boer Frank, maar toch zat haar gezicht vol met rimpels. Fronsrimpels, zeker geen lachrimpels. Om haar lichaam droeg ze slechts een oud nachtjapon met badjas.

“Oh,” zei ze zeurderig. “Ik dacht dat je een grapje maakte om me naar beneden te krijgen. Maar er zijn echt mensen.”

Boer Frank lachte zenuwachtig. “Ja, zou je zo vriendelijk willen zijn om even wat thee te zetten?”

“Eerst een peukie, oké.” Haar raspende stem had haar voorliefde voor roken al verraden. Ze plofte neer op de enige overgebleven zitplaats en trok een blikje naar zich toe. Hierin zat gedroogd spul. Hasj. Of erger. Alsof ze alle tijd van de wereld had draaide ze een sigaretje.

“Dus uhh…” begon boer Frank. “Deze twee mensen komen misschien een paard bij ons kopen.”

“Misschien ook niet,” zei Marijn.

“Of… misschien ook niet,” papegaaide boer Frank, totdat hij zich realiseerde wat Marijn eigenlijk gezegd had, en hem verbaasd aankeek. “Niet? Waarom niet?”

“Ik heb alles eerlijk gezegd al wel weer gezien,” antwoordde Marijn stoïcijns.

Maar op dat moment kwamen Iris en Roos binnen huppelen. Ze zongen luid.

“Kijk eens papa, we hebben dit allemaal gevonden!” Iris hield een mandje met paaseitjes omhoog.

Haar moeder snoof ongeïnteresseerd. “Doe toch eens niet zo luid. Denk toch godverdomme eens een keer aan mijn migraine.”

“Ach, ja,” zei boer Frank snel, en hij sprong op om de kinderen weer naar buiten te duwen. “Jullie moeten jullie taakjes nog doen vandaag, vergeten jullie dat niet? De paarden hebben honger.”

Hij keek om, en wenkte Marijn en Sofia om hem te volgen. “Sorry daarvoor. Mijn vrouw… ze lijdt aan chronische migraine. Door de pijn is ze soms niet te genieten - niks persoonlijks.”

“Ja, ja,” zei Marijn. “Ik begrijp het.” Eerlijk gezegd kon het hem niet zoveel schelen. Ze stonden weer buiten, precies wat hij wilde. In de frisse lucht.

De kinderen doken in de stal om spulletjes op te halen. Sofia en Marijn bleven staan, boer Frank verontschuldigde zich snel met de mededeling dat hij nog ibuprofen moest halen voor zijn vrouw.

Marijn haalde zijn wenkbrauwen op naar Sofia. “Leuke familie.”

“Elk huisje heeft zijn kruisje, toch?” zei zij.

Even later kwam Iris weer naar buiten; ze had oude kleren en rubberen laarzen met bloemetjes erop aangedaan. “We moeten de paarden eten en drinken geven,” zei ze tegen Marijn en Sofia, en ze liep naar een grote stapel suikerbieten. Ze pakte drie van de stapel af.

Roos kwam vrolijk lachend naar buiten rennen en droeg een cap op haar hoofd. Ze pakte ook een dikke, witte suikerbiet van de stapel, en een paar suikerbieten rolden van de stapel af.

Ze liepen met zijn viertjes naar het veld waar de paarden stonden te wachten. Iris opende de poort en Roos liep als eerste het veld in, gevolgd door Iris.

“Jullie kunnen maar beter buiten het veld wachten,” zei Iris. “Ze houden niet zo van vreemdelingen.” Ze sloot de poort weer. “Sorry.”
“Geeft helemaal niks,” zei Sofia, die Marijn aankeek. Marijn keek even naar Sofia en toen weer terug naar Iris.

‘’Goed dan,” zei hij, terwijl Iris haar zusje achterna ging.

 

Hoofdstuk 5: Op zolder

 

Marijn en Sofia stonden bij het hek naar de paarden te kijken. Iris stond bij een Shetlander en gaf hem een suikerbiet. Het koddige beest nam de vrucht gretig in zijn mond. De biet was alleen iets te groot voor het dier, en rolde over de grond. De Shetlander waggelde al happend achter de biet aan.

Roos stond bij een kraan bij de stal, en draaide hem open om de bak eronder met water te vullen. Nadat de bak een heel eind gevuld was, gooide Roos heel hard de suikerbiet in het water. Met een harde plons spetterde het water over Roos heen, en ze was kleddernat. Sofia lachte om Roos, maar ze lachte nog lang niet zo hard als Roos, die het uitgierde van de pret.

Iris riep echter: “Roos, laat dat! En haal die suikerbiet uit het water.”
Roos keek Iris boos aan en stak haar tong naar haar uit.

‘’Hou op en haal die suikerbiet uit het water, ik meen het!’’
Roos haalde de suikerbiet uit het water en gooide hem op de grond. Daar belandde hij met een plof. Een andere Shetlander kwam aandraven, liep naar de suikerbiet toe die Roos net op de grond had gegooid, en begon erin te bijten.

Roos draaide de kraan dicht nadat de waterbak gevuld was, en keek toe hoe de Shetlander aan de suikerbiet zat te knabbelen. Ze ging met haar handen door haar natte, rossige haren en keek naar Iris, die haar eigen Shetlander aan het voeren was. .

Marijn keek ondertussen naar de stal (die aan het veld grensde) en liep ernaartoe. Hij ging naar binnen, op zoek naar aanwijzingen. Hij zag een houten ladder tegen de muur staan, die naar een soort van een zolder leidde. Dat moet een hooizolder zijn, dacht Marijn, en hij beklom de ladder.

Eenmaal op de hooizolder gekomen keek hij in het rond. De hooizolder lag vol met hooibalen maar verder niks bijzonders. Marijn liep over de hooizolder en liep langs de balen. Achterin vond hij een opening waar net een volwassen persoon doorheen kon kruipen. Hij keek nog even om zich heen en kroop tussen de hooibalen door. Hoe verder hij kroop, hoe dieper het werd, en hij haalde een zaklampje tevoorschijn.

Hij kwam uiteindelijk in een soort kleine ruimte uit, die omringd was met hooibalen. De ruimte stond vol met wietplantjes en elektrische kacheltjes. Het was een wonder dat de hele zolder niet in de fik was gevlogen.

Marijn wist genoeg. Hij pakte zijn mobieltje en belde 112.

‘’Alarmcentrale, waarmee kan ik u van dienst zijn?’”

‘’Met Marijn Borka - ik wil een zolderbrandje melden, kunt u mij met de brandweer verbinden?’’

 

Na een tijdje verliet Marijn de stal en liep naar Sofia toe.
‘’We krijgen zo meteen bezoek van de brandweer,” zei Marijn zachtjes, zodat alleen Sofia het kon horen.

Sofia keek naar Marijn en zei: “Die komt alleen als er brand is, of als er een kat in de boom zit ofzo.”
Marijn grijnsde en zei: ‘’Weet ik,’’ en hij keek naar Roos en Iris, die aan de andere kant van het veld stonden om de paarden te verzorgen.

Sofia vroeg argwanend: ‘’Wat heb je gedaan?’’

Marijn duidde naar de stal, waar al een beetje rook uit kwam.
Sofia volgde zijn blik en zei: ‘’Waarom heb je de stal in brand gestoken?!’’

“Vanwege een wietplantage,” zei Marijn. “Kom, laten we naar Iris en Roos gaan.”

Ze liepen samen naar de kinderen toe, en hoorden even later een sirene in de verte dichterbij komen.

‘’Daar zul je ze hebben,” zei Marijn, en hij wreef in zijn handen.

De blauwe zwaailichten flitsten dramatisch langs bomen en huizen. Marijn keek naar de stal, waar het vuur al uit het raam sloeg.

De brandweerwagen stopte bij de stal, en de brandweermannen klommen er gehaast uit. Ze rolden de slangen uit de wagen en na een mum van tijd waren ze de stal al aan het blussen en de paarden aan het redden.

Een politiewagen kwam aanrijden, en een bekende agente stapte uit. ‘’Kijk eens wie we daar hebben, onze detective Marijn Borka. Wat is het deze keer?’’

“Wietplantage, Inspecteur Zwart,” zei Marijn kortaf, en hij wees op de stal.

“Vertel mij alles,” zei inspecteur Zwart, en ze pakte haar notitieblok en pen alvast.

“Vanmorgen kwamen deze twee meisjes,” en hij wees op Roos en Iris, “naar mij toe met een merkwaardig verhaal over bloeddorstige konijnen. Dat vond ik vreemd, want een konijn is een herbivoor. Ik ben vanmiddag rond één uur naar deze boerderij gegaan (waar zij wonen) en ik ben de boel gaan onderzoeken. Deze zaak was een stuk makkelijker dan de vorige. Ik kwam in de stal en ik rook al een vreemd luchtje. Het had niks met paardenpoep of hooi te maken. Ik rook iets anders, dus ik ging op onderzoek uit. Ik begon op de hooizolder en nadat ik achterin was gekomen vond ik een doorgang naar een wietplantage.”

“Hoe is die brand ontstaan?” vroeg Inspecteur Zwart.

“Hooibalen kunnen gaan broeien, Inspecteur. De warmte is goed voor de plantjes, maar bij slechts een vleugje wind kan het opeens gaan branden als het te heet wordt.”

Inspecteur Zwart schreef alles op, en zei: “Fascinerend gewoon, dat was niet echt slim van de eigenaren. Ze hadden alles kwijt kunnen raken - de paarden, de boerderij… de kinderen.”

Ja, stel je voor dat Iris en Roos op de zolder hadden gespeeld, tijdens een hete zomer bijvoorbeeld. Wie weet wat er had kunnen gebeuren.

“Maar er is nog steeds iets wat ik niet begrijp,” vervolgde de Inspecteur. Ze krabde de zijkant van haar neus met haar pen. “Je had het over bloeddorstige konijnen, wat is dat nu weer voor onzin?”

Marijn schraapte zijn keel en begon voor haar langs te ijsberen. “Nou, ziet u - de kinderen zijn dol op paarden. Ze zijn hier vrijwel dag en nacht te vinden, en dat konijnenhok daar, ziet u hem? Ik denk dat ze ooit wel konijnen hadden, maar ja. Die ouders, hè, met hun wiet en weet ik veel wat ze verder nog allemaal namen. Ik vermoed dat die kinderen zo high als ik weet niet wat waren.”

“Dus kindermishandeling, ook nog eens!” zei Sofia geschrokken.

Marijn keek Sofia aan en zei: ‘’Daar komt het helaas wel op neer. Deze keer heeft zijn konijnenpootje niet geholpen.”
Sofia gaf Marijn een stoot in zijn zij. “Doe normaal, dat is niet grappig.’’

Marijn haalde zijn schouders op. ‘’Kom op, we gaan naar huis.’’

Iris en Roos renden achter Marijn en Sofia aan.

“Wat gaat er nu gebeuren,” zei Iris.
Sofia keek van de kinderen naar Marijn, en Marijn zei: ‘’Dat is de taak van de politie.’’

Marijn en Sofia draaiden zich weer om, en liepen richting een taxi die al klaar stond.

Sofia keek naar Marijn en wilde net vragen of hij de taxi had gebeld, maar blijkbaar had Marijn haar gedachten al gelezen of zoiets dergelijks, hoe Marijn ook deed wat hij deed - en zei kortaf: ‘’Ja.’’

Ze stapten in de taxi en  reden naar huis.

Onderweg in de taxi vroeg Sofia: ‘’Wat ik niet snap… waar is dat konijn dan?’’

Marijn keek Sofia aan en zei: ‘’Als iemand high is dan hebben ze extra veel honger, dus hebben ze het konijn van Iris en Roos opgegeten. Ze hebben hem in zijn hok vermoord met een steekschop, en vervolgens in de pan gedaan..’’

Sofia deed vol walging haar mond open. ‘’Walgelijk gewoon, die arme kinderen. Wat gaat er nu met ze gebeuren?”

“Geen idee, maar ik heb ze een brief in hun jasjes gestoken, dat ik ze morgen uitgenodigd heb voor een paasbrunch in mijn appartement.

Sofia omhelsde Marijn. ‘’Je kan echt een engel zijn, weet je?’’

Marijn keek haar glimlachend aan. ‘’Heel soms.’’

Sofia lachte en vroeg: ‘’Wanneer komt de volgende opdracht?’’

Marijn haalde zijn schouders op en zei kortaf: ‘’Spoedig.’’

 

Einde

 

Peter Liebregts en Shizuka Smid wensen jullie hele fijne Paasdagen!