Marijn Borka & De Kattenliefde

Proloog

Het bruin café was -zoals bruin cafés zijn- erg bruin en donker. Toen de vrouw binnenstapte, voelde ze zich bekeken - ook al zag ze zo een twee drie niemand naar haar staren. De mensen die ze wel zag waren allemaal bezig met hun eigen ding. Een iemand keek bedroefd naar de regen op het raam die zijn uitzicht belemmerde. Een mok met dampende koffie stond geklemd tussen zijn handen. Een jongere man -type hipster- zat met koptelefoon op zijn oren op een laptop weg te tikken. Aan de bar zaten een aantal mensen. Sommige waren in gesprek, vrolijk, lachend. Anderen bemoeiden zich nergens mee.
De ogen van de vrouw pasten zich langzaam aan aan het weinige licht. Ver weg, in de hoek van het toch eigenlijk best kleine café (maar toch zo ver weg) zat een man. Hij was nauwelijks te zien door de dikke wolken sigarettenrook die om hem heen walmden.
De vrouw schraapte haar keel en ging snel tegenover hem zitten.
“Kun je die sigaret uitdoen?” vroeg ze. “Ik ben allergisch.”
“Nee,” antwoordde de man nors.
“Waarom niet?”
“Ik kan beter denken met een kankerstok in mijn mond.”
“De klant is koning, toch?”
De man zuchtte en bestudeerde de vrouw eens goed. Ze was ergens in de vijftig, waarschijnlijk. Ooit was ze een mooie dame geweest, maar nu werd haar gezicht vertekend door een landkaart aan rimpels. Te veel in de zon gelegen. Ze zag er uit als een opgedroogde druif. En haar geblondeerde haar deed haar ook niet veel goeds.
“Oké dan.” Hij drukte de sigaret uit in de asbak naast zijn hand. “Wat is zo belangrijk dat je het niet aan de telefoon kon vertellen?”
De vrouw kuchte. Niet omdat ze allergisch was voor de rook, maar omdat ze zich ongemakkelijk voelde. Deze man gaf haar de kriebels. Maar hij moest goed zijn. Heel goed. Ze boog zich wat verder over de tafel. “Mijn kat is vermist.”
… Oké.
“En hij is niet de enige. Meerdere buren zijn hun katten kwijt. Het is een kattenmepper, ik zweer het je. Die arme beesten.”
De vrouw viste een zakdoekje uit haar handtas en depte haar ogen ermee.
“De politie doet er niks aan, ze zeggen dat ze wel iets beters te doen hebben. Maar dieren hebben ook gevoel. Mijn arme poezenkind, ik--”
“Mevrouw,” onderbrak de man haar. “U weet wat ik ben, toch?”
De vrouw hield op met snikken en keek hem aan met grote grijze ogen. “U bent een detective… toch?”
“Juist. Ik maak foto’s van wijven die vreemd gaan. Ik speur mannen op die weggelopen zijn van hun vrouwen. Ik besteed mijn tijd niet aan kattenmeppers.”
Door zijn harde woorden kwam er een nieuwe vloed aan tranen.
“Maar iemand moet toch iets doen! Ze zeggen toch altijd dat het begint met dierenmishandeling, maar eindigt met, weet ik veel, de moord van een kind, ik--”
“Oké, oké.” De man hief zijn hand. Hij kon echt niet tegen vrouwentranen. Een van zijn weinige zwaktes. Echt. “U begrijpt wel dat hier een behoorlijke prijs tegenover staat. Dit doe ik gewoonlijk immers niet. Het zal wat extra moeilijk onderzoek vergen…” Hij keek met een oog naar de vrouw om haar reactie te peilen.
“Natuurlijk!” riep de vrouw opgelucht. “Geld is geen probleem! Wat er ook maar nodig is om dit op te lossen!”
De man stak weer een nieuwe sigaret aan. “Prima. Ik begin meteen.”

Hoofdstuk 1: Twee uur eerder

Een man zat languit op zijn bureaustoel uit het raam te kijken, die al in jaren niet meer was schoongemaakt.. Zijn voeten lagen op een stoffige vensterbank te rusten en had zijn ene been over zijn andere been gelegd. Hij had zijn beide handen achter tegen zijn hoofd liggen. Terwijl hij naar buiten keek hadden de laatste, donkergrijze wolken plaats gemaakt voor witte wolken en vielen de eerste druppeltjes uit de lucht tegen de ruit aan.
De man was diep in gedachten verzonken. Zijn mond hing een beetje open waarbij zijn sigaret lichtjes op zijn onderlip balanceerde. Achter hem stond een groot, donkerbruin, en ouderwets eikenhouten bureau - bezaaid met rommel. Het enige wat zichtbaar was, was zijn computer, die zachtjes stond te zoemen, en een telefoon. De rest van het bureau lag vol met oude kranten, foto’s van mensen, vingerafdrukken, schoenafdrukken en autowrakken. Her en der lagen pennen, paperclips en andere kleine spulletjes verspreid. Een mok met koffie stond naast de telefoon en was ondertussen koud geworden.
De krant van vandaag lag opgevouwen voor het toetsenbord van zijn computer. Al het nieuws tot en met vandaag had hij al gelezen en er was niks meer te doen. Zo erg saai, dacht hij. Er is weinig actie. Hoe verder we in de toekomst gaan, hoe veiliger alles wordt. Huizen worden zwaarder beveiligd met alarmen en camera’s. Nog even en elk huis is voorzien van een beveiligingsrobot of iets dergelijks.
Plotseling ging de telefoon. De man, die nog vooruit staarde, besefte het eerst niet. Maar toen de telefoon opnieuw rinkelde, viel hij bijna achterover van zijn bureaustoel. Hij draaide zich vlug om en zijn sigaret viel van zijn lip op zijn schoot.
“Auw, dat brandt!” riep hij, en hij sloeg op zijn trui terwijl er een gat in brandde. De sigaret viel op de houten vloer. De telefoon ging nog een keer over.
“Ja ja,” zei de man, terwijl hij de sigaret uittrapte met de onderkant van zijn schoen. Hij schoof zich aan zijn bureau en pakte de telefoonhoorn van de haak.
“Met detective Marijn Borka, waarmee kan ik u van dienst zijn?”
“Goedemorgen, met Rosalien Hoefnagel,” zei een vrouw met een bibberstem. “Ik bel u omdat ik ten einde raad ben. Ik heb uw hulp nodig, meneer Borka. De politie wil mij niet helpen, tenminste niet meteen. Ik weet niet wat ik anders moet.”
Er klonk gesnotter aan de telefoon. Marijn rolde met zijn ogen en sloeg zijn hand moedeloos tegen zijn gezicht.
“Wat kan ik voor u betekenen?” vroeg hij, nadat Rosalien haar neus had gesnoten.
“Ik wil een beroep op u doen. Ik heb uw hulp nodig.”
“Natuurlijk,” zei Marijn geërgerd. “Dat willen er zoveel, maar wat is er nu precies aan de hand, mevrouw Hoefnagel?”
“Dat kan ik u niet vertellen via de telefoon. Ik kan afgeluisterd worden.”
“De lijn is zuiver, mevrouw, ik heb daar een apparaatje voor.”
“Het blijft toch techniek, dat kan altijd verkeerd aflopen.”
Marijn zuchtte eens diep. “Luister, mevrouw Hoefnagel. Als u mij niks wilt vertellen, dan ga ik ervan uit dat het niet belangrijk is en dan hang ik nu op.”
“Nee nee meneer Borka,” zei Rosalien vlug, en er klonk angst in haar stem. “Niet ophangen, alstublieft. Ik smeek het u. Goed dan, ik geef u een hint. Het gaat over plotselinge verdwijningen.”
“Interessant,” zei Marijn. “Ik luister.”
“Ik wil u vanmiddag om 1 uur ontmoeten in het café ‘t Bruine Goedje.”
Marijn zuchtte opnieuw.
“Het is erg belangrijk voor mij, meneer Borka. Misschien voor meer mensen ook.”
“Wat bedoel je?” zei Marijn.
“Dat vertel ik u wel om 1 uur. Hebben we een afspraak?”
“Prima,” zei Marijn. Hij had op het moment toch niks te doen. Erg rustig, echt saai. “Ik zal er zijn. Tot straks, mevrouw Hoefnagel.” En hij gooide de hoorn op de haak.
Hij bestudeerde verveeld zijn werkkamer. Overal, in serieus elke hoek van de ruimte, hingen spinnenwebben. Op vele plekken lag het stof zo dik dat het leek alsof er al jaren niet meer was schoongemaakt. Het enige waar nog geen stof op lag was één tafeltje, dat voor een ander raam stond. Op die tafel was een klein laboratoriumsetje uitgestald. Er stond een microscoop op. Verschillende glazen en buizen. Pincetten, scalpels, een klein schaartje. Er stond ook nog een bakje met dunne glasplaatjes. Een veiligheidsbril lag op een stapeltje met een mondkapje en een schort.
Achter de tafel, op de vensterbank, stonden een aantal glazen potjes met levende kruisspinnen erin. Naast de potjes stond een gesloten boek tegen het kozijn met de titel: ‘Gif en Spinnen’.
Tegenover de tafel met het laboratoriumsetje, stond een grote, houten klerenkast waarbij een deur met een spiegel open hing. In de kast bevonden zich verschillende, complete outfits.
Een galagewaad, clownspak, politiekostuum - en nog veel meer.

Marijn stond op, pakte zijn mok met oude koffie en kwam achter het bureau vandaan. Hij liep naar de keuken om wat nieuwe koffie te zetten. Nadat hij het waterbakje had gevuld en het Senseo-apparaat aan had gezet, wachtte hij tot het water kookte. Hij keek weer uit het raam naar buiten, waar de miezer was veranderd in grotere druppels. Mensen onder paraplu's liepen langs zijn appartement en een klein groepje stond bij het appartementencomplex te praten.
Een paar minuten later haalde Marijn zijn mok onder het Senseo-apparaat vandaan. De mok was gevuld met koffie met een heel lichtbruin schuimkraagje. Hij dronk een beetje uit de mok en keek op zijn klok. Half 12.
De keuken was aan de woonkamer gebouwd en hij liep de woonkamer in. Hij pakte de afstandbediening, zette de televisie aan en zapte naar het nieuwskanaal.
Vanochtend is er een inval geweest in een flatgebouw. Een gijzelaar heeft 10 mensen gegijzeld en eiste 10 miljoen euro. Daarnaast wilde hij een vluchtauto zonder chauffeur en een helikopter met piloot. De politie bestormde het flatgebouw en na een kort vuurgevecht werd de verdachte met een paar wonden overmeesterd en gearresteerd.
“Tsss,” zei Marijn. “Amateur.”
En nu verder met het weerbericht…
Marijn zette de televisie weer uit en pakte zijn telefoon. Het was een oud ding, iets wat de jeugd van tegenwoordig (vaak ietwat sarcastisch) een dumbphone noemde. Nou ja, je kon er toch mee bellen? Waar anders heb je zo’n geval voor nodig?
Hij belde naar de taxicentrale.
“Met de vlugge taxicentrale, waarmee kan ik u van dienst zijn?”
“Ik wil graag een taxi bestellen voor half 1.”
Prima meneer - we zorgen ervoor dat er een taxi bij u langskomt. Als u niet komt opdagen dan zijn de extra kosten uw verantwoordelijkheid.”
“Al goed, al goed,” zei Marijn, “zorg er maar voor dat de taxi klaar staat.” Hij vertelde de centrale zijn adres en hing op.
Hij stopte zijn mobiel in zijn broekzak en keek om zich heen; keek naar het aanrecht dat overhoop lag en de uitpuilende prullenbak. Hij slaakte een diepe zucht. Dat werd vanavond maar weer pizza bestellen.
Hij liep naar de koelkast en haalde daar een pak drinkyoghurt uit. Hij goot de yoghurt in een andere mok en dronk het op. Vervolgens haalde hij zijn telefoon weer uit zijn broekzak en belde de friettent.
Goedemorgen, met de frietspecialist, zegt u het maar.”
“Ik wil graag een extra grote pizza salami en een fles sinas bestellen voor vanavond, 6 uur.”
“Een extra grote pizza salami en een fles sinas voor 6 uur, oké, staat genoteerd. Anders nog iets?”
“Nee, dat was het.”
“Prima, wij zorgen ervoor dat het op tijd bij u bezorgd wordt. Fijne dag meneer.”
Marijn keek weer uit het raam. De regen was niet minder geworden. Integendeel, het kwam nog steeds met bakken uit de lucht vallen.
“Somber,” mompelde Marijn, terwijl hij de mobiel weer terug in zijn broekzak stopte. Hij zag iets in zijn ooghoeken bewegen en keek op. Een auto naderde dichtbij en stopte.
Marijn keek op de klok. Kwart over twaalf. Hij haalde zijn mobiel uit zijn broekzak en checkte deze. Een tel later ging de mobiel over en meteen drukte hij weg. Hij pakte zijn lange, bruine leren jas, liep naar beneden en naar buiten.
“Ik wilde bijna wegrijden,” zei de chauffeur, “ik belde u en meteen kreeg ik voicemail.”
Marijn stapte achterin de auto en deed de deur dicht. “Mijn mobiel staat gewoon aan, maar ik denk dat het een storing was. Dat heb ik wel eens vaker als iemand van de taxi mij belt, gewoonlijk gaat mijn mobiel gewoon over.”
“Onze excuses voor het ongemak, meneer,” zei de chauffeur. “Ik geef u voor deze rit wel korting. Waar wilt u naartoe?”
“Café ‘t Bruine Goedje, en vlug graag. Ik heb haast.”
De chauffeur keek hem verbaasd aan in zijn achteruitkijkspiegel. “Waarom hebt u ons dan niet eerder een bericht gestuurd, of voor een half uurtje van tevoren?”
“Druk,” zei Marijn kortaf, en hij gaf met zijn vinger het sein dat hij mocht rijden. Ze reden meteen weg.

Na een rit van een kwartiertje, zei Marijn: “Zet me hier maar af.”
De chauffeur stopte en zei: “Maar we zijn er nog niet.”
“Het is prima zo.”
“Oké; het is normaal €9,95, maar door het foutje van daarnet maak ik er €7,95 van.”
“Kijk,” zei Marijn sluw, “dat zijn nog eens zaken doen met jou.”
Hij rekende af en stapte uit. Hij gaf twee klopjes op het dak van de auto en liep door de storm weg. De taxi reed na een paar seconden ook weg.

Marijn liep richting het café, dat een paar straten verderop stond. De straten waren gevuld met grote plassen water. Het zou niet lang duren voordat ze helemaal blank zouden staan.
Hij bereikte zijn bestemming doorweekt. Hij keek vanaf de overkant van de straat naar het café toe. Hij ging met zijn hand over zijn gezicht en veegde de regendruppels van zijn gezicht af.
Een oud, bruin-houten uithangbord hing aan de muur met de tekst: ‘t Bruine Goedje. Zover Marijn kon zien door de natte en beslagen ramen, was het er binnen niet zo druk.
Hij stak de straat over en stapte het café binnen. De druppels vielen vanuit zijn jas op de grond. Door en door nat, keek hij rustig in het rond.
Dit was een uitstekende plek om een gesprek te voeren. Veel gepraat, weinig waakzaamheid van andere mensen. Hij keek naar de barvrouw en zag dat ze druk bezig was met het inschenken van glazen en kopjes. Hij liep naar achteren, nam plaats op een stoel aan een tafeltje, en stak een sigaret aan.

Hoofdstuk 2: Vermist

Alcohol is gif. Bij te grote en langdurende innames geven je lever en je alvleesklier het langzaam op. Je hart klopt steeds langzamer, en je hersenen krimpen. Wonden helen niet meer, lichaamsdelen bereiden zich voor op afsterven. Marijn opende zijn ogen terwijl hij op een stoel achter zijn bureau zat. Hij keek naar de fles wijn die hij vasthield in zijn rechter hand.
Hij schonk nog een glaasje in. De zoveelste deze avond. Nee, laat ook maar. Hij kon net zo goed uit de fles drinken.
Oké, even naar deze zaak kijken.
Met lede ogen bestudeerde hij de papieren die naast hem op de grond lagen. Vermiste katten. Pfft. Nou ja, het leverde heel wat geld op in het laatje. Hij had nog nauwelijks iets gedaan en de eigenaresse had hem al honderd euro betaald.
Een dezer dagen had hij toch echt een secretaresse nodig. Al die rommel.
“Mijn god,” verzuchtte hij. Hij kromde zijn rug naar achteren op de rugleuning van zijn stoel en wreef in zijn droge ogen. Het kattenaantal stond ondertussen op acht. Veel vooruitgang was er niet. Niemand wist ergens wat van, er waren geen lijkjes.
Hij liet zijn armen vallen en hield ze langs zijn stoel. Terwijl zijn armen langs de leuning bungelden, hing Marijn slapjes onderuit gezakt op het krakkemikkige meubel.
Hij nam nog een slokje uit zijn glas, en de wijn dribbelde een beetje langs zijn kin naar beneden.
Marijn zette het glas op zijn bureau en ging weer rechtop zitten. Hij speurde zijn bureau af op zoek naar iets om op te schrijven. Nadat hij een lade open had gemaakt, vond hij een kladblok en haalde een pen tevoorschijn. Hij zette de pen op het papier en dacht na, terwijl hij naar buiten keek.
Beginnende secretaresse gezocht:

Zit jij nog op school of ben jij net afgestudeerd, hou je van spanning en avontuur? Wil je een extra zakcentje bijverdienen? Neem dan contact op met privédetective Marijn Borka, via onderstaand telefoonnummer.

Marijn las zijn advertentie nog een keer door. Hij pakte de telefoonhoorn op en belde naar de krant om de advertentie te laten plaatsen voor de volgende dag.

“Goedenavond, De Ochtendglorie, met Jan.”
“Goedenavond, met Marijn Borka,” zei Marijn. “Ik wil graag een advertentie plaatsen in jullie krant, het liefst nog voor morgen.’’
“Dat kan,” zei Jan. “U bent net op tijd daarvoor. Wat moet er in de advertentie staan, meneer Borka?’”
“Heb je pen en papier bij de hand?’’ vroeg Marijn.

Even nadat Marijn de telefoon had opgehangen, verfrommelde hij het papiertje en gooide het in de prullenbak. Hij keek over zijn bureau en pakte opnieuw de foto’s van de poezen, die hij van de verschillende eigenaren had gekregen.
“Waarom acht katten?’’ vroeg Marijn zich hardop af.
Hij draaide met zijn vinger aan zijn sikje en dacht na terwijl hij de foto’s bestudeerde. “Katten hebben negen levens en geen acht?”
Marijn zette zijn glas neer en stond op. Hij kwam achter zijn bureau vandaan en begon te ijsberen. “Zou er dan nog een kat gestolen kunnen worden?”
Hij stond stil voor het raam en keek naar buiten. De regenbui maakte zijn humeur er niet beter op. “Negen levens, negen katten.”
Marijn draaide zich om en pakte de foto’s. Hij liep naar zijn prikbord en hing de foto's op. Tijdens het ophangen van de foto's, keek hij de katten en poezen ook aan.
“Iedere keer als ik bijna bij een hint ben, dan slipt het weg,” mompelde hij. “Dieren kunnen niet denken en praten zoals mensen, hoe kan ik dan iets vinden bij hun?”
‘’Dit is geen doen,’’ schreeuwde hij hardop.
Buiten was het ondertussen donker geworden, en Marijn keek naar de klok. De wijzers gaven kwart over negen aan. Hij stopte zijn handen in zijn broekzakken.
De deurbel ging plots, en Marijn keek op. ‘’Bezoek? Zo laat nog? Zeker dronken,’’ zei hij zachtjes, en negeerde de bel.
Na een paar tellen schalde het geluid van de deurbel opnieuw door de kamer. Marijn zuchtte en mompelde: ‘’Al goed, al goed. Ik kom er aan, verdorie.’’ Hij liep naar de intercom toe, pakte de hoorn van de haak en zei: ‘’Wie is daar zo laat nog?’’

‘’Het spijt ons enorm, meneer Borka, maar wij hebben uw hulp enorm nodig. Wij zijn ten einde raad. Alsjeblieft laat ons binnen, onze dochter wordt vermist!”

Marijn voelde zich ongemakkelijk. Hij had geen zin in deze shit zo laat op de avond, maar tegelijkertijd kon dit wel eens menens zijn. Hij zei: ‘’Kom maar binnen, en neem de trap naar boven.’’ Hij drukte op de knop. “Sesam, open u.”
In de verte hoorde hij een klik, en de buitendeur ging open. Hij hing de hoorn weer aan de intercom en liep naar de voordeur toe. Hij opende de deur met een zwaai, en daar stonden een vrouw in tranen en een bange man.
‘’Komt u binnen,’’ zei Marijn, terwijl hij voor ze opzij ging.
Ze stapten naar binnen en Marijn accepteerde de uitgestoken hand van de man. Hij probeerde zijn vermoeidheid te onderdrukken.
‘’Mijn naam is Bram,’’ zei de man.
De vrouw kwam met een betraande ogen achter haar man aan, en gaf Marijn ook een hand. “Mij-mij-mijn naam is Betty,” zei de vrouw snotterend, en ze snoot haar neus in een zakdoek voordat een stuk snot naar beneden kon druipen.
“Aangenaam,” zei Marijn, die Betty met walging aan keek. “Mijn naam is Marijn Borka.”
Hij deed de deur dicht terwijl hij met zijn ogen rolde. Drama queen. Hij draaide zich om en wees zijn gasten naar zijn werkkamer.
Eenmaal binnen verklaarde hij: ‘’Hier gebeurt alles wat met mijn werk te maken heeft.”
Hij wees daarna op de twee stoelen die voor de bureau stonden en ging zelf achter het rommelige bureau zitten.
‘’Waarmee kan ik jullie van dienst zijn?’’ vroeg hij en hij sloot zijn beide handen minzaam tegen elkaar aan.
Betty begon te snikken en Bram begon te praten.
‘’Drie dagen geleden ging onze dochter Emma naar school, en nadat de school die dag afgelopen was, zou ze met de fiets naar huis komen. Ze is echter nooit thuis aangekomen.
Mijn vrouw is naar school gefietst, maar ze kwam haar niet tegen. Op school zeiden ze dat ze al naar huis was gegaan. Ze hebben heel de school afgezocht, maar ze was nergens te vinden. We hebben sindsdien elk dorp en elke stad rondom onze woonplaats afgestruind, op zoek naar onze dochter. Zonder resultaat. Wij zijn op de dag na haar verdwijning naar de politie gegaan en zij helpen ons wel mee - maar ook zij hebben geen succes. We hebben inmiddels al een beloning uitgeloofd van tienduizend euro, voor de gouden tip die naar Emma lijdt. Ik weet hoe hebzuchtig mensen tegenwoordig zijn. Wij hopen dat het een dezer dagen succes gaan hebben.’’
‘’Als je zo’n grote beloning uitgeloofd hebt en je hoopt dat dat een van deze dagen succes zal hebben, waarom komen jullie dan naar mij toe?’’ vroeg Marijn geïrriteerd.
‘’Omdat het allemaal zo lang duurt,’’ snotterde Betty opeens. ‘’Ik word er gek van. Sinds onze dochter wordt vermist heb ik niet meer geslapen en niet meer gegeten. Nou ja, bijna niks meer.’’ Ze snoot haar neus opnieuw.
Marijn pakte een pen en papier en vroeg naar informatie over Emma. Maar aangezien de eerste 48 uur het belangrijkste zijn na een vermissing, zag hij het duister in.
‘’Ze is 8 jaar oud en één meter twintig lang. Blond haar met twee vlechtjes erin, blauwe ogen. Verder droeg ze op de dag van haar verdwijning een groene trui en een blauwe jeans, en paars met roze gympies.’’
‘’Heeft u eventueel een duidelijke foto van haar, zodat ik die even bij mij kan houden?’’ vroeg Marijn.
‘’Bijhouden?’’ vroeg Betty.
‘’Eventjes maar,” zei Marijn. “Ik kan heel veel dingen uit een foto halen die naar Emma lijden.’’
Betty knikte, en zocht in haar tas. Ze haalde daar een foto van een vrolijk, klein blond meisje uit.
‘’Dit is ze,” zei Betty, en ze gaf de foto aan Marijn.
Na een korte blik zei Marijn: “Bent u ook naar Opsporing Gezocht geweest?”
Bram knikte, en zei: “Ja, gisteren. Morgen zenden ze het uit op de televisie.”
“Uitstekend,” zei Marijn. “Wat betreft het geld…”
Maar voordat Marijn verder kon gaan, zei Bram: “U krijgt het dubbele van de beloning als u onze dochter heeft gevonden.”
Marijn dacht even na en zei listig: “Dan vindt u het vast niet erg om mij alvast een voorschot te geven? Het gaat tenslotte om jullie dochter.”
Bram keek Betty even aan en ze knikte goedkeurend.
“Goed dan,” zei Bram. “Is vijfhonderd een degelijk voorschot?”
“Prima,” zei Marijn. “Wilt u ook uw telefoonnummer opschrijven? Mocht ik jullie dochter hebben gevonden dan geef ik het jullie meteen door.”
Hij gaf Bram een pen en papier en Bram schreef zijn nummer op.
“Goed dan, jullie kunnen gaan. Ik zorg ervoor dat jullie dochter zo snel mogelijk terecht is.” Of dat nu dood of levend was...
Ze stonden alle drie op en liepen naar de deur in de gang.
Nadat Bram en Betty Marijn nog een keer de hand geschud hadden, liepen ze beiden naar buiten en sloot hij de deur achter hen. Hij liep hij terug naar het bureau, waar hij zijn fles wijn had laten staan. Hij pakte de fles op en dronk hem in een teug leeg. Hij zette de lege fles wijn weer op het bureau. Vervolgens ging hij voorover over het bureau hangen, alsof er zo meer bloed naar zijn hersenen zou stromen om hem te helpen nadenken.
Zijn zicht begon wazig te worden. Hij schudde zijn hoofd en ging weer rechtop zitten. Hij pakte de lege fles wijn weer en liep langzaam naar de keuken toe. Hij zette de fles wijn in een doos, waar meer lege wijnflessen in stonden. Hij liep naar het raam en keek naar buiten.
“Het uitzicht is net zo slecht geworden als het zicht van mijn ogen,” siste Marijn. “Ik denk dat ik maar ga slapen.”
Hij liep langzaam naar zijn werkkamer om zijn computer uit te zetten, en plofte neer op zijn stoel. Hij wreef nog een keer in zijn ogen en legde zijn armen op het bureau. Na een tijdje liet hij zijn hoofd op zijn armen vallen en viel in slaap.

Hoofdstuk 3: Sofia Saqqaf

Marijn stond de volgende ochtend weer voor het raam in zijn werkkamer en keek naar buiten. Na regen komt zonneschijn. Yeah, right. Terwijl de regendruppels nog steeds hard tegen het raam kletterden, verzonk hij diep in gedachten.
Katten hebben een hekel aan water, dacht hij. Dus hebben ze natuurlijk ook een hekel aan regen. Ze kunnen nooit ergens buiten verblijven. Waar zijn ze dan? Waar houden katten van? Warmte? Ja. Moet wel. Dat kan niet anders. Donkere plekken vinden ze ook wel fijn, om in te zitten.
Zonder dat hij het zelf in de gaten had, hing zijn hoofd tegen het raam en koelde hij zijn verhitte voorhoofd.
“Nee,” riep hij hardop. Hij duwde zich met één hand van het raam af en draaide zich om. “Altijd als mijn hoofd afkoelt dan verdwijnen er ideeën. Nu dus niet,” zei hij, en liep naar het prikbord waar de acht foto's van de vermiste poezen hingen. “Hebben ze iets gemeen?”
Hij liep terug naar het bureau waar de computer op stond; opende de la en haalde er een bruin leren etui uit. Hij haalde hier een vergrootglas uit tevoorschijn. Hij gebruikte deze om de foto’s beter te kunnen bestuderen.
“Alle katten en poezen hebben blauwe of groene ogen, dat zegt niks.” Hij ging met het vergrootglas over de koppen van de poezen heen. “Aah, eindelijk een hint. Denk ik.”
Hij keek eens goed naar de halsbandjes, die waren voorzien van zilveren en goudkleurige labeltjes. Bij elk labeltje stond er een vrouw in de weerspiegeling, die een camera vast hield. Allemaal dezelfde haarstijl en dezelfde bouw.
Marijn begon door zijn werkkamer te ijsberen. “Waarom dezelfde vrouw op elk labeltje?” mompelde hij. “Poezengek? Fotograaf?”
Hij liep plotseling naar de keuken en hield een vinger op een knop van de intercom. Er werd aangebeld en meteen drukte hij de knop in. Na een tijdje hoorde hij in de verte de klik van de buitendeur... Meteen pakte hij de hoorn van de intercom en zei: “Kom binnen, Sofia. De deur is open.”
Hoe weet u…
“Geen vragen, ik heb niet de hele dag de tijd.”
Een paar tellen later ging de deur open en viel weer dicht. Marijn hing de hoorn terug aan de intercom, liep naar zijn voordeur en hield die open. “Ik woon boven,” riep hij.
Er klonken voetstappen op de trap. Hij sloot zijn ogen. Zachte stapjes, dacht hij. Slank postuur. Sportief persoon, alleen te lang niet aan haar lichaam gewerkt. Conditie wordt minder. Het geluid van de reling waar ze met haar hand overheen ging. Flinke greep, doorzettingsvermogen. Toch zachte handen. Een onderzoeker? Hij deed zijn ogen open, en zag dat haar hoofd zichtbaar werd. “Ex-gastouder,” zei Marijn hardop. “EHBO, BHV en AED gestudeerd. Studeert nu voor forensisch specialist. Zo eentje heb ik nodig.”
Marijn keek naar haar ogen. Haar linkeroog was blauw, en haar rechteroog was bruin. Heterochromia Iridum. Dit was een goede assistent.
Hij vervolgde zachtjes: “Blauwe ogen; lief, jeugdig en vrolijk karakter. Bruine ogen betekenen weer betrouwbaar, veilig en dominant.”
De vrouw keek hem met een glimlach aan. “Goed geraden,” zei ze.
Hij keek naar haar vingers en naar haar haren. “Gescheiden ouders, en jij bent een halfbloed. Je vader komt hier uit Nederland en je moeder komt uit Arabië.”
Sofia keek hem aan. “Ja, dat klopt. Mijn naam is Sofia Saqqaf.”
“Saqqaf,” zei hij terwijl Sofia hem aankeek. “Dat is Arabisch voor dak.”
“Klopt helemaal,” zei Sofia met een lichte frons, en ze stond voor Marijn. “Mag ik binnenkomen?”
Marijn ging opzij en liet haar binnen. Hij liep achter haar aan en verwees haar naar de werkkamer, terwijl hij de deur dicht deed.
“Let niet op de rommel, ik heb weinig tijd gehad om op te ruimen.”
“Ja, best,” zei Sofia, die vervolgens in het rond keek.
Marijn liep langs haar heen en ging aan het bureau zitten. “Neemt u plaats, mevrouw.”
Ze ging aan de andere kant van het bureau zitten, opende haar tas en haalde haar CV tevoorschijn.
“Dat is niet nodig,” zei Marijn. “Ik weet al genoeg over jou, dat heb je net al gehoord in de hal.” Sofia keek hem vreemd aan en deed haar CV weer terug in de tas. “Het is meestal wel van belang en heel normaal als ik u mijn CV geef,” zei Sofia.
“Ik doe het op mijn eigen manier, als je het niet erg vindt,” zei Marijn.
Sofia keek hem aan en voordat ze iets kon zeggen, zei hij: “Woon je in de buurt?”
“Ja, en momenteel bij mijn ouders,” zei Sofia. “Ik ben aan het sparen om op kamers te gaan. Eventueel met een kamergenoot.”
“Ik zoek ook een huisgenoot, wil je niet bij mij intrekken?”
“Nee,” zei Sofia vlug. “Sorry, maar ik ben moslim. Dat is verboden.”
“Oké, geen probleem,” zei Marijn. “Hoe zit het dan met feestdagen?”
“Daar doen we wel gewoon aan, maar niet echt vanwege het geloof. Ik vind het gewoon leuk om bijvoorbeeld Paasbrunch te maken of eieren te verstoppen voor de kinderen, of een Paastak te versieren.”
Marijn begon te glimlachen. “Fijn dat je er zo over denkt Sofia.”
“Heb je dan ook begrip voor ons geloof? Bijvoorbeeld de Ramadan…”
“Natuurlijk, het is wel eerlijk dat het van twee kanten moet komen, hè.”
“Bedankt,” zei Sofia glimlachend
“Nou, over jouw functie. Accepteer je mijn aanbod?” Hij stak zijn hand uit.
Sofia keek hem aan. “Het is wel erg snel, niet?”
“Je mag er ook over nadenken, als je wilt. Maar later kan het te laat zijn.”
Sofia dacht even na. “Op één voorwaarde.” Marijn keek haar aan. “Ik wil wel een vergoeding als ik iets verlies of wat dan ook.”
Marijn dacht even na en zei: “Dat valt te bespreken. Wanneer kun je beginnen?”
Sofia pakte zijn hand aan en schudde een keer mee. “Ik moet even naar huis om wat spullen te halen, en dan ben ik terug. Over een uurtje ongeveer.” Ze stond op en keek even in het rond naar de stoffige ruimte. “Ik wil ook best schoonmaken,” zei ze, “maar dan wil ik wel dat je meewerkt.”
“Ik ben niet goed in schoonmaken en koken.”
Sofia keek Marijn aan en zei: “Dat valt te bespreken.” Ze knipoogde en liep weg.
Marijn hoorde de deur in het slot dicht vallen. Hij draaide zich om in zijn bureaustoel, keek uit het raam en zag hoe Sofia wegliep. Het regende buiten nog steeds. Hopelijk had ze een paraplu. Hij sloot zijn ogen en dacht na over het spiegelbeeld van het vrouwtje dat op elk labeltje stond.
Hij stond op en liep naar het prikbord. Hij pakte een half-opgedroogde, rode stift en tekende een cirkel rond elk poezenlabeltje.
“Ik moet toch iets over het hoofd zien, maar ik weet niet wat,” mompelde Marijn. “Wat kan het zijn.” Hij begon opnieuw te ijsberen.
Hij pakte uiteindelijk een sigaret uit zijn zak en stak die aan. Hij blies de rook uit zijn mond. Nog meer aanslag op de witte muren. Nou ja, ze waren ooit wit. In een ver verleden. Acht vermiste katten en poezen.
Na een uurtje of twee belde Sofia weer aan, en deze keer zat Marijn met zijn gedachten bij de katten.
Nadat hij Sofia binnen had gelaten zei ze: “Ik heb mijn kat meegenomen, vind je het erg? Mijn vader is straks voor een paar uurtjes weg en ik wil hier even op mijn huisdier letten.”
“Nou,” zei Marijn twijfelend. “Ik heb het niet zo op katten eerlijk gezegd.”
“Maar katten horen en zien veel meer en beter dan mensen denken hoor,” zei Sofia.
“Dat weet ik, maar…” Hij keek op en keek richting Sofia. “Wat zei je daarnet?”
“Katten horen en zien veel meer en beter dan mensen denken?”
“Geef me je kat eens,” zei Marijn en hij stak zijn handen uit.
Verbaasd gaf Sofia haar kat aan Marijn. Hij nam het dier naar de raam van zijn werkkamer en draaide zich om, zodat het weinige licht op de poes viel. Hij hield haar een beetje omhoog. Ze keek Marijn spinnend aan en sloot haar ogen bijna.
Marijn keek de kat goed in de ogen en zag tot zijn verbazing zijn eigen spiegelbeeld in de ogen van de poes. “Natuurlijk,” zei hij, en zette de poes op de grond.
Hij liep naar het prikbord toe waar de poezenfoto’s hingen, en keek in de ogen van de poezen met zijn vergrootglas. Hij zag een donkere gedaante in de oogballen van de dieren staan, dat een stuk helder was dan op de labeltjes. Maar nog steeds niet duidelijk genoeg. Hij haalde de foto’s van het prikbord af, liep naar zijn klein laboratoriumsetje en legde een foto onder de microscoop.
“Ik denk niet dat zoiets helpt,” zei Sofia tegen Marijn. “Je vergroot alleen maar pixels.”
Marijn luisterde niet, deed het lampje aan en keek door de microscoop. “Ik zie het nu wel een stukje duidelijker,” zei hij. “Ze draagt een bril en ze heeft krullen.” Hij schreef dat op een kladblokje. “Tussen de 65 en 70 jaar oud. 68 jaar oud denk ik.”
Sofia’s mond stond open en ze vroeg verbaasd: “Hoe weet je dat? Hoe kan je dat zien?”
Marijn negeerde haar en dacht even na. “Zeker een kattenvrouwtje, maar ik heb nog steeds weinig bewijs. De foto is nog steeds te onduidelijk.”
“Heb je geen scanner of zoiets dergelijks?” vroeg Sofia.
“Nee, daar heb ik geen geld voor, en wat wilde je daarmee doen?”
“De foto voor jou scannen en op de computer zetten. Ik kan goed met computers en scanners overweg. Ik kan zelfs de foto duidelijker maken, als je wilt.”
Marijn keek haar even aan en zei: “Heb jij een scanner?”
“Ja, thuis,” zei Sofia vrolijk, “maar je mag die vast wel lenen. Wij gebruiken hem maar erg weinig. Ik hoef maar één telefoontje te plegen en dan is de scanner in een paar minuten hier, voordat mijn vader vertrekt.”
Marijn knikte goedkeurend, en Sofia belde haar vader op. Ze was even naar de keuken gewandeld zodat Marijn goed naar de foto’s kon kijken.
Ze is een goede keuze geweest, dacht hij. Misschien is ze wel dominant, maar daar kan ik mee leven. Ze is tenminste te vertrouwen.
Een paar tellen later kwam ze terug en zei: “Hij komt er zo meteen aan.”
Marijn knikte langzaam.
“Wat voor opdracht heb je eigenlijk gekregen?”
Marijn keek Sofia twijfelend aan, maar dacht aan dat ze te vertrouwen was. “Kan ik je wel in vertrouwen nemen?” zei hij.
“Ja, natuurlijk, het blijft zelfs in dit gebouw,” zei ze.
“Er worden acht poezen en katten vermist, misschien zelfs meer. Één van de eigenaressen van de vermiste poezen is zelfs bang dat het later verder gaat naar ontvoerde kinderen of erger.”
Sofia slikte een keer en zei: “Dan mogen we wel opschieten.”
“Dat weet ik, maar het lukt niet echt. Ik heb natuurlijk wel een aantal aanwijzingen, maar niet echt iets over de kattenvrouwtje zelf. Ik noem haar even het kattenvrouwtje, omdat ik verder ook geen naam heb en dat doet er ook niet toe.”
Sofia pakte een foto op en keek ernaar. “Ik geloof dat ik deze poes wel ken. Ik bedoel, mijn overbuurvrouw heeft zo’n poes en die van haar is weggelopen.”
“Bel haar voor de zekerheid maar op,” zei Marijn, “en laat haar eventueel deze kant op komen.”
“Ik heb haar nummer niet,” zei ze. “Maar ik kan het wel op internet opzoeken.”
“Ga je gang maar,” zei hij.
Sofia nam plaats op de bureaustoel en verdween achter de computer.
“Drink je koffie? Of thee? Of iets anders?”
“Koffie graag - zwart,” zei Sofia.
Marijn liep de keuken in en ging koffie zetten.
Terwijl het water weer aan het koken was, had Marijn de televisie aangezet om naar het nieuws te kijken.

Vandaag tijdens Opsporing Gezocht wil ik jullie meedelen dat er een meisje van 8 jaar wordt vermist. Ze heet Emma en is 1.20 meter lang. Emma was onderweg van school naar huis en ze is niet thuis aangekomen. Ze is 4 dagen geleden als vermist opgegeven door haar ouders. Hier zie je een foto van haar.

Een foto van het kleine meisje dat vermist was kwam in beeld

Ze heeft lang blond haar met twee vlechtjes erin. Ze heeft blauwe ogen en droeg op de dag dat ze verdween een groene trui en een blauwe broek en paarse met roze gympies. De mensen die haar hebben gezien of andere tips hebben kunnen naar deze nummer bellen.

Er verscheen een telefoonnummer in beeld.

Een auto stopte vlakbij het appartementencomplex, en een paar seconden later ging de deurbel.
“Ik ga wel,” klonk er vanuit de werkkamer, en Marijn hoorde hoe Sofia naar buiten liep.
Hij hoorde in de verte een zwak gesprekje en toen kwam ze weer terug. De auto reed weg en de deur viel dicht.
“Mag je vader mij niet zien, of je nieuwe werk?”
“Jawel,” zei Sofia, die nu een flatbedscanner in haar handen had, “maar hij heeft het enorm druk. Hij is nog een beetje overstuur van de scheiding, maar hij draait wel weer bij, hoor.” Ze liep door naar de werkkamer om de scanner aan te sluiten.
Marijn pakte de twee mokken koffie en ging ook naar de werkkamer. Hij zag hoe Sofia net een foto onder het scanapparaat had geplaatst en bezig was met het vergroten van de foto.
“Ik hoef alleen nog de foto te bewerken.”
Ze maakte de foto stukje lichter, en Marijn keek op het beeldscherm mee.
“Het is wel een stukje duidelijker,” zei hij. “Maar nog niet helemaal duidelijk.”
“Ik print het wel voor je uit.”
Marijn lachte. “Waarmee? Dat kleine dingetje?
Het apparaat begon geluid te maken en Sofia keek hem aan. “Ja, met dit kleine dingetje.”
Ze pakte het vel uit het apparaat en gaf het aan Marijn, die het verbaasd aanpakte en bekeek.
“Zal ik dit ook met de andere acht foto’s doen?”
Marijn keek van het vel naar Sofia en pakte de andere foto’s ook. “Fascinerend,” zei hij.
Sofia pakte de foto’s aan. “Je bent wel erg ouderwets, niet waar?” zei ze. “We leven in 2016, we zijn heel ver vooruit gegaan met de techniek.”
“Er is anders niks mis met mijn ouderwetse methode. Ik heb tot nu toe verschillende dingen nog wel opgelost, maar dit maakt het wel een stukje makkelijker ja. Vooral sneller, maar ik blijf het op mijn manier doen.”
“Wat jij wil, het is jouw feestje,” lachte Sofia.
Marijn keek haar even aan en zei: “Heb je het nummer van je oude overbuurvrouw nog gevonden?”
“Ja hoor,” en ze hield een kleine post-it omhoog, “ik ga haar zo meteen bellen als alle foto’s uitgeprint zijn.”
“Prima,” zei Marijn, en hij gaf een van de mokken met koffie aan haar.
“Ik had daarnet mijn oude overbuurvrouw aan de lijn,” zei Sofia. “Ze vertelde mij dat haar kat nog steeds vermist wordt, al vier dagen lang om precies te zijn. Hoe zit het dan met die andere poezen? Zijn die ook allemaal vier dagen vermist?”
Marijn knikte, en zei: “Ik ga alle eigenaressen van de vermiste poezen bellen en ze hier uitnodigen.”
“Waarom allemaal hier? Waarom ga je niet bij ze langs?”
“Teveel reizen,” en hij pakte zijn telefoon.

Hoofdstuk 4: Het oude huisje

Twee uur later zat de woonkamer vol met vrouwen waarvan de katten vermist waren.
Sofia leunde tegen het aanrecht aan en Marijn stond wild gebarend voor de televisie.
“Ik heb jullie bij elkaar gevraagd omdat wij mogelijk een verdachte hebben gevonden die jullie katjes heeft gestolen,” zei hij, en hij haalde een sigaret tevoorschijn.
“Alsjeblieft, Marijn,” zei de vrouw die ze in het Café ‘t Bruin Goedje hadden ontmoet, en hij wees op zijn sigaret. “In mijn eigen huis?” Hij keek naar Sofia, die haar hoofd schudde.
“Al goed dan,” zei hij, en hij propte zijn sigaret terug in de verpakking. Hij pakte A4’tjes met de foto’s van een bijzettafel en deelde die uit.
“Weet iemand van jullie wie deze mevrouw is, op deze foto?”
“Waarom is de foto zo zwart?” zei een van de vrouwen.
“Omdat het een spiegelbeeld is vanuit de ogen van jullie poezen. Het is mij opgevallen dat het allemaal dezelfde persoon is. Mogelijk iemand die jullie kennen? Kijk goed naar de foto’s, dames,” zei Marijn.
“Als ik me niet vergis,” zei één van de dames, “is dat mevrouw Feline.”
De andere vrouwen begonnen te mompelen.
“Ja, nu je het zegt,” zei een andere. “Mevrouw Feline was die dag ook bij mij om deze foto te maken. Ze is dol op poezen en heeft foto’s gemaakt en naar ons gestuurd; ze deed het gratis omdat fotograferen haar hobby is.”
Marijn keek Sofia aan en vroeg: “Weten jullie dat absoluut zeker?”
De dames knikten allemaal.
“Weet iemand van jullie ook misschien waar ze woont?”
De dames keken even terug op de foto en het werd plotseling stil. Ze dachten allemaal diep na en even leek het erop dat niemand het wist, tot plots een jongedame zei: “Ja, ik geloof dat ik het wel weet. Mijn man zei dat ze aan het rand van ons dorp woont, in een oud gebouw met een hek eromheen. Niemand durft daar te komen omdat…. Nou ja, ze zeggen dat het er spookt.”
Sofia slikte een keer en keek Marijn ietwat benauwd aan.
“Sorry dames,” zei Marijn. “Maar ik geloof niet in spoken, dat is nooit bewezen. Geesten misschien. Duivels, misschien. Maar spoken? Kom op zeg.”
“Misschien is dat ook iets voor jou om uit te zoeken?” zei één van de dames.
De andere knikten en ze keken Marijn afwachtend aan.
“Ik wil best een kijkje gaan nemen, maar ik doe het voor jullie katten, niet omdat het daar spookt.”
“Ze zeggen dat er wel eens gekrijs en geschreeuw en gehuil te horen is daar, maar ze konden niks vinden. Geen bewijs. Niks.”
“Nou dan,” zei Marijn. “Misschien…Nou, bedankt voor jullie bezoek - jullie hebben mij enorm geholpen. Ik zal daar eens een kijkje gaan nemen. Ik hou jullie op de hoogte.” Hij liep naar de buitendeur toe en hield die open.
De dames keken naar elkaar, stonden op en liepen naar buiten. Nadat de laatste mevrouw weg was, deed Marijn de deur dicht en en gluurde uit het keukenraam.
“Volgens mij heb ik het bijna,” zei hij, en hij keek naar Sofia.
“Laat me raden,” zei Sofia. “Je gaat naar dat gebouw waar het spookt? Waar wachten we nog op?”
“We wachten tot de dames weg zijn,” zei Marijn, en hij liep naar de werkkamer toe om zich te om te kleden. Vervolgens pakte hij zijn etui met zijn speurdingen erin. Even later liep hij de keuken weer in. “Wat vind je ervan? Goed genoeg voor een cv-ketel monteur?”
“Hoe bedoel je?” zei Sofia verward.
“We gaan er nu naartoe.”
“Maar het regent buiten.”
“Bij de deur staat vast wel een paraplu in de paraplubak voor jou. Kom op.”
“Maar… Oké dan.”
Ze gingen naar buiten, en liepen samen onder de paraplu in de richting van het oude gebouw waar Feline woonde.

In de verte zagen ze het gebouw al staan - het torende boven alle andere huizen in de straat uit.
“Brrrr,” zei Sofia, “het lijkt net het huis uit The Addams Family. Echt een groot spookhuis.
Hier moet een oud vrouwtje wonen? Dan heeft ze dagelijks veel poetswerk.”
“Misschien een heks?” zei Marijn sarcastisch.
“Doe niet zo gemeen,” zei Sofia.
Ze kwamen bij het huis aan en Marijn zei: “Jij blijft buiten.”
“Goed idee,” zei ze opgelucht.
“Jij doet het buitenspeurwerk, en ik binnen.”
“Wat? Met dit weer? In de koude regen?”
“Je hebt een paraplu en hoe harder je speurt hoe warmer je het krijgt. Of wil jij het binnenwerk doen?”
Sofia keek argwanend naar het gebouw. “Al goed, al goed,” zei ze. “Ik doe het buitenwerk wel.
Alles beter dan om daar naar binnen te gaan.”
“Mooi, ik zie je zo, en we houden contact met de telefoon.” Marijn liep richting het grindpad. Het pad knarste onder zijn zwartleren schoenen. De regen druppelde onverstoord door op de bloemen en struiken. Het bladerdak boven zijn hoofd deed zijn best om hem droog te houden, maar af en toe glipte er toch zo’n naar, koud ding in zijn nek.
“Sjezus,” verzuchtte Marijn. “Waarom moet het ook altijd regenen in dit kutland.”
Hij stond voor het hek en keek omhoog. Het hek was zeker drie meter hoog. Zijn hand gleed in zijn jaszak, en daaruit haalde hij zijn mobiele telefoon en belde Sofia op
“Sofia,” snauwde Marijn door zijn telefoon. “Wat is dit voor verdoemde plek?”
“Hoezo?” klonk er aan de andere kant van de lijn. Geslurp. Ze zat weer aan de koffie.
“Ik sta hier bij een of ander ijzeren hek, zo hoog man. Wie woont hier wel niet? En verwacht je dat ik hier over heen ga klimmen ofzo?”
Sofia maakte een raar geluid. “Daar hebben we een intercom voor, Marijn. Links van je.”
“Oh ja.”
“En blijf erbij, hoor je me. Er kan van alles gebeuren.”
“Trouwens… Hoe kom je aan die koffie?”
“Net gekocht bij dat kraampje bij de straat.”
“Koffie drinken? En het regent.”
“Het is zo’n beker met een dekseltje met een opening erin. Net een tuitflesje.”
“Geweldig,” zei Marijn. “Je gedraagt je net als een peuter.”
“Niet, het is erg handig en…”
“Ja ja ja, let nou maar op, anders ben je ontslagen.”
“Tsss, zonder mij was je niet zover gekomen.”
Marijn hing de telefoon op. Hij drukte op een knopje van de intercom. Ding dong dang dong
Het geluid van de deurbel klonk ver weg en zweverig.
“Hallo?” een vrouwenstem. Wel aardig, waarschijnlijk.
“Goedemiddag mevrouw, ik kom uw cv-ketel controleren. Onderhoud doen… enzo…”
“Oh, echt waar? Er is hier vorige week ook nog iemand geweest…”
Ahem. “We hebben nieuwe aanwijzingen gekregen dat onze cv-ketels een hoger risico hebben op koolmonoxidelekken. Dus we moeten het nog een keer overdoen.”
“Och, jee… komt u maar snel binnen dan… het hek is open.”
Met een vermoeid ‘EHH’ geluid klikte het hek van het slot. Marijn liep door de poort heen over het grindpad. Kraaien begonnen op dat moment naar elkaar te schreeuwen, alsof ze wisten dat er gevaar dreigde - of was het om Marijn te waarschuwen?
De stilte en spanning die er verder heerste was niet te snijden. Het leek net alsof Marijn bekeken werd vanuit de tuin. Je zou bijna denken dat er lijken onder de grond lagen en dat ze nu opgestaan waren om indringers te bespieden.
Marlijn liep voorzichtig door, maar het was net alsof hij al kilometers had gelopen. Hij had lood in zijn schoenen. Nog voordat hij op de deur kon kloppen ging deze al langzaam uit zichzelf open.
Marijn stapte binnen, en hij vond zichzelf in een grote hal. Voor hem was een grote, brede trap die naar een hogere verdieping leidde. Langs de trap hingen verschillende schilderijen.
Een antieke plafondkandelaar hing vrij laag boven zijn hoofd, maar de kaarsjes waren vervangen door plastic kaarsjes.
Marijn sloot zijn ogen om het beeld van de hal goed in zich op te nemen. Hij opende ze weer en mompelde: “Huis is rond de zeventiende eeuw gebouwd en gedecoreerd met twintigste-eeuwse spullen. Trap is een paar jaar geleden nog vervangen.”
Hij keek naar de schilderijen. Aan de kleding te zien was dit huis van die vorige bewoners.
“Eigenaresse gaat met moderne tijden mee in dit oude gebouw.”
Nog voordat hij verder kon gaan hoorde hij een vrouwenstem roepen: “Goedemiddag, meneer. Ik wijs u de weg naar de cv-ketel. Als u mij wilt volgen?”
Marijn keek op en zag een oudere vrouw staan, vol rimpels en grijs haar. Ze had een breiwerkje onder een arm gestoken.
“Natuurlijk,” zei Marijn. “Wijst u mij maar de weg.”
De vrouw gaf hem eerst een hand. “Mijn naam is Feline, aangenaam.”
Hij keek even naar haar hand, en na een twijfelend gevoel pakte hij hem en schudde hem kort. Ze miste een ring. Er zat een witte afdruk van een ring om haar ringvinger. Zachte handen. Dat betekent... en hij dacht even na. Nooit veel met haar handen gewerkt, geen zwaar werk in ieder geval. Ervaren verpleegkundige. Nadat hij de hand van de vrouw had losgelaten liep hij met haar mee.
“Ik heb hier vroeger altijd met mijn man gewoond,” zei Feline. “Mijn man is drie jaar geleden overleden aan een hartaanval. Sindsdien ben ik met wat hulp van verschillende bedrijven alles gaan moderniseren.”
“Wat als ik straks niks meer kan?”
Ze kwamen bij een kast aan en Feline deed de deur open. Hij maakte een krakend geluid. “Hier is het,” zei Feline, en ze wees op de ketel.
Marijn keek er naar en opende het deurtje van de ketel.
“Ik bedoel," ging Feline verder. “Ik kan niet eeuwen jong blijven, dat begrijpt u natuurlijk wel.”
Marijn knikte een keer en zei: “Ik begrijp het volkomen.”
Nadat hij een notitieblok uit zijn binnenzak van zijn jasje had gepakt, noteerde hij wat cijfertjes.
“Hoelang duurt deze controle?” vroeg Feline.
“Een paar minuutjes, mevrouw,” zei Marijn. “Ik moet zeggen dat u in een mooi, klassieke huis woont.”
Feline keek hem vrolijk aan en zei: “Als u wilt kan ik u wel een rondleiding geven hoor. Heeft u het erg druk na mij?“
“Nee hoor, mevrouw, u bent de laatste, en ik zal het erg leuk vinden om een rondleiding te krijgen.”
Feline bleef hem aankijken en zei: “Blieft u koffie of thee?”
“Koffie graag,” zei Marijn.
“Dan zal ik even koffie voor u zetten,” zei Feline en ze liep weg.
Marijn pakte vlug zijn mobieltje uit zijn zak en belde naar Sofia.
De telefoon ging over. “Pak op, pak op, pak op,” zei Marijn geïrriteerd.
“Hallo,” zei Sofia.
Marijn keek vlug even op, om te kijken of Feline er weer aan zou komen of niet.
“Heb je iets ontdekt?“ vroeg Marijn zacht.
“Ja, ik heb iets gevonden,” antwoordde Sofia. “Ik heb een klein gat in de achtertuin gevonden, met een schep ernaast. Het berg zand dat er naast ligt is nog zacht. Als ik het zand zo bekijk, is het denk ik...” Het was even stil aan de telefoon.
“Nou?” vroeg Marijn geïrriteerd.
“Ja, ja, rustig”, zei Sofia, en ze vervolgde: “Het zand is meer dan twee dagen geleden opgegraven--Marijn? Ik heb meerdere van dat soort pas gevulde gaten gezien in de tuin.’ Zover ik kon zien, zijn ze deze maand nog gevuld. Denk je misschien ook dat er iets illegaals in deze tuin ligt begraven? Of zijn het gewoon molshopen?’’
Even was het stil aan de andere kant van de lijn en Marijn dacht na. ‘’Kattenlijkjes,’’ zei hij plotseling.
‘’Wat?’’ riep Sofia. ‘’Denk je dat er kattenlijkjes onder de grond liggen begraven?’’
‘’Ja, ik denk het wel,’’ zei Marijn. ‘’Als dit onze kattenmepper is, dan moet het wel. Ik heb hier nog geen enkele kat gezien.’’ Hij snoof wat stoffige lucht op en keek in het rond.
‘’Nee, dat denk ik niet’’ zei Sofia. ‘’Dit gat waar ik bij sta, is te groot voor een kattenlijkje. Het moet iets anders zijn, iets wat groter is dan een kat.’’
‘’Feline komt er weer aan,’’ zei Marijn vlug en kortaf. ‘’Ik bel je zo weer terug, hou me op de hoogte. Maak zo meteen een foto, dan kijken we later thuis wel naar de aanwijzingen.’’ Marijn hing op en ging vlug verder met de boiler.
Feline kwam met een dienblad aanlopen. "Alstublieft, meneer,” zei ze. “Uw koffie. Blieft u melk en suiker in uw koffie?”
“Alleen melk, dank u,” zei Marijn. Hij deed de deur van de kast weer dicht en deed nog net alsof hij iets opschreef.
“Bent u nu al klaar?” zei Feline.
“Jazeker, mevrouw,” zei Marijn. “Zoiets duurt nooit lang, ik heb voor alle zekerheid alles dubbel nagekeken voor u. Niet dat het nodig is hoor, maar ik kan beter één keer teveel nakijken, dan één keer te weinig.”
“Uiteraard, uiteraard, “ zei Feline. Ze zette het dienblad voorzichtig op een bijzettafeltje. Ze schonk een beetje melk in het kopje dat op het dienblad stond en gaf het kopje vervolgens aan Marijn.
“Dankuwel, mevrouw,” zei Marijn. Hij stopte zijn notitieblokje terug in zijn binnenzak en pakte het kopje aan. Hij keek om zich heen en bestudeerde de ruimte waar ze in bevonden.
Kraak… kraak… kraaaaaaaaaaaaak.
Ergens op de verdieping liep iemand rond. Geen kat - een mens, waarschijnlijk. Heel langzaam, en voorzichtig. Woonde er nog iemand anders bij Feline?
Voordat Marijn iets kon zeggen zei Feline: “Dit is de hal naar de achtertuin. Hier is niet zoveel meer te zien, hier hebben vroeger dure schilderijen gehangen. Ik heb ze verkocht, omdat de muren helemaal vol hingen.“ Feline lachte. “Mijn kinderen waren dolblij als ze een schilderij hadden gemaakt of hadden gekocht en als ze het aan de muur hadden opgehangen. Maar nu zijn het alleen maar herinneringen uit vervlogen tijden. Ik laat je de rest van het huis zien.”
Ze liepen samen de gang door en kwamen bij een grote woonkamer uit. De woonkamer bestond voor driekwart uit boekenkasten, die tegen de muren aangetimmerd waren. Tegen de vierde muur stond een open haard, waarvan het vuur de kamer aan het opwarmen was.
Rondom de open haard stonden zetels en banken, met in het midden een salontafel die op een Perzisch vloerkleed stond.
“Krijgt u veel bezoek, Feline?” vroeg Marijn, terwijl hij met zijn handen op zijn rug in het rond keek.
“Jazeker wel, één keer per maand hebben wij hier een kleine boekenclub. Een paar oudere dames komen hier wel eens, maar de laatste tijd is het minder geworden,” zei Feline teleurgesteld. “Overleden, verhuisd, ziek, druk,” somde ze op met haar vingers.
Marijn keek naar de boeken en zag dat alle boeken vol met stof zaten. “U krijgt zeker weinig hulp in het huishouden?” zei hij, en hij wees op de boeken.
“Inderdaad,” zei Feline. “Alles is duurder geworden. Ik heb mijn hele leven gewerkt en mijn pensioen opgebouwd, om jaren later alles weer laten opzuigen door de regering.”
“Daar komt het dan uiteindelijk op neer.”
“Dus als het even kan,” zei Feline, en ze keek ook in het rond. “Probeer ik zoveel mogelijk zelf dingen te doen.“
Marijn, die amper geluisterd had, keek naar een bordeauxrood kleurig boekje die in één van de boekenkasten stond. Alle andere boeken zaten onder stof, op dat bordeauxrode boekje na.
“Wat is uw lievelingsboek?” vroeg Marijn aan Feline.
Feline keek Marijn aan en zei: ‘’Boeken over de natuur vind ik leuk. Het maakt niet uit wat voor soort, alles wat met natuur te maken heeft vind ik interessant.’’
In de verte kraakte er weer iets.


Hoofdstuk 5: Kattengraf

Aan het einde van de middag verliet Marijn het huis van Feline, en wuifde naar Sofia dat ze mee moest lopen.
‘’Feline heeft me van alles verteld over het huis, maar één ding viel mij wel op. De boekenkast. De hele kast en boeken zaten onder het stof, op één boek na - en dat bevalt mij helemaal niet.’’
‘’Wat gaan we nu doen?’’ vroeg Sofia.
Ze liepen de tuin uit, en nadat ze de poort voorbij waren ging die automatisch dicht.
‘’We gaan vanavond terug,’’ zei Marijn, met een laatste blik op het grote huis.
‘’Wat?’’ vroeg Sofia, terwijl ze Marijn verbaasd aankeek. ‘’Ben jij gek?’’
Voordat Sofia verder kon gaan zei Marijn: ‘’We hebben geen moment meer te verliezen. Alles wijst erop dat Feline de dader is en er schuilt nog iets in het huis, ik weet het zeker. Wil je er vanavond bij zijn?’’
‘’Ja, natuurlijk. Ik ben gek op poezen, ik doe alles om ze te redden,’’ zei Sofia.
‘’Kom op,’’ zei Marijn. ‘’We gaan naar mijn huis. Vanavond is Feline niet thuis, dus kunnen wij op ons gemak in de tuin en het huis rondneuzen.’’
‘’Wacht eens,’’ zei Sofia, terwijl ze naar Marijn zijn huis toe liepen. ‘’Hoe weet jij dat Feline vanavond niet thuis zal zijn?’’
‘’Ik heb op haar kalender gekeken, toen wij in de keuken waren,’’ zei Marijn. ‘’Daar stond alles op, ze gaat even boodschappen doen en ik ga ervan uit dat ze een uurtje wegblijft.’’
Sofia schudde haar hoofd. ‘’Je bent echt gemeen.’’
‘’Zij niet dan,’’ zei Marijn, die met zijn duim richting het huis van Feline wees.
Sofia keek Marijn even aan en vervolgde: ‘’Ja, naar aanleiding van wat ik allemaal heb gezien, komt het erop neer dat ze meer te verbergen heeft dan katten.’’
Marijn knikte goedkeurend. ‘’Jij hebt heel goed opgelet. Dat is nou precies waarom wij vanavond terug gaan.’’

Eenmaal in het appartement aangekomen ging Marijn doorweekt achter zijn bureau zitten. Sofia rilde van de kou, deed haar jas uit en liep naar de badkamer toe. Na een paar minuten kwam ze terug en had ze een handdoek om haar nek hangen. Ze had haar lange, zwarte haren afgedroogd en liep naar de keuken om koffie te zetten.
“Ik zat net te denken,” riep ze vanuit de keuken. “Om voortaan reservekleren hier te laten, deze kleren zijn ook nat en zo kan ik niet blijven rondlopen.”
Ze kwam de werkkamer binnen lopen met twee mokken warme koffie en zette één van de mokken op het bureau. Ze keek Marijn aan die nog doorweekt op zijn bureaustoel zat en voor zich uit aan het staren was. De druppels liepen uit zijn haren naar beneden en zo op de grond.
Sofia zuchtte en liep naar de badkamer om nog een handdoek te pakken, en gaf die aan Marijn. “Droog jezelf af, dadelijk wordt je nog ziek,” zei ze. Ze legde de handdoek naast de mok.
Marijn staarde nog steeds voor zich uit.
Sofia nam een slokje uit haar mok en zei: “Waarom zou het in dat gebouw spoken, denk je? Ik bedoel, ik heb niks bijzonders gezien behalve dan dat grote gat natuurlijk.”
Sofia keek Marijn aan, pakte de handdoek van de bureau af en sloeg hem hard in zijn gezicht.
Marijn schrok hevig en ontwaakte uit zijn droom. “Schei uit, vrouw,” riep hij hard tegen Sofia. “Ik zat net te denken over het voorval van daarnet, totdat jij mij sloeg met die handdoek.”
Sofia sloeg hem nog een keer met de handdoek. “Luister hier, Marijn” zei ze streng. “Misschien is het jou niet opgevallen omdat wij gescheiden van elkaar waren, maar ik heb de hele tijd buiten in de kou rondgelopen.”
“Dat zijn de risico's van deze baan,” zei Marijn boos, en hij bleef Sofia aankijken.
“Daar wil ik het niet over hebben,” zei Sofia, die Marijn negeerde. “Het gaat erom dat ik er ook bij was en niet jij alleen. Het wordt misschien ook makkelijker als je naar mijn kant van het verhaal luistert.  Daarna deel jij jouw verhaal samen met mij, zodat het beeld voor ons beiden duidelijker wordt. Dan weet ik tenminste wat ons te wachten staat.”
Sofia bleef Marijn boos aankijken.
“Nou, goed dan,” zei Marijn. “Je hebt helemaal gelijk, we moeten samenwerken.”
“Nou, zoals ik dus al vroeg, waarom zou er zo erg spoken in het gebouw? Het enige wat ik heb gezien, wat mij althans opviel, is die bult in de tuin en de omgedraaide aarde, alsof er daar een gat heeft gezeten.”
“Ik geloof niet in spoken, Sofia, want die bestaan niet,” zei Marijn. “Dat zei ik daarstraks al tegen de dames.”
“Er moet wel een voor verklaring zijn, waarom men denkt dat het er spookt. Vanwege de geluiden, die ze hebben gehoord? Dat hebben ze gecontroleerd met professionele apparatuur en ze hadden niks. Tenzij,” mompelde Sofia zachtjes. “Tenzij zij iets over het hoofd hebben gezien, net als wij. De vraag is, wat?”
“Zij hebben misschien wel iets over het hoofd gezien, maar ik dus niet,” zei Marijn.
Hij liep weg en kwam twee minuten later weer terug. Hij had zich afgedroogd en vlug omgekleed en droeg nu een lange bruine jas. Hij pakte de bruine etui en stopte die in het binnenzak van zijn jas.
“Begin nu niet weer met geheimen bewaren,” zei Sofia boos.
“Het was een vergissing om jou alles te vertellen, wat jij hebt gezien. Mijn achternaam is niet voor niks Borka.”
“Hoe bedoel je?” zei Sofia. “Wat betekent dat eigenlijk?”
‘’Borka betekend eigenlijk: exotische, mysterieuze vreemdeling. Nou, exotisch ben ik sowieso niet, maar een mysterieuze vreemdeling ben ik zeker wel, vind je niet?’’
Sofia bleef Marijn geërgerd aankijken, maar haalde toch haar schouders op.
‘’Kom op,” zei Marijn, en hij keek Sofia aan. We gaan terug naar het spookhuis.’’
Sofia zuchtte en zei: ‘’Nou, goed dan.’’

Even later waren ze weer terug bij het huis van Feline. Marijn ging bij de intercom staan en haalde een klein zwart etuitje tevoorschijn waar zijn gereedschap in zat. Sofia stond met haar rug naar de intercom toe en keek waakzaam om zich heen, om in de gaten te houden of er niemand aan kwam lopen.
Marijn haalde de intercom uit elkaar en na een paar minuten friemelen met kabeltjes opende de poort.
“Klaar,” zei Marijn, die tevreden naar Sofia keek. Hij hing de kap terug aan het apparaat zodat het niemand kon opvallen dat het gesaboteerd was, en ze liepen door de poort de tuin in.
Marijn liep op zijn gemak door de tuin van Feline. Nu Feline haar woning had verlaten, kon hij zonder zorgen rondneuzen.
Marijn trok er zich niets van aan of hij doorweekt werd of niet. Het zou niet de eerste keer zijn dat hij zich nat liet regenen. Een paar dagen terug was hij nog flink doorweekt geweest, nadat hij uit de taxi was gestapt bij het Café.
Hij liep langs een grote coniferenboom en sloot zijn ogen.

Katten zijn zowel geschikte jagers als huisdieren. Sluipend in het donker gaan ze op hun prooi af. Laag over de grond naderen ze zachtjes hun prooi. Na een tijdje stil te hebben gezeten, springen ze plotseling onverwachts op zijn prooi - die na een kort gevecht de strijd verliest en zijn laatste adem uitblaast.

Hij opende zijn ogen en zag op een meter afstand een groot gat in de aarde zitten. Het kan ook op een andere manier.
“Wat als het anders afliep?” fluisterde Marijn. “Wat als de jager de prooi was?”
Marijn dacht aan het telefoongesprek dat hij een paar uur geleden nog met Sofia had gehad. Hij dacht ook aan wat Sofia had gezegd:  ‘’Dit gat waar ik bij sta, is te groot voor een kattenlijkje.”
Marijn liep naar het gat toe en zakte door zijn knieën. Hij keek in het gat en zag dat het leeg was, en behoorlijk diep. Het was inderdaad te groot voor een kattenlijkje, maar waar was dat gat dan voor?
Hij riep naar Sofia, die meteen aan kwam lopen, pakte een zaklampje uit zijn binnenzak en gaf het aan haar. “Schijn eens in het gat. Ik ga naar beneden toe.”
Marijn klom in het gat. Hij pakte nog een tweede lampje tevoorschijn en deed die aan. “Waarom heb jij--” begon Sofia.
Maar Marijn hield zijn wijsvinger tegen zijn lippen aan als teken dat ze stil moest zijn. Hij scheen over de zijkanten van het gat en vond een aantal plukken haren. Hij pakte een plukje en scheen met zijn lampje erop. “Kattenhaar,” zei hij. Hij keek om zich heen en zag nog meer kattenhaartjes.
Hij bukte voorover en scheen over de bodem heen. In een hoekje zag hij een kattenbrokje liggen. Hij raapte het op en zei: “Ik weet genoeg.“
Hij klom weer uit het gat en keek naar de andere plekken waar de aarde nog vers was. Hij pakte de schep die langs het gat stond en begon te graven. Na een tijdje kwam er een flinke stank omhoog. Marijn tilde zijn schep op en haalde het lijk van een poes tevoorschijn.
“Zie je,” zei Marijn terwijl hij Sofia aankeek. Ze keek vol walging en met een open mond naar het lijkje. “Ik had gelijk, het zijn kattenlijkjes. Zo te zien is deze poes zeker 3 tot 4 dagen dood.”
“Afschuwelijk,” zei Sofia met een schorre stem.
Marijn legde het lijkje terug in het gat. “Dat bewijst dat in al die bruine aarde die je ziet lijkjes van poezen zitten. Dit raadsel is opgelost, maar er is nog een ander raadsel dat nog niet opgelost is... dat schuilt in dit huis en ik heb een vermoeden wat het is.”

Hoofdstuk 6: Emma

Nadat Marijn de lampjes terug in zijn binnenzak had gestopt keek hij richting het huis. “We gaan het raadsel van het zogeheten spookhuis oplossen.”“Bedoel je dat wij naar binnen gaan? In dat huis? Inbreken?”
Marijn keek Sofia aan en zei: “Er is daarbinnen niks wat eng is. Het zijn allemaal oude erfstukken die er staan. Ik ben er geweest en ben geen spoken tegen gekomen.” Behalve dan dat onheilspellende gekraak.
Dezelfde kraaien waren weer terug, en ze schreeuwden naar elkaar vanuit hun veilige plek in de boom.
“Ik krijg gewoon kippenvel van die beesten,” zei Sofia.
Ze liepen richting het gebouw, en Sofia hield opnieuw de wacht terwijl ze naar de kraaien keek. Marijn zat gebukt voor de deur om het slot open te breken. Na een paar seconden opende Marijn de deur en ze liepen allebei naar binnen. Eenmaal binnen was het een stuk warmer. Marijn en Sofia waren beiden doorweekt van de regen.
Marijn liep voorop, terwijl Sofia hem angstig volgende en om zich heen keek. Ze liepen samen richting de woonkamer en stopten bij de grote boekenkast. Marijn bestudeerde het bordeauxrode boek. Hij trok aan het boek en de boekenkast ging uit zichzelf open.
Ze keken in een zwart gat, en Marijn voelde aan de muur voor een schakelaar.
“Niks,“ zei Marijn.
Sofia gaf opeens een harde gil, en Marijn hield zijn hand tegen haar mond. “Ssst, wat is er?” Sofia wees op de grond, en Marijn keek ook naar beneden. Spinnen en muizen kropen en rende uit de ruimte en schoten weg. Hier waren overduidelijk geen katten aanwezig. Geen levende, tenminste.
Hij liet zijn hand zakken en haalde weer zijn zaklampjes tevoorschijn. Hij gaf er eentje aan Sofia. Ze deden de lampen aan en liepen naar binnen.
Ze gingen een trappetje af en keken om zich heen. In een hoekje zat een donkere gedaante in één gekropen. Marijn scheen met zijn lampje op de gedaante en hij zag blond haar.
“Emma?” zei Marijn zachtjes.
Sofia scheen op Marijn en keek hem aan. “Wie?”
“Emma, zij wordt ook vermist. Haar ouders zijn bij mij geweest en het is op het nieuws geweest,” Zei Marijn.
Sofia scheen op de gedaante, die  angstig op keek. “Is jouw naam Emma?” zei ze vriendelijk tegen het meisje. Het meisje knikte, en terwijl Marijn met zijn lampje langs de muren scheen, ging Sofia op haar knieën zitten. “Wij komen jou bevrijden, schatje, jouw papa en mama hebben ons ingehuurd om jou op te sporen, en wij hebben jou gevonden.”
“Echt?” zei Emma zacht. Ze klonk een beetje schor.
“Dan is het volgende raadsel ook al opgelost, maar er is er nog een raadsel over,” zei Marijn. Sofia keek even op en zei: “Hoe bedoel je? We hebben alle poezen en katten gevonden, en we hebben Emma gevonden.”
“Nee, we hebben niet alle poezen of katten gevonden,” zei Marijn. En bij bleef in het rond schijnen. “Heb je de grafjes niet geteld?”
“Jawel, er waren acht grafjes.”
“Nee, negen,” zei Marijn.
“Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik kan tellen, er waren acht grafjes,“ zei Sofia terwijl ze Emma aan bleef kijken.
“Sofia, denk eens na. Die muizen en spinnen, waar zie jij een gat waardoor ze naar binnen kunnen kruipen? Ik zie alleen een rooster, maar daar kan geen dier doorheen. Als Feline kattenbrokkken ging kopen dan viel het op dat ze katten hield.”
Sofia keek Marijn aan en zei: “Bedoel je dat er nog een poes hier is?”
"En geen kleintje ook,” zei Marijn. Hij scheen op een wezen dat op zijn zij lag, niet ver bij Emma vandaan.
Sofia keek in de richting waar Marijn met zijn lampje scheen, en sprong van schrik op. “Wauw, wat een groot mormel. Wat is dat voor een beest?”
Emma zei vlug: “Het is een kat, het is een Ashera kat.”
“Daar heb je het raadsel van dat grote gat in de tuin,” zei Marijn. “Feline had dat gat gegraven om deze kat te vangen. En dus niet om Emma in te stoppen.”
“Maar waarom?” zei Sofia. “Wat moet zij met al die poezen en katten?”
“Verkopen,” zei Emma, “zodat ze goed kan rondkomen met haar huis.”
Sofia hielp Emma met opstaan en zei: “Maar waarom heeft ze jou opgesloten?”
Emma keek haar aan maar Marijn gaf antwoord. “Ze ziet jou als haar dochter, hè?”
Emma knikte, en Sofia keek van Marijn naar Emma en weer terug naar Marijn, en zei: “Hoe weet jij dat?”
“Foto's,” zei Marijn kortaf. “Als je het speurwerk buiten doet dan zie je niet wat er binnen gebeurt. Net als een boek, je bekijkt de buitenkant en je hebt een paar ideetjes waarover het ongeveer gaat, maar je weet niet hoe de vork precies in de steel zit. Dus je leest de inhoud van dat boek.”
Sofia keek hem aan en zei: “Maar hoe…”
“Ik heb foto's gezien van de overleden dochter van Feline, en ze lijkt bijna precies op Emma, alleen is Emma acht jaar oud, en de dochter van Feline zou ongeveer 27 jaar oud zijn. Feline heeft een soort trauma en is in de war. Ze denkt dus dat Emma haar overleden dochtertje is, en laten we nu even aandacht geven aan Emma en de kat.”
“Ja, jullie moeten Saartje helpen, ze is denk ik ziek,” piepte Emma.
“We nemen jullie mee naar buiten,” zei Sofia, terwijl ze haar hand uitstak.
Marijn pakte de grote kat op (die nog steeds niet reageerde) en plotseling zei een vrouwenstem: “Jullie gaan nergens heen.”
Marijn zuchtte, en legde de grote kat weer neer. “Bijna vergeten.” Hij pakte zijn telefoon en keek erop. “Het heeft geen zin om de politie te bellen,” zei Feline. “Je hebt hier geen bereik en ik ga jullie opsluiten.”
“Nee!” riepen Sofia en Emma in koor, maar Marijn lachte alleen maar. Hij zei: “Ik moet jou toch echt teleurstellen, Feline. De politie is al lang gewaarschuwd, ze kunnen elk moment hier zijn.”
Sofia en Feline keken hem aan en Sofia zei: “Wanneer heb jij de politie gebeld dan?”
“Voordat wij vertrokken,” zei Marijn. “Ach, je weet hoe dat gaat met de politie? Ze komen altijd te laat.” Even was het stil en inderdaad, in de verte klonken de politiesirenes al.
“Zeg maar niks meer,” zei Marijn Borka. “Alles wat je nu nog zegt kan tegen je gebruikt worden. Je wordt gearresteerd voor ontvoering van een meisje en katten. Moord op katten en poging tot opsluiting van een detective en zijn collega.”
Een paar agenten kwam binnen hollen, en Marijn wees op Feline. De agenten knikten en namen Feline mee.
“Marijn Borka,” zei een agente, en ze liep naar Marijn toe.
“Inspecteur Zwart,” zei Marijn.
Inspecteur Zwart keek in het rond, en vervolgens naar Marijn. “Goed werk,” was het enige wat ze zei.
Ze liepen naar buiten, waar de regen nog steeds met bakken naar beneden viel.
“Hoe ben je dit delict nu weer op het spoor gekomen?” zei Inspecteur Zwart, en ze keek Marijn ongeduldig aan.
Marijn keek haar aan en vervolgens naar Sofia, die verdrietig om zich heen keek. “Wacht maar in de politiebus op mij,” zei hij tegen haar.
Sofia knikte en liep richting de poort, waar de politiebus stond te wachten.
Marijn keek Sofia na en liep vervolgens met inspecteur Zwart mee.
“Sofia had dingen in de tuin ontdekt.” Hij wees op een aantal plekken waar het zand omgespit was, en vervolgens op het gat. “In dit gat vond ik kattenharen en een brokje.”
En hij haalde een brokje tevoorschijn en gaf die aan inspecteur Zwart. Ze pakte het brokje aan en bekeek het. “Dus ze kocht kattenbrokken om de katten te vangen?”
“Nee, dit brokje is zelf gemaakt, kijk maar naar de vorm. Er is geen één brokje dat er zo uitziet, ga maar na,” zei Marijn. “Het haar kwam van een Ashera kat af. Dit poezenras verhaart niet vlug, maar heeft wel moeite gedaan om te ontsnappen. De brokjes zijn met slaapmiddel gemengd.”
Een agent kwam met de grote kat naar buiten, die klaarwakker was. “Er was dus gelukkig ook niks mis met Saartje, zo heet de kat.”
“Saartje?” zei Inspecteur Zwart. “Saartje is een poezennaam.”
“De naam is bedacht door Emma,” zei Marijn. “Althans, daar ga ik vanuit als dit een mannetjeskat is. Ik neem aan dat het jullie werk is om de eigenaar te vinden?”
Inspecteur Zwart keek hem aan en zei: “Die weet jij toch? Geef de naam maar op.”
“Rosalien Hoefnagel,” zei Marijn geïrriteerd.
“Waarom katten, Marijn?” zei Inspecteur Zwart.
“Groot geld,” zei Marijn. “Deze katten met een stamboom leveren heel veel geld op. Tonnen.” “Waarom zijn de andere katten en poezen dood?” De agente trok een vies gezicht bij het zien van de kattenlijkjes, die Marijn daarnet uitgegraven had.
“Dat lijkt mij wel duidelijk,” zei Marijn. “Die leveren niks op.”
“Dan had ze de katten moeten laten gaan,” zei Inspecteur Zwart.
“Klopt, alleen is Feline een verward en eenzaam oud vrouwtje.”
Inspecteur Zwart knikte en noteerde wat in haar boekje. “Hoe wist je van die verborgen ruimte? Die hebben wij niet gezien, toen wij daar een keer waren omdat er teveel klachten over het huis kwamen, wegens geschreeuw en andere geluiden.”
“Door een klein, bordeauxrood boekje” zei Marijn. “Alle boeken zaten onder de stof, op dat klein boekje na.”
“Misschien was het haar lievelingsboek?” zei Inspecteur Zwart.
“Nee, ze houdt alleen van boeken over natuur en dit boekje gaat over serviesgoed. Zo’n klein boekje valt bijna niet op tussen de andere grote boeken. Ze kan misschien wel een grote boekenkast hebben, maar die oude gebouwen hadden vroeger al vaak een geheime ruimte. Dat was heel gewoon, als men een verstopplek wilde hebben in huis. En nu ga ik naar Sofia toe want ze heeft mij nodig, tenzij je nog meer vragen hebt?”
Inspecteur Zwart keek Marijn aan en zei: “Indrukwekkend. Nee, ik heb geen vragen meer.”
“Prima,” zei Marijn. Hij draaide zich om en liep richting de politiebus.
“Ik neem aan dat je mijn aanbod nog steeds niet aanneemt?” riep inspecteur Zwart hem na.
Hij draaide zich om en riep: “Je weet mijn antwoord al en die blijft negatief” En hij draaide weer om.
Hij zag Bram staan, de vader van Emma, en die gaf Marijn een envelop.
“Enorm bedankt voor je hulp, Marijn Borka,” zei Bram.
Marijn schudde met zijn envelop en zei: “Hier zit tienduizend euro in.”
Bram keek hem aan en zei: “Voor je collega.”
Marijn draaide zijn hoofd om en keek richting de bus. Hij zag Sofia voorovergebogen zitten.
“Bedankt,” zei Marijn, terwijl hij weer naar Bram keek. “Sterkte met je dochter.”
“En de poes?” zei Bram.
"Die gaat terug naar de eigenaar,” zei Marijn.
Hij liep naar de bus, opende de schuifdeur en zag dat Sofia nog met een gebogen hoofd op de achterbank zat.
Ze zeiden beiden niks op de terugweg naar de woning van Marijn.

Eenmaal bij het huis aangekomen liepen Marijn en Sofia naar binnen. Marijn hing zijn jas aan de kapstok en keek Sofia na, die naar de werkkamer liep en plaats op de stoel nam.
Marijn volgde haar voorbeeld en ging tegenover haar zitten. Ze huilde nog steeds.
“Hoe kan iemand zo erg zijn tegenover poezen en kinderen,” zei Sofia snotterig. “Dan heb je toch geen goed hart in je zitten?”
Marijn keek haar aan en dacht na. Hij stond op en ging op het bureaublad zitten. Hij bleef Sofia aankijken en zei: “Luister, Sofia. Iedereen wordt met een goed hart geboren, maar het zijn anderen die een verkeerde invloed hebben op mensen. Sommige mensen geven zichzelf een verkeerde invloed omdat ze vrijwillig het verkeerde pad op gaan. In dit geval is Feline onder een invloed geweest doordat haar dochter is omgekomen tijdens een verkeersongeval, en dat de dader is doorgereden. Mensen kunnen daardoor in hun hoofd heel raar gaan denken en op een gegeven moment ook doordraaien.”
"Ik kan die beelden niet van mijn netvlies halen en verwerken. De onschuldige poezen die begraven lagen, en het kleine meisje dat angstig naar ons keek toen wij haar hadden gevonden, en, en. Het moet voor haar een ware hel zijn geweest om daar dagenlang opgesloten te zitten. Ik kan het nog steeds niet geloven. Hoe hou je dat zo lang vol? Die heftige dingen moeten jou toch ook erg raken?”
“In het begin heeft het mij ook geraakt. Enorm geraakt zelfs, maar op een gegeven moment wen je eraan en leer je ermee om te gaan. Ik heb nog een vraag,’’ zei Marijn, terwijl hij Sofia bezorgd aankeek. ‘’Wil je hiermee doorgaan? Samen met mij op avontuur?’’
Sofia dacht even na en zei daarna: ‘’Ja, als ik mensen en dieren kan helpen, dan wil ik het graag doen.’’
‘’Als je er nog erg mee zit kan ik je aanraden om het van je af te schrijven. In een schrift of dagboek als je thuis bent. Als je hier bent kan je er altijd met mij erover praten, want wij hebben deze situatie meegemaakt.”
“Ik ga je advies opvolgen,” zei Sofia meteen.
“Mooi, ik kan jou nog wel meer advies meegeven. Vergeet niet dat wat Emma meegemaakt en doorstaan heeft, veel erger is dan wat jij hebt gezien. Kleine kinderen zijn gevoeliger en staan niet zo sterk in hun schoenen dan wij. In de ogen van Emma ben jij haar held, omdat je haar hebt gered.”
Sofia begon beetje te huilen en deze keer was het ook van blijdschap.
“Ik geef jou de helft van de beloning die wij hebben gekregen van Bram,” zei Marijn. “Dat is voor jouw opleiding als forensisch specialist, dan kun je er goed mee rondkomen en helemaal in verdiepen. Het is belangrijk dat jij je studie gewoon afmaakt. Ik kan je hulp goed gebruiken als je nog op school zit, je weet maar nooit.’’
Snorretje kwam de hoek om, en begon kopjes te geven tegen Sofia haar been. Sofia pakte haar poes op en omhelsde haar. Ze begon haar te knuffelen en Snorretje begon harder te spinnen.
“Wat ik ook heb geleerd is dat poezen aanvoelen hoe hun baasjes zich voelen,” zei Marijn, met een blik op Sofia en Snorretje. “Als men zegt dat er een grotere kattenliefde is, dan vergissen ze zich.”

Einde